Benoem het gevraagde zinsdeel

© Paul Corthouts

Welke zinsdeel is het?
zin 1. Tijdens de wedstrijd viel de verlichting uit.

tijdens de wedstrijd =

zin 2. De scheidsrechter gaf die speler een gele kaart.

een gele kaart =

zin 3. Heel enthousiast applaudiseerden de supporters!

de supporters =

zin 4. De trainer zal dat niet vlug vergeten.

zal vergeten =

zin 5. Wie trapte de bal buiten het stadion?

trapte =

zin 6. De spelers zijn na de wedstrijd verdrietig.

zijn verdrietig =

zin 7. Onder de douche werd er toch al gelachen.

werd gelachen =

zin 8. De materiaalman poetste nadien alle vuile schoenen.

alle vuile schoenen =

zin 9. De spelers zaten ondertussen al iets fris te drinken in de kantine.

in de kantine =

zin 10. Zou je na die nederlaag niet beter naar huis gaan?

je =