zinsdelen benoemen

© Paul Corthouts

Benoem het vetgedrukt zinsdeel! Je hoeft enkel de passende letter te noteren :
a = onderwerp
b = ww. gez.
c = voorwerp
d = bepaling

1. De wielrenner behaalde zonder veel moeite de overwinning.


2. Om halfzes had de zieke een afspraak bij de dokter.


3. De bezorgde moeder wandelde elke dag met haar zoon naar school.


4. Vanuit de boomhut zag de jager het everzwijn aankomen.


5. De betogers wierpen stenen naar de politie.


6. Tijdens de wintermaanden waarschuwt men regelmatig voor aanvriezende mist.


7. Wordt dat meisje morgen al elf jaar?


8. Voor zijn verjaardag gaf An hem een prachtig geschenk.


9. Als iemand pech heeft, moet je hem helpen.


10. Hij duwde de boot met een peddel in het water.