Zoek de bepalingen in elke zin!
© Paul Corthouts
Duid alle bepalingen aan!
Elke morgen fietsen we lachend naar school.
Wie niet kan lachen, blijft beter thuis.
- beter
- Wie niet kan lachen
- thuis
Sommige jongens spelen niet graag voetbal.
- niet graag
- Sommige jongens
- voetbal
Zuslief zoekt in de kast lekkere snoepjes.
- in de kast
- zuslief
- lekkere snoepjes
Tijdens de vakantie kunnen we lang uitslapen.
Wie heeft mijn boek in de kelder verstopt?
- in de kelder
- mijn boek
- Wie
- heeft
Bliksemsnel spurtte het meisje naar haar mama.
- bliksemsnel
- naar haar mama
- het meisje
- spurtte
Met veel moeite slaagde mijn broer in zijn rijexamen.
- met veel moeite
- mijn broer
- in zijn rijexamen
Met een dweil veegde vader heel snel zijn vuile voetstappen weg.
Een auto koop je meestal bij de garagist.