Overzicht
Taal
ei of ij
© Paul Corthouts
Noteer "ei" of "ij"!
1. Oma br
t een mooie trui voor m
.
2. Hij maakt van zijn eten een vieze br
.
3. Het waterp
l st
gt onrustwekkend.
4. Het gew
van dat hert is enorm groot.
5. Vroeger jaagde de mens met p
l en boog.
6. Mijn kl
ne zus kan heel goed vl
en.
7. B
de kinderen bl
ven graag in bed liggen.
8. Zij tw
felen niet aan het juiste antwoord.
9. Papa dw
lt elke week de vloer.
10. Baby kr
st in zijn wieg.
11. In het bedr
f werken
verige arb
ders.
12. Op de h
de of in de w
de vind je versch
dene bloemen.
Controleer
OK
Overzicht
Taal