tegenwoordige tijd 1

© Paul Corthouts

Noteer de juiste werkwoordsvorm!

1. (weigeren) De gevangene zijn cel te verlaten.

2. (slapen) je zus altijd zo lang?

3. (gooien) De basketter de bal in de ring.

4. (mijden) Ik liever die gevaarlijke weg.

5. (snijden) je mama dikwijls in haar vinger?

6. (antwoord) je nu eens op mijn vraag?

7. (rapen) De doelwachter snel de bal op.

8. (vinden) Ik die opdracht niet zo fijn.

9. (zaaien) je papa elk jaar dezelfde groenten?

10. (twijfelen) Wij of dit antwoord wel juist is.