Hoofdrekenen

© Paul Corthouts

Noteer het ontbrekend getal!

1) 24 x 0,5 = 11) 200 % van 36 =
2) 2/3 van 150 = 12) 57 + 198 + 143 =
3) Het verschil tussen 0,5 en 0,05 = 13) 4600 : 1000 =
4) 0,7 + 0,07 = 14) Het achtste deel van het product tussen 4 en 250 =
5) In drie kwartier zitten minuten. 15) Ik verlies 3/5 van mijn geld en hou 20 € over. Ik had eerst € .
6) De helft van 12,12 = 16) In één uur zijn er seconden.
7) 14 x 1/2 = 17) De helft van de helft van 12 =
8) 3 eenheden + 5 duizendtallen + 9 tientallen = 18) 100 potloden kosten 40 € . Voor 150 potloden betaal je € .
9) Pa is 33 jaar, ma is er 30 en je zusje is er 3. Hun gemiddelde leeftijd is jaar. 19) 4 biljetten van 20 € en 3 biljetten van 50 € = € .
10) Vereenvoudig 60/84 = 20) 20 + 800 = 500 +