Verkleinwoorden

© Paul Corthouts

Noteer het juiste verkleinwoord!
1. (pad) In het bos wandel ik over een smal .
2. (auto) Kan die basketter wel in dat ?
3. (schip) Dat kan nooit op zee varen!
4. (ketting) Zus kreeg een voor haar verjaardag.
5. (ster) Langs de Grote Beer stond een .
6. (tekening) Hij maakte voor mij vlug een .
7. (bloem) Tijdens de wintermaanden zie je soms een .
8. (papa) zal dat wel betalen!
9. (zon) Scheen het meer wat meer.
10. (haring) In Nederland noemt men ook wel maatjes.
11. (bel) Welke deugniet deed overal in de straat trek?
12. (paard) De kleuter mocht op een rijden.
13. (paar) Die twee vormen echt een leuk !
14. (kar) In de schuur stond nog een oud .
15. (vat) Dat had je niet moeten openen.
16. (wandeling) 's Avonds maakt opa een met de hond.
17. (ski) Gelukkig paste mijn skibot op het .
18. (paraplu) Iedereen wou schuilen onder moeders .
19. (baby) Het geschreeuw van dat maakte ons wakker.
20. (boom) Je plant het best in de herfst.