Verleden tijd 2

© Paul Corthouts

Noteer de juiste werkwoordsvorm in de verleden tijd!

1. (roepen) Waarom je zo hard?

2. (sluiten) De bewaker de poort.

3. (eten) De hongerige kinderen alles op.

4. (laten) De politie dat niet toe.

5. (komen) Mijn buurmeisje gisteren te laat op school.

6. (slaan) De tennisser naast de bal.

7. (worden) Vorig jaar hij wereldkampioen.

8. (vallen) Door de storm veel bomen om.

9. (zinken) Het schip op de bodem van de zee.

10. ( drinken) Hij de hele fles leeg!