Verleden tijd: klankveranderende werkwoorden

© Paul Corthouts

Noteer de juiste vorm in de VERLEDEN tijd!
   bestond      bestreed      dacht      gebood      gleed      hield      hielp      overleed      schrok      sneed      sprongen      stond      verbond      verbood      vermeed      vocht      vroeg      waren      werd      zwom   
1. (snijden) De slager een lekker stuk vlees af.

2. (helpen) Ik mama met de afwas.

3. (verbinden) De verpleger de wonde.

4. (denken) De leerling eerst na over het antwoord.

5. (staan) De winnaar fier op het podium.

6. (vermijden) Vader het drukke verkeer.

7. (springen) De kleuters in de plassen.

8. (bestrijden) De bokser zijn tegenstander.

9. (zwemmen) Jij over het kanaal!

10. (overlijden) Grootmoeder plotseling.

11. (gebieden) Juf onmiddellijke stilte.

12. (glijden) Hij op ski's naar beneden.

13. (vechten) Die kerel op de speelplaats.

14. (verbieden) De meester ons naar buiten te gaan.

15. (worden) Wie de winnaar?

16. (vragen) Zus raad aan haar moeder.

17. (schrikken) De werkman van de opdracht.

18. (houden) Mijn broertje mama's hand vast.

19. (zijn) We wel heel ongerust.

20. (bestaan) Er hierover een misverstand.