Woordsoorten
© Paul Corthouts
Elke dag stapte ze met haar vriendin naar het station.
stapte =
- bn.
- ww.
- zn.
- lidw.
Hij vertelde het geheimzinnig verhaal aan iedereen.
geheimzinnige=
- zn.
- bn.
- ww.
- lidw.
Ik ben een neef van Wiske.
zn.= ?
Het gezwaai met de vlag was zeer gevaarlijk!
ww=?
Stond jij vanmorgen tijdens de les op straf?
de=
Hij plaatste de punt van het mes op de keel van de winkelier.
plaatste=
- ww.
- zn.
- lidw.
- bn.
Het slachtoffer vertelde die bloederige gebeurtenis aan commissaris Witse.
Witse=
- bn.
- ww.
- lidw.
- zn.
Hij had die dag al een moord opgelost.
ww.= ?
Op een koude winterdag bezochten ze die akelige plaats.
bn=?
In de schuur weerklonk een verschrikkelijke kreet.
ww.= ?
- schuur
- weerklonk
- verschrikkelijke
- kreet