VOORBEREIDING TOT HET ONTVANGEN VAN HET SACRAMENT VAN DE BIECHT


1. Het wezen van de biecht

In het boetesacrament (de biecht) ontmoet de christen de Heer Jezus die de berouwvolle zondaar steeds weer vergeeft. De biechteling moet dus goed voor ogen houden dat hij in de priester Christus de Heer ontmoet. Het is aan de Heer Jezus dat de zonden beleden worden. Het is de Heer Jezus die vergeving schenkt door de mond van de priester. Het gaat hier om een mysterie dat wij met ons verstand niet begrijpen. We spreken daarom ook van een sacrament 1.
Ook al kent de Heer de harten en ziet Hij al de zonden van de mens, toch blijft het noodzakelijk dat de biechteling deze aan de priester belijdt. Want het is juist deze daad van nederigheid die de duivel op de vlucht jaagt. Door te zondigen stelde de mens zich immers in meerdere of mindere mate onder diens heerschappij. De duivel verdraagt echter de nederigheid niet die in de zondenbelijdenis tot uiting komt.
Ook is het psychologisch gezien, heilzaam het kwaad dat men heeft aangericht, tegen iemand te kunnen zeggen. Dit bevrijdt - Wanneer een psychiater iemand vraagt zijn of haar leven aan hem te vertellen, met al z’n duistere kanten, zal deze persoon dit toch ook doen?
Wanneer men zijn zonden belijdt bij een katholiek priester, heeft men bovendien de zekerheid van Gods vergeving, krachtens de woorden van Jezus zelf tot zijn apostelen: “Aan wie ge de zonden vergeeft, zijn ze vergeven, en aan wie ge ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven.” (Joh. 20,23).
Door de absolutie die de priester verwoordt krijgt de rouwmoedige zondaar de heiligheid ( = de volheid van Gods inwonende liefde) die hij bij z’n doopsel ontving, terug. Dit betekent dat de heilige Geest weer z’n intrek neemt in de mens aan wie de zonden vergeven werden. Daar de biecht een sacrament is verleent de Heer hierdoor telkens nieuwe kracht om te vechten tegen Satan die de mens steeds weer wil verleiden tot zonde. Veelvuldige biecht is dan ook aanbevolen als geneesmiddel dat sterkte verleent in deze strijd tegen het kwaad.

1
Een sacrament is een menselijk teken (woord, gebaar of iets stoffelijks: water, wijn, brood, olie...) waarin God zelf met zijn genezende, bevrijdende, bevestigende liefde aanwezig komt om ons te raken... In zo’n tekengebeuren komen wij in contact met de verrezen - verheerlijkte levende Christus zelf. In de biecht is dat teken het absolutiewoord en gebaar van de priester. Daarom is er ook de noodzaak van het uitspreken van z’n zondigheid aan een priester die Christus vertegenwoordigt.

2. Voor de geldigheid van het boetesacrament is

het nodig:

a. dat de biechteling oprecht berouw heeft over het kwaad dat hij heeft aangericht.
b. dat de biechteling elke zonde met name belijdt.
bv. Wanneer iemand een moord of echtbreuk gepleegd heeft is het
niet voldoende te zeggen dat hij “tegen de naastenliefde”
gezondigd heeft!
Het is absoluut nodig heel eerlijk te zijn.
c. dat de biechteling zich oprecht voorneemt niet meer te zondigen en het kwaad dat hij heeft aangericht goed te maken door één of ander boetewerk.
Onder boetewerken verstaat men:
- het onrecht herstellen door zich bv. te verzoenen met z’n medemens.
- daden van zelfverloochening en offer stellen.
- goede werken verrichten en daden van liefde en caritas stellen.
- gebed, bedevaart.
Wanneer deze voorwaarden ontbreken (of één of twee ervan) is het sacrament ongeldig on zijn de zonden niet vergeven.
d. Enkel en alleen de bisschop en de priester kunnen de absolutie geven in naam van de heilige Drievuldigheid.

3. Het geven van de algemene absolutie

Voor het geven van de algemene absolutie bestaat er, gezien de huidige situatie van de Kerk in België en Nederland, geen reden. Enkel in geval van doodsgevaar (in oorlogstijd of bij rampen) mag de priester de algemene absolutie geven.
Tegenwoordig komt vaak het ernstig misbruik voor dat priesters tijdens boetevieringen de “algemene absolutie” geven, dit wil zeggen zonder dat de aanwezige gelovigen eerst individueel hun zonden beleden. Men moet goed weten dat de zonden in dit geval niet vergeven zijn en de priester zijn boekje te buiten is gegaan.



4. Hoe dikwijls moet men biechten?

De christen is ertoe gehouden minstens éénmaal per jaar - bij voorkeur rond Pasen zijn zonden te belijden in de biecht.
Toch is het heel zinvol meermaals per jaar (Maria vraagt in Medjugorje zelfs elke maand) zijn zonden te biechten.


5. Wat verstaat men onder “doodzonden” ?

a. Moord (o.a. abortus en euthanasie) en medeplichtigheid hieraan.
Geweldpleging op een medemens.
b. Wanneer men een medemens haat, wanneer men wrok koestert jegens de naaste en men zich niet wil verzoenen, wanneer men niet wil vergeven of geen vergeving wil vragen.
c. Wanneer met ontucht pleegt met een medemens o.a. door buitenechtelijke en perverse sexuele betrekkingen.
d. Wanneer men van het christelijk geloof is afgevallen.

Wanneer men zich wetens en willens (d.w.z. met klaarheid van inzicht en de vrije wil om dit om dit te doen 2) aan één van deze zonden heeft schuldig gemaakt, verkeert men in staat van doodzonde en verliest men de heiligmakende genade die men bij het doopsel ontving, men verliest aldus de inwoning van de heilige Geest en de vrede, de gewetensrust en de innerlijke vreugde die hiermee gepaard gaan.
Het is niet geoorloofd in staat van doodzonde te communiceren, wel de H. Mis bij te wonen.
Men moet zo vlug mogelijk een priester opzoeken om z’n zonden te biechten.

6. De voorbereiding tot de biecht

Deze voorbereiding kan thuis of in de kerk gebeuren.
a. Alvorens met het gewetensonderzoek te beginnen roept de christen de heilige Geest aan opdat die hem een helder inzicht zou geven in wat verkeerd en zondig was:
“Moge de genade van de heilige Geest mijn hart verlichten opdat ik vrijmoedig mijn zonden zou kunnen belijden en de barmhartigheid van God moge ondervinden”.
b. Eventueel aan de hand van de bijgevoegde vragenlijst kan men daarna zijn geweten onderzoeken.
Het kan zinvol zijn de zondenbelijdenis schriftelijk voor te bereiden.

2 Hieruit blijkt dat het nodig is dat de mens z’n geweten goed vormt en een duidelijk onderscheid kan maken tussen wat goed en kwaad is. De tien geboden zijn hier een veilige gids.

7. De biecht zelf

a. De biechteling zoekt een priester op van zijn of haar keuze en vraagt hem te mogen biechten. De biecht kan, volgens de wens van de biechteling in de biechtstoel, in de sacristie of - in kloosters of pastorijen - in een biechtkamer plaatsvinden.

b. De biechteling kan na het kruisteken een akte van berouw zeggen:
“Mijn Heer en mijn God, het is mij leed dat ik tegen uw opperste Majesteit misdaan heb. Ik verfoei al mijn zonden, niet alleen omdat ik uw straffen heb verdiend, maar vooral omdat ze U mishagen, die oneindig volmaakt en alle liefde waardig zijt. Ik maak het vast voornemen mijn leven te beteren en de gelegenheden tot zonde te vluchten. In dit berouw zal ik leven en sterven.”

c. Hierna belijdt de biechteling zijn zonden. Hij of zij kan eventueel het biechtbriefje voorlezen dat hij:zij thuis voorbereid had.

d. Na de zondenbelijdenis kan de biechteling zeggen:
“Heer Jezus, Zoon van God, wees mij, zondaar, genadig.”

e. Hierna geeft de priester in naam van de heilige Drievuldigheid de absolutie, terwijl de biechteling het kruisteken maakt.

8. Gewetensonderzoek

8.1. Relatie tot God

a. Heb ik geloof en vertrouwen in God en liefde tot Hem

- Geloof ik in God, ben ik bereid moedig voor m’n geloof uit te komen en er zelfs spot en minachting voor te doorstaan?
- Of ben ik eerder beschaamd voor m’n geloof en zwijg ik er maar liefst over?
- Ben ik bereid te geloven in de door God geopenbaarde waarheden, die de Kerk me voor houdt te geloven?
- Heb ik vertrouwen in Gods voorzienigheid of laat ik bij de minste tegenslag de moed zakken en maak ik Hem verwijten?
- Heb ik me overgegeven aan wanhoop door niet meer te geloven in Gods liefde en barmhartigheid.
- Ben ik bereid naar God toe te groeien en Hem te beminnen of leef ik onverschillig en oppervlakkig alsof God er niet was?
- Zijn er perioden in m’n leven geweest dat ik zonder geloof in God leefde?
- Wanneer lijden me treft, ben ik dan opstandig? Ben ik bereid m’n lijden te dragen, te offeren, in vereniging met het lijden van Christus?
Neem ik met Jezus het kruis op om Hem te volgen?
- Heb ik ooit God gehaat?
- Ben ik dankbaar jegens God voor verkregen gunsten en heb ik oog voor Gods dagelijkse weldaden in mijn leven, voor de kleine dingen van elke dag die Hij mij geeft?
Of ben ik ondankbaar en zie ik enkel dat wat niet goed gaat?
- Heb ik ooit het katholiek-christelijk geloof verloochend door naar een andere christelijke belijdenis, een andere godsdienst, of een sekte over te gaan?

b. Heb ik andere “goden” in mijn leven?

-
de afgod geld
- de afgod bezit
- de afgod macht
- de afgod genot
- de afgod prestige
- de afgod “lekker eten”, mooie kleding, enz.?

- Hecht ik overdreven belang aan bepaalde “krachten” in de kosmos, hierbij vergetend dat God aan de oorsprong staat van het gehele universum en er niets buiten Hem om gebeurt?

c. Gebruik ik Gods naam lichtvaardig?

- in vloeken?
- in bedenkelijke moppen over God en de heilige zaken?
- in ijdele discussies over God waarin ik gelijk wil halen?
- door het zweren bij God of de heilige zaken?
- heb ik me schuldig gemaakt aan het publiceren of verspreiden van heiligschennende literatuur?

d. Maak ik Satan en de andere duivelen ( = de gevallen engelen) tot meesters over mijn leven?

- door deel te nemen aan occulte praktijken?
zoals: - oproepen van geesten ( = seances/spiritisme)
(het zijn niet de overledenen die antwoorden, maar de
duivelen!)
- zwarte missen en Satanskultussen

- door meesters van het occulte te raadplegen?
zoals - waarzeggers
- handlezers
- pendelaars
- sterrenwichelaars
- witte of zwarte magiërs
- mediums

- door horoscopen te raadplegen of amuletten te dragen?
- door naar genezers te lopen die hun gave van genezing van Satan verkregen hebben en niet van de heilige Geest?
(Na een schijnbare verbetering, zal de ziekte daarna steeds verergeren.)
- door mij met hekserij bezig te houden?

e. Volbreng ik m’n religieuze plichten?

- Bid ik dagelijks tot mijn Schepper en Vader of wend ik mij slechts tot Hem als het mij niet goed gaat?
- Heb ik steeds de dag des Heren geheiligd?
* door ‘s zondags trouw naar de H. Mis te gaan?
* door van de zondag een gewijde dag te maken waarop ik elke
zonde en elke zware arbeid probeer te vermijden?
- Heb ik ooit in staat van doodzonde gecommuniceerd en zo het lichaam van Christus heiligschennend ontvangen?
- Heb ik de vereiste eerbied voor de Eucharistie: het geconsacreerde brood en de geconsacreerde wijn waarin Christus met zijn godheid aanwezig is?
- Heb ik eerbied in de kerk, waar Christus aanwezig is in de H. Hosties in het tabernakel?
- Ga ik regelmatig (minstens 1 maal per jaar) te biechten of ben ik ook gedurende lange tijd niet te biechten geweest?
Is mijn zondenbelijdenis steeds oprecht geweest in de biecht? Heb ik alles gezegd, ook als het me veel moeite kostte of draaide ik dan rond de pot?
- Heb ik ooit heiligschennis gepleegd (door bv. te spotten met de sacramenten) en daardoor afbreuk gedaan aan de verschuldigde eerbied tegenover God?

8.2. Relatie tot de naaste

a. Gij zult niet doden!

- Heb ik een moord op mijn geweten? Of was ik medeplichtig?
Heb ik mijn schuldig gemaakt of ben ik medeplichtig geweest aan abortus (o.a. door gebruik van abortieve anticonceptiva) of euthanasie?
- Is door mijn schuldige nalatigheid een mens gestorven?
- Jezus zegt: “Wie zijn broeder of zuster haat is een moordenaar...”
Heb ik ooit een mens gehaat, vervloekt, verwenst?
Heb ik ooit een mens “gedood” door hem te negeren, dood te zwijgen, hem in de put te duwen of hem gewoon aan zijn lot over te laten wanneer hij in nood verkeerde?

b. Gij zult geen echtbreuk plegen

- Heb ik mijn echtgeno(o)t(e) verlaten om met een andere partner te gaan leven?
- Heb ik ooit overspel gepleegd, ook al is m’n huwelijk niet spaak gelopen?
- Heb ik een echtgescheiden man of vrouw gehuwd?

c. Gij zult uw naaste of het goed van uw naaste niet begeren

- Begeer ik sexueel mijn naaste?
Indachtig het woord van Jezus:”Wie naar een vrouw/man kijkt om haar of hem te begeren, heeft reeds echtbreuk gepleegd”.
- Begeer ik de bezittingen en de talenten van anderen?
- Ben ik jaloers om mijn medemens?
... omdat hij / zij rijker is?
omdat hij / zij knapper is?
omdat hij / zij intelligenter is?
omdat hij / zij meer succes of geluk in het leven heeft?
omdat het hem / haar goed gaat?

d. Gij zult niet stelen!

- Heb ik gestolen, ook al gaat het om onbenullige zaken?
- Heb ik de Staat bedrogen en mij schuldig gemaakt aan belastingontduiking?
- Ben ik oneerlijk in financiële aangelegenheden?
- Maak ik me schuldig aan winstbejag?
- Heb ik mensen in “‘t zak “ gezet?
- Maak ik mij schuldig aan uitbuiting van anderen?
* door mijn ondergeschikte het loon te onthouden waarop hij
recht heeft.
* door mijn werknemers minder te betalen dan billijk is
* door te profiteren van de zwakke positie van m’n werknemer,
huurder, enz...

e. Gij zult uw naaste niet bedriegen

- Belieg ik mijn naaste?
- Bedrieg ik mijn naaste? (o.a. in geldzaken)

f. Gij zult uw naaste niet belasteren

- Heb ik kwaad gesproken over mijn naaste?
- Zit ik voortdurend over anderen te spreken, ook al is het niet dadelijk geroddel.
- Belaster ik mijn naaste, dit wil zeggen, heb ik achter zijn rug dingen gezegd die niet waar zijn of waarvan ik niet zeker ben of ze wel waar zijn?
- Zit ik voortdurend met anderen achter hun rug te lachen of zelfs te spotten?
- Geef ik vaak kritiek op de anderen:
- op de overheden van Kerk en maatschappij
- op mijn medemensen
- op situaties waarmee ik geconfronteerd word?
of zeg ik ook eens iets goeds over iemand wanneer hij er niet bij is?
- Heb ik vals getuigd tegen mijn naaste?

g. Gij zult uw naaste niet veroordelen!

- Heb ik m’n medemens veroordeeld, in gedachten of woorden?
- Vel ik eerlijk en onpartijdig rechtspraak?
- Ben ik barmhartig en vol begrip voor mijn naaste die van de goede weg is afgeraakt en aan lager wal is geraakt?

h. Vergeef elkaar!

- Ben ik vergevingsgezind, “tot 70 maal 7 maal toe”, dit is altijd?
Of koester ik wrok, rancune jegens mijn naaste wanneer hij mij onrecht aangedaan heeft?
- Ben ik belust of wraak wanneer een medemens me nadeel berokkend heeft?
- Blijf ik jarenlang koppig zwijgen jegens iemand waarmee ik ruzie gemaakt heb?
- Blijf ik bereid de eerste stap te zetten wanneer ik ruzie heb met iemand, of is het altijd de andere die naar mij moet toekomen?
- Ben ik bereid vergeving te vragen wanneer ik een ander onrecht heb aangedaan?
- Heb ik een medemens grof beledigd, uitgescholden zonder daarna vergeving te vragen?
- Neem ik het anderen kwalijk wanneer ze me achterstellen en zo m’n eigenliefde kwetsen?

i. Bemin uw vijanden!

- Bid ik voor m’n vijanden in plaats van ze te haten?
- Beantwoord ik geweld met geweld of met geweldloosheid, zoals Jezus vraagt?
- Ben ik vriendelijk voor allen, ook voor hen die mij niet mogen, of alleen voor hen die mij goed gezind zijn?

j. Wees goed voor de vreemdeling in uw midden!

- Ben ik gastvrij voor de immigranten en vluchtelingen in mijn omgeving?
- Respecteer ik hun overtuiging?
- Ben ik racistisch in mijn woorden en daden?
- Beschouw ik de vreemdeling als mijn evenmens of als een tweederangsburger?
- Maak ik mij schuldig aan religieus fanatisme en minacht ik andere godsdiensten?

k. Wees barmhartig zoals uw Vader in de hemel barmhartig is!

- Hoe is m’n houding ten opzichte van “sukkelaars”, bedelaars, mensen die aan lager wal zijn geraakt, “miseriemensen?
Acht ik mij hoog verheven boven hen?
- Minacht ik hen en weiger ik elk contact? Veroordeel ik hen in m’n manier van spreken?

i. Doe nooit wat onkuisheid is!

- Heb ik me schuldig gemaakt aan perverse praktijken:
- homosexuele betrekkingen?
- incest?
- pedofilie?
- perverse praktijken binnen het huwelijk?
- Heb ik m’n huwelijksleven anticonceptiva gebruikt, alhoewel de Kerk dit verbiedt?
- Heb ik mijn toevlucht genomen tot sterilisatie?
- Leef ik in concubinaat, dit wil zeggen, woon ik met een man/vrouw samen zonder kerkelijk gehuwd te zijn?
- Heb ik vóór het huwelijk sexuele betrekkingen gehad?

m. Vader en moeder zult gij eren!

- Heb ik m’n ouders steeds gehoorzaamd en geeerbiedigd?
- Heb ik hen oprecht bemind?
- Ben ik soms m’n eigen wegen gegaan, tegen hun wil in?
- Bezoek ik hen regelmatig wanneer ik het ouderlijk huis reeds verlaten heb?
- Heb ik hen bijgestaan in hun oude dag, materieel en moreel?
- Bid ik voldoende voor hun zielerust, wanneer zij reeds overleden zijn?

n. Geef geen ergernis!

- Heb ik mijn naaste ergernis gegeven door mijn slecht gedrag en voorbeeld?
- Heb ik bijgedragen tot het verspreiden van dwaalleren op religieus en moreel gebied, door bv. in te gaan tegen de officiële leer van de katholieke Kerk inzake geloof en zeden?
- Heb ik ooit een medemens ertoe aangezet kwaad te doen?

o. Heb ik mijn plichten van staat steeds vervuld?

- Heb ik steeds m’n beroepsplicht vervuld en gedaan wat van mij verwacht werd?
- Heb ik naar behoren zorg gedragen voor de mensen die aan mij waren toevertrouwd?
- Heb ik mijn ouderlijke plichten steeds volbracht?
* Heb ik mijn kinderen alles gegeven wat zij voor hun menselijke
ontplooiing nodig hadden?
Vooral: heb ik hen veel liefde geschonken?
* Ben ik steeds vergevingsgezind en barmhartig geweest voor
hen als zij misdeden?
* Heb ik alles gedaan wat in m’n mogelijkheden lag om hen terug
op de goede weg te brengen, wanneer zij daar van afgedwaald
waren?
* Heb ik al mijn kinderen gelijke kansen gegeven en geen één
benadeeld ten opzichte van een ander?
* Heb ik de zwakke kinderen altijd met bijzondere zorg omringd?
* Heb ik mijn kinderen christelijk opgevoed?
* Heb ik hen leren bidden?
* Heb ik hen over God en de onzichtbare werkelijkheden
gesproken?
* Heb ik hen steeds aangemaand hun christelijke plichten te
volbrengen, o.a. de zondagsplicht?
* Heb ik hen gesproken over de christelijke waarden van liefde,
trouw, vergevingsgezindheid, onderling hulpbetoon?
* Durfde ik hen zeggen dat ik niet met hen akkoord ging wanneer
zij afweken van de Goddelijke wet?
* Heb ik m’n kinderen behoed voor verderfelijke invloeden:
- slechte kameraden
- slechte TV-programma’s en lectuur?
* Ben ik steeds bereid geweest mijn kinderen te ontvangen, in
welke situatie zij ook verzeild geraakten?
* Heb ik steeds de deur van m’n huis voor hen geopend
gehouden?
* Sta ik hen bij in hun morele en materiële noden wanneer zij mij
om hulp vragen?
* Bid ik, offer ik genoeg voor hen, om alzo zorg te dragen voor
hun eeuwig leven na dit leven?
* Help ik mijn kinderen moedig beproevingen te doorstaan,
wetend dat lijden en kruis in elk leven onvermijdelijk zijn, ja,
noodzakelijk om het eeuwig leven te verwerven?
p. Heb ik gezondigd door nalatigheid?

- Heb ik door plichtsverzuim mijn medemens schade toegebracht?
- Heb ik dingen verzwegen die ik had moeten zeggen om m’n naaste te helpen?
- Durf ik wantoestanden aanklagen of zwijg ik?
- Heb ik m’n naaste verdedigd als dat nodig was of heb ik laf gezwegen?
- Heb ik kansen laten voorbijgaan om goed te doen?

q. Bemin uw naaste als uzelf! Wat je niet wilt dat je gebeurt, doe dat ook niet aan een ander!

- Heb ik de werken van barmhartigheid beoefend wanneer de gelegenheid zich voordeed?
Indachtig het woord van Jezus: “Wat gij aan de minste van de mijnen hebt gedaan, hebt gij aan Mij gedaan.”?
- de hongerigen spijzen
- de dorstigen laven
- de naakten kleden
- de zieken bezoeken
- de gevangenen bezoeken
- de doden begraven
- de zwervers opnemen (of onderdak bezorgen)

- Heb ik mijn medemens in nood geholpen door het geven van geld?
Steun ik al eens financieel één of ander goed werk?
- Ben ik voldoende behulpzaam?
- Help ik steeds m’n bejaarde of gehandicapte medemens?
- help ik een gehandicapte of bejaarde bv. de straat over te
steken of loop ik het hoekje om?
- heb ik oog en zorg voor bejaarden en gehandicapten in m’n
onmiddellijke omgeving?
.... door hen te bezoeken
hun boodschappen te doen
hen bij te staan in materiële en geestelijke
noden...
of doe ik alsof ze er niet zijn?
- Heb ik respect voor mijn bejaarde of gehandicapte evenmens?
- Wil ik gediend worden of ben ik bereid de anderen te dienen?
- Ben ik vriendelijk voor iedereen?
Bekijk ik de ander slechts in functie van zijn lichamelijke schoonheid, zijn talenten, aanzien of rijkdom? Heb ik de neiging voor deze mensen vriendelijker te zijn?
- Maak ik tijd om naar anderen te luisteren? Of heb ik nooit tijd?
- Ben ik trouw in m’n afspraken en relaties met anderen?
- Ben ik eerlijk in woord en daad?
- Ben ik een vredebrenger waar conflicten heersen of een onruststoker die ruzies nog aanwakkert?
- Bid ik voor de overledenen die zich nog in het vagevuur bevinden, in het bijzonder voor al de mensen die ik gekend heb en voor mijn voorouders?
Het gebed voor de overledenen is een zuivere daad van naastenliefde, zij zijn immers op ons gebed aangewezen om vlugger over te gaan van het vagevuur naar de hemel.
- Heb ik m’n medemens lichamelijk of geestelijk mishandeld?
- Heb ik mijn medemens op één of andere manier gechanteerd?
- Respecteer ik het bezit van mijn naaste of heb ik de goederen van mijn naaste vernield door:
- brandstichting
- bomaanslagen
- vandalisme...

- Wens ik mijn naaste heimelijk kwaad of ongeluk toe?
- Heb ik leedvermaak met m’n naaste als hij in moeilijkheden zit, door eigen fout of die van anderen?
- Maak ik mij schuldig aan machtsmisbruik?
- Speel ik de baas over m’n medemens?
- Maak ik me vlug kwaad?
- Ben ik opvliegend of agressief geweest in woord en daad?
- Ben ik onvriendelijk, humeurig en prikkelbaar jegens m’n naaste?
- Ben ik ongeduldig?
- Ben ik een zeurpiet, een lastpost voor m’n naaste?
- Wil ik in discussies altijd gelijk halen en verafgood ik m’n eigen mening?
- Dring ik m’n overtuiging op?
- Leg ik m’n religieuze of andere overtuigingen met geweld aan anderen op?
- Bemoei ik me voortdurend met de zaken van anderen?
- Leg ik een ongezonde nieuwsgierigheid aan de dag met betrekking tot het persoonlijke leven van mijn naaste?
- Heb ik een gegeven woord gebroken door dingen te zeggen die ik had moeten zwijgen?
- Heb ik meineed gepleegd?
- Ben ik onbeleefd jegens anderen?

8.3. Relatie tot mezelf

a. Doe nooit wat onkuisheid is!

-
Heb ik me bezondigd aan zelfbevrediging?

b. Wees steeds kuis in uw gemoed!

- Laat ik m’n sexuele fantasieën de vrije loop of ga ik er energiek tegen in?
- Kijk ik naar slecht films of TV-programma’s?
- Lees ik pornografische literatuur?
- Doe ik mee met dubbelzinnige en aangebrande gesprekken?

c. Wees niet hoogmoedig!

- Acht ik mij beter dan anderen omwille van m’n sociale positie, beroepskennis, vaardigheden, talenten?
- Ben ik erop uit geëerd, geprezen te worden?
- Ben ik belust of ijdele glorie?
- Ben ik verwaand en opschepperig?
- Ben ik ijdel? Besteed ik overdreven veel zorg aan m’n lichaam en m’n uiterlijk?
- Ben ik ongehoorzaam en opstandig jegens hen die gezag over mij dragen?
- Wanneer ik goede werken verricht, doe ik het dan om op te vallen bij de mensen of handel ik in het verborgene?
- Wanneer ik eerlijk Gods geboden probeer te onderhouden en mij tracht te onthouden van elke zonde, bekruipt mij dan soms onwillekeurig het gevoel dat ik “beter ben” dan anderen, dat ik niet ben zoals zij?
Met andere woorden, ben ik op m’n hoede voor het gevaar van de geestelijke hoogmoed, waarbij ik mezelf verheven acht boven de anderen?

d. Lusteloosheid, droefgeestigheid, gulzigheid, verslaving

- Ben ik lui en lusteloos?
- Laat ik me gaan in m’n droefheid, koester ik m’n verdriet wanneer lijden me treft? Sluit ik me op in m’n verdriet?
- Ben ik gulzig geweest?
- Heb ik me schuldig gemaakt aan drankmisbruik of druggebruik?

8.4. Eerbied voor de schepping

- Heb ik eerbied voor Gods schepping?
- Heb ik me schuldig gemaakt aan dierenmishandeling?
- Draag ik door mijn gedrag bij aan de vervuiling en de verwoesting van de natuur?
- Maak ik me schuldig aan verspilling van voedsel, gebruiksgoederen?



9. Gewetensonderzoek (2 de versie)
Bron: De Godvruchtige dienaar : Nieuw gebedenboek voor kinderen van Jezus en Maria door Hagemans R. (Doornik, 1906), p. 53-58
volgens de 10 geboden

9.1. Relatie tot God

9.1.1. Over het geloof

- Vrijwillige twijfel
- nieuwsgierigheid
- superstitie
- verboden lezingen
- bespotting van heilige zaken
- onachtzaamheid om zich in de godsdienst te onderrichten

9.1.2. Over het hoop

- Wanhopen aan Gods barmhartigheid
- Vermetele hoop in Gods goedheid of al te veel betrouwen op zijn eigen krachten
- de goddelijke inspraken verwerpen en de knaging van het geweten smoren
- zich te veel aan aardse goederen of aardse geluk hechten, vooral met verzuim van hogere plichten

9.1.3. Over het liefde

- Lange tijd in staat van doodzonde leven, zonder zich tot God te bekeren.
- In een gewoonte van zonde voortleven
- Het aardse boven het hemelse stellen
- voor het goede onverschillig zijn
- Uit menselijk opzicht of baatzucht zijn plichten verzuimen, of zijn goede voornemens verlaten
- De naaste niet beminnen uit liefde tot God.

9.1.4. Over de godsdienst

- Zijn gebeden, de mis, zijn penitentie achterlaten, of de godsdienstige plichten slecht vervullen
- Zich oneerbiedig gedragen in de kerk: onbetamelijke houdingen, gesprekken, dwalende blikken, vrijwillige verstrooidheden
- De Zon- en Heiligendagen onteren door zware arbeid, kopen en verkopen, onmatig drinken, spelen, nachtlopen, verderfelijke gezelschappen, enz.
- Vloeken, een valse eed doen, liegen, de naam van God ijdel gebruiken
- Nalatig zijn in God te loven, Hem voor zijn weldaden te danken
- Zich niet gaarne aan zijn heilige wil onderwerpen.


9.2. Relatie tot de naaste

9.2.1. Door gedachten

- Lichtvaardig oordeel, verachting van de persoon die de naaste is of zijn daden
- Nijd, haat, bitterheid, afkeer, wraakzucht. Men moet zeggen, of deze gevoelens vrijwillig geweest zijn, lang geduurd hebben of zij tegen oversten gericht waren.

9.2.1. Door woorden

- Achterklap, kwaadspreken
- Schending van de eer door liederen, boeken, schriften of anderszins. Men moet verklaren, om welke reden men verzonnen of onbekend kwaad verspreid heeft, hoeveel personen tegenwoordig waren, en of de laster nadelige gevolgen gehad heeft of nog kan hebben.
- Gesprekken tegen de liefde
- Twist zaaien tussen bloedverwanten, vrienden, enz.
Slechte raad, vleierij, goedkeuring van het kwaad.
- Valse getuigenissen
- Misbruik van vertrouwen
- Bekendmaking van fouten.
- Beledigingen, verwijten, verwensingen.

9.2.1. Door daden

- Onrechtvaardig achterhouden van een anders goed
- Bedrog of valsheid in het kopen of verkopen
- Gestolen voorwerpen kopen, bewaren of op enige andere wijze tot onrechtvaardigheid medewerken
- De tijd werkloos doorbrengen of de zaken slecht waarnemen
- Waren vervalsen of boven de prijs verkopen
- Ergernis, plichtige toegevendheid of slechte voorbeelden

9.2.1. Door verzuimenis

- Nalatigheid in restitutie te doen, de bevlekte eer te herstellen, zich met zijn vijand te verzoenen
- Onachtzaamheid in het vervullen van de plichten als man en vrouw: liefde, getrouwheid, eerbied, onderwerping, verdraagzaamheid, geduld
- Als vader en moeder, als meester en meesteres: onderwijs, goed voorbeeld, berisping, rechtvaardigheid, liefde
- Als kind: eerbied, liefde, gehoorzaamheid, hulp, getrouwheid
- Als overheidspersonen, rechters, werklieden, enz.

9.3. Relatie tot zichzelf

9.3.1. Uit hoogmoed

- Zich op een onbehoorlijke wijze boven anderen verheffen.
- Op natuurlijke hoedanigheden trots zijn; op zijn lichaamsgestalte, schoonheid, afkomst, rijkdom, verstand, enz. met versmading van anderen.
- Tegen billijke vermaningen of berispingen een weerspannig gemoed hebben.

9.3.2. Uit gierigheid

- Met blinde drift rijkdom of geld najagen
- Te weinig aan aalmoezen en goede werken besteden
- Zich al te zeer over de toekomst bekommeren
- Zich zelf of anderen het nodige weigeren


9.3.3. Door nijd of afgunst

- Anderen misprijzen of hun naam bevlekken
- Over het kwaad, dat de naaste overkomt, zich verheugen on zijn voorspoed benijden.

9.3.4. Door onkuisheid

- Vrijwillig behagen scheppen in onkuise gedachten.
- Begeren onkuise werken te doen
- Oneerbare woorden spreken, ontuchtige liederen zingen, onzedige raadsels voorstellen, dubbelzinnige woorden spreken.
- Behagen scheppen in zulks door een ander te horen doen.
- De plichtigen aanmoedigen, in plaats van hen te doen zwijgen, wanneer men dit kan.
- Onzedige of te losse gesprekken houden, vooral met ongelijke personen; dit dulden van personen, die men verplicht is te berispen.
- Oneerbare voorwerpen, platen, beelden, films, CD-roms, enz. , aanschouwen.
- Boeken lezen of lenen, die voor de zedigheid gevaarlijk zijn.
- Zich in onzedige gezelschappen laten vinden, als: bals, comediën, discotheken, enz.
- Door zijn klederdracht ergernis geven (strakke en te kort kleding)
- Zich oneerbare vrijheden veroorloven, - alleen, - met anderen.
- Op zichzelf of op anderen een onkuise oogopslag werpen.
- Anderen het kwaad uitleggen, - welk kwaad ? Hen aanlokken om het te bedrijven.
- In onzedelijke gevoelens behagen scheppen, - daaraan oorzaak stellen, - iets doen om ze het hebben en te vermeerderen, verwaarlozen in zulke bekoringen te bidden, enz.

Men moet alles zo zedig mogelijk uitdrukken; de omstandigheden aanhalen, die de zonde veranderen of verzwaren, en zeggen of men de nodige behoedmiddelen gebruikt heeft tegen dit schandelijk kwaad. Ook onderzoekt men wel, wat vrijwillig of onvrijwillig is; wat uit enkel onachtzaamheid, uit lust of behagen voortkomt; men geeft nauwkeurig het getal zonden op, hoelang de gewoonte geduurd heeft, met welke personen men heeft gezondigd of willen zondigen, zonder nochtans iemand te noemen, enz.



9.3.5. Door gulzigheid

- Onmatig eten en drinken; anderen daartoe aanzetten.
- In de herberg blijven, in plaats van naar de kerk te gaan of te werken.
- Al te zinnelijk zijn in het eten.
- De vastendagen en het vleesderven niet onderhouden.

9.3.6. Door gramschap

- Zich tot gramschap laten vervoeren, zonder dit gevoel tegen te werken.
- Scheldwoorden spreken, anderen toornig maken, twisten, vechten, in zijn gramschap voort gaan, niets doen om tot verzoening te komen.
- Kinderen en dienstboden moeten zich beschuldigen over de oorzaken, die zij aan de gramschap gesteld hebben.

9.3.7. Door luiheid

- Onachtzaamheid in het naderen tot de HH. Sacramenten, in het doen der gebeden, bijwonen der predikatiën, de versterving van de driften, het gebruik der middelen tot verbetering, het vluchten der naaste gelegenheden, het nakomen van zijn plichten, de zorg voor de eeuwige zaligheid.


10. Gewetensonderzoek (3de versie)
Bron: Introibo ad altare: Gebeden voor jongens die willen opgaan tot het heilig priesterschap samengesteld door P. Constantinus (Mechelen, 1933) p.196-205

Inleiding

(Hier volgt een korter en een langer gewetensonderzoek. Het langere kan nuttig zijn om bij onze veelvuldige biecht afwisselend onze aandacht op een speciaal punt te vestigen en zo de moeilijkheid te verwijderen altijd ‘t zelfde te biechten.)
Om spoedig te weten, wat sinds de laatste biecht is voorgevallen, is de eenvoudigste manier, zich af te vragen:
Wat was de uitslag van mijn dagelijks “algemeen” gewetensonderzoek?
Wat was de uitslag van mijn dagelijks “bijzonder” gewetensonderzoek?
Een andere nauwkeurige, volledige wijze van gewetensonderzoek bestaat in ‘t volgende: Men ga na, waar men geweest is: kapel, klas, studiezaal, recreatie, slaapkamer, op wandeling, enz. wat men daar misdeed door gedachten, woorden, werken, verzuimenissen tegen zijn overheden, medestudenten, zichzelf of andere personen.
Is men zich geen grote zonde bewust, dan is ‘t zeer nuttig volgende aanwijzing van onze geestelijke leidsman (en of meerder der volgende punten na te gaan, die in verband staan met onze deugd- of karaktermoeilijkheden. Op Recollectiedagen, bij jaarlijkse Retraite, enz. ga men alle geboden na, om zo te komen tot volmaakter kennis van zichzelf.

10.1. 1° gebod: Boven al, bemin één God

- Ben ik oneerbiedig geweest in mijn spreken over de verheven geheimen, devoties van ons H. Geloof, of heb ik zulke gesprekken met vermaak aanhoord?
- Heb ik mijn medemensen niet bespot om hun godsvrucht?.. minachtend over ‘t gebed gesproken?
- Ben ik niet onvoorzichtig geweest in mijn lectuur, ook wanneer ik bemerkte of wist, dat deze niet Katholiek was en strijdig met ‘t geloof?
- Heb ik, om wat bespotting, mij geschaamd over mijn godvruchtige oefeningen, en heb ik ze daarom nagelaten?
- Hoe is mijn eigen gebedsleven? Morgengebed? Avondgebed? Rozenhoedje, korte gebeden door de dag? H. Mis en Communie? Bezoek aan het H. Sacrament? Lauw? Onverschillig? Vrijwillig verstrooid? Met bewuste slapheid? Met stoornis voor anderen? Hoe was mijn gedrag onder ‘t bidden in of buiten de kapel, wanneer ik meende wèl, of niet gezien te worden.
- Ben ik niet vermetel geweest tegen God, doordat ik gemakkelijker zondigde, door deze gedachte: “Ik kan toch weer gauw biechten?”
- Heb ik in de vereiste gesteltenissen de H. Sacramenten van Biecht en Communie ontvangen?

10.2. Tweede gebod: Zweer niet ijdel, vloek noch spot

- Heb ik de Naam van God, en vooral de veelbetekende, geheimenisvolle en Zoete Naam van Jezus altijd zó uitgesproken, of in die omstandigheden, welke de eerbied, aan God of Jezus Christus verschuldigd, betaamd?
- Ben ik kritisch geweest in mijn oordeel, of spottend in mijn spreken over heilige zaken, of heb ik daarmee gelachen, als anderen zó daarover spraken?
- Is mijn oneerbiedig gebruik van Gods naam, minachtend spreken over gewijde of heilige zaken niet van invloed op personen van mijn omgeving, om mijn medestudenten?

10.3. Derde gebod: Heilig steeds de dag des Heren

- Heb ik de Zondag en de Feestdagen doorgebracht zoals ‘t een toekomstig Priester betaamt?...
- Heb ik die dagen werkelijk geheiligd... of misschien juist ontheiligd?
- Stond mijn gebedsleven op die dagen in groter vurigheid? Was ik op die dagen tevreden alleen met datgene, wat de Kerk op zware zonden voorschrijft
- Wat kwam er van een tweede Mis, de Vespers of het Lof? Hoe heb ik die oefeningen bijgewoond? Zodanig dat ik als toekomstig Priester een voorbeeld was voor mijn omgeving, voor mijn medestudenten? Heb ik mij tevreden gesteld met het uiterlijke in mijn eerbied en inwendig bewust mijn gedachten en verbeelding vrij spel gelaten? Met welke gedachten?
- Heb ik mijn langere recreaties binnen of buiten, mijn wandeling op die dagen voor mij zelf en door mijn voorbeeld voor anderen geheiligd, zodat de Zondag een zielezonnedag en niet een zondedag was?
- Hebben juist op die dagen mijn godvruchtige oefeningen niet geleden door de verstrooiing van ongeregelde sportlust?

10.4. Vierde gebod: Eer uw vader en uw moeder

- Heb ik degenen die boven mij staan beschouwd als plaatsvervangers van God en van mijn lieve ouders?
- En heb ik mijn medemensen, mijn medestudenten met hartelijke liefde bejegend?
- Bovenal, hoe was mijn gedrag jegens vader en moeder, broertjes en zusjes onder de vacantiedagen, bij bezoek, in mijn brieven of correspondentie? Ongehoorzaam? Kritisch? Koud? Ondankbaar? Hoogmoedig? Dwingerig? Onhandelbaar?
- Heb ik mij geschaamd over de eenvoud van mijn stand en die van mijn ouders, of mijn medestudenten ermee bespot?
- Mijzelf te veel laten voorgaan omdat mijn ouders rijker zijn? Om die reden minachtend op Priesters, Overheden, Religieuzen neergezien?
- Leef ik niet te veel op uiterlijk oordeel, door te letten op gebreken van anderen, en te weinig volgens ‘t geloof, dat mij om God de oversten doet eerbiedigen? In gedachten? Woorden? Daden?
- Was ik hartelijk voor allen uit mijn omgeving, of alleen voor enkelen? Heb ik mijn medestudenten ‘t leven vergald? Ging mijn plagen niet te ver? Kwam het voort uit ware broederliefde?
- Oefen ik een gunstige invloed uit op mijn medestudenten wat aangaat eerbied voor ‘t gezag? Liefde tot elkander?

10.5. Vijfde gebod: Dood niet, geef geen ergernis

- Heb ik toegegeven aan opvliegendheid, drift, gramschap en onder invloed daarvan geslagen? Gewond?
- Met mijn medestudenten getwist? Ben ik twistziek? Een ruziemaker?
- Heb ik mijn omgeving, mijn medestudenten aangezet, al is ‘t maar één, tot verbittering, plagerij van één of meerdere van mijn makkers? Komt uit mijn handelwijze misschien niet voort, dat het leven hem zó ondraaglijk wordt, dat hij erover denkt, het Seminarie te verlaten en geen Priester te worden?
- Ben ik geen ergernis geweest voor anderen?
- Heb ik door mijn woorden, liedjes of daden mijn medestudenten het kwaad geleerd?
- Als ik met een of meerderen samen ben, buiten ‘t oog van mijn ouders of oversten waarover spreek ik dan? Wat zing ik dan? Wat doe ik dan? Kritiek op ‘t gezag? Lichtzinnige, dubbelzinnige, onkiese, onkuise aardigheden? Verborgenheden? Nieuwsgierige vragen? En welke daden? Denk ik eraan dat ik anderen zó het kwaad leer, hen erin sterk? Een verderfelijke toestand in mijn omgeving schep, die roepingen in gevaar brengt? Is dat geen ergernis?
- Heb ik ooit aan de verplichting gedacht, om zulke ernstige toestanden, tot verderf van mijn omgeving voortwoekerend, aan mijn biechtvader, mijn geestelijke leidsman of de wettige overheid bekend te maken?
- Hoe gedraag ik mij bij ’t verlangen naar, en in ‘t gebruik van spijs en drank? Snoep? Genotmiddelen? Roken? Onbeteugeld, onbeheerst, zonder enige versterving, gulzig, tot nadeel van mijn gezondheid? en van de geest van beheersing en versterving?

10.6. Zesde en negende gebod: Doe nooit wat onkuisheid is en wees kuis in uw gemoed.

- Heb ik eraan gedacht, ook als ik met een of meer anderen mij buiten ‘t oog van mijn ouders of oversten waande, dat mijn lichaam een tempel van de H. Geest, een levende ciborie waarin Christus zo dikwijls rust? Met welke bedoelingen en waarheen gingen mijn blikken, die ik vestigde op mij zelf? Op anderen? Op voorwerpen, afbeeldingen? En was u daarna nog rustig?
- Wat las ik als ik alleen was, en waarom? Mochten mijn ouders of oversten en dus ook God weten, wat ik las? Waarom niet? Namen daarna de bekoringen in hevigheid toe? En ben ik ermee doorgegaan? Wat deed ik met die lectuur? Heb ik ze niet aan anderen voorgelezen? Tot lezing aangezet?
- Welk liedjes zong ik? Durf ik ze ook in ‘t bijzijn van mijn oversten te zingen? Misschien wel, omdat ze onschuldig klinken? Maar wat zoek ik erin te leggen? Heb ik ze ook met genoegen aanhoord?
- Wanneer ik met een of meerderen alleen was, d.w.z. buiten ‘t oog van hen, die met zorg over mij waken, wat waren mijn gesprekken? Over nieuwsgierige verborgenheden, die ik eigenlijk alleen met mijn biechtvader of geestelijke leidsman moest bespreken? Toespelingen? Gebaren die veel te denken geven? Konden mijn gesprekken, mijn gebaren gerust aan mijn overheden bekend worden? Waarom dan zo verborgen? Heb ik niet getracht anderen in te lichten, die niet wisten wat ik wist en waarover ik niet gaarne in ‘t bijzijn van surveillanten spreken durf?
- En mijn daden als ik alleen was, of met anderen buiten ‘t oog der Oversten? Had ik voor die handelingen een goede reden, die ik gerust durf aanvoeren? Of zocht ik daar voldoening van mij zelf? Wees eerlijk voor God. - Wat trachtte ik daarmee te bereiken? Waarom, als ik eerlijk wil zijn, zoek ik de omgang van die medestudent? Zoek ik zijn toegenegenheid openlijk? of in stilte? Bederft dat niet ten zeerste mijn gebed, mijn studie, mijn aandacht in de les? Hoe gevoel ik mij wanneer hij er niet is? Met wie ga ik om onder de vacantiedagen? Waarom? Tot versterking van mijn roeping? Hoe heb ik gehandeld wanneer ik voorstellingen in de geest had, die minder net waren, onkies, onkuis? Ben ik toen ijverig met mijn les, werk, studie, gebed doorgegaan? of heb ik vrijwillig in die gedachten mij verlustigd? Ben ik ermee doorgegaan? Heb ik vrijwillig begeerd met mij zelf, met anderen te spreken over lichtzinnige, dubbelzinnige, minder passende dingen, grappen, toespelingen? Of met mij zelf of met anderen kwaad, dat tegen de H. deugd was, willen doen? Heb ik niet vrijwillig nagedacht over middelen om zover te komen? Een zinnelijke vriendschap te sluiten?
- Heb ik, zonder misschien zelf te beginnen, met vermaak bovengenoemde gesprekken met genoegen aanhoord? Ernaar verlangd? Er op uit geweest? Heb ik met zulke personen omgang gezocht?
10.7. Zevende en tiende gebod: Vlucht het stelen en ‘t
bedriegen en begeer nooit iemands goed

- Heb ik redelijke zorg gehad over zaken, die niet van mij waren, doch die ik gebruiken mocht? Heb ik ze beschadigd? Vernield? Heb ik mij iets toegeëigend wat aan anderen toebehoorde? Of zonder voldoende zijn toestemming te vragen, gebruikt? En heb ik, wat ik gebruiken mocht, na ‘t gebruik teruggegeven of zonder toestemming als mijn eigendom beschouwd, omdat men ‘t niet terugvroeg? Heb ik voor mij zelf gehouden, wat ik vond, zonder redelijk te onderzoeken, van wie het was?
- Heb ik zorg gedragen over alles wat mij toebehoorde, of misschien door mijn zorgeloosheid de uitgaven van mijn ouders en oversten verzwaard?
- Heb ik anderen aangezet tot schade of vernieling? tot diefstal? tot oneerlijkheid?
- Ben ik gierig of hebzuchtig geweest? Heb ik voldoende reden mijn ouders tot geven of aanschaffen van zaken aangespoord, die ik goed missen kon en die voor hen een merkelijke uitgave waren?
- Heb ik niet vrijwillig begeerte gehad, om wederrechtelijk mij iets toe te eigenen?
- Heb ik door oneerlijk spel iets gewonnen en... teruggegeven?
- Heb ik anderen schadeloos gesteld voor wat ik ontvreemd, beschadigd heb?

10.8. Achtste gebod: Ook de achterklap en ‘t liegen

- Heb ik mij oversten, medestudenten of anderen in hun eer of goede naam gekrenkt? Lichamelijke of andere gebreken of fouten bekend gemaakt? Hun goede hoedanigheden verkleind uit afgunst, of om zelf op de voorgrond te treden? Kwaad van hen verteld, dat niet waar was? Of zonder voldoende reden uit achterdocht kwaad van hen vermoed? Leedvermaak gehad, wanneer minder goede dingen van anderen vermoed of verteld werden?
- Wanneer ik volgens geweten meende iets te moeten openbaren aan de Priester uit belang van een of meer personen of van mijn omgeving, deed ik dat? Met edele bedoelingen? Alleen aan hem?
- Heb ik allen naar staat of stand van harte de nodige eerbied betuigd? Bespot? Met minder eerbiedige woorden bejegend? Heb ik getracht door eerherstel of op andere wijze mijn fouten hierin weer te herstellen?
- Heb ik gelogen? Anderen daardoor nadeel toegebracht? De waarheid ontkend, verkleind bij wettige ondervraging?
- Mijn fouten, minder goede daden, neigingen verborgen voor hem, die mijn ziel besturen wil en vervolmaken? Mij voor hem anders voorgedaan dan ik voor God ben?

10.2. Een paar middelen om zijn fouten te verbeteren

Om te kunnen komen tot volmaaktheid in ‘ t geestelijk leven is ‘t nodig, dat men zich zelf volmaakt kent. Daarvoor zijn twee uitstekende middelen, nl.: het bijzondere gewetensonderzoek en de geestelijke leiding.

10. 2.1. Bijzonder gewetensonderzoek

Het bijzonder gewetensonderzoek is niet ‘t zelfde als naar ‘t onderzoek naar zonden, fouten, zoals wij dat doen vóór ‘t ontvangen van ‘t Sacrament der biecht;
ook niet, het algemeen onderzoek over ons dagelijks leven in ‘t algemeen, fouten, nalatigheden, verzuimenissen enz. van alle plichten te zamen: dit onderzoek geschiedt vrij algemeen onder ‘t avondgebed.
Het bijzonder gewetensonderzoek handelt meer over een of ander speciaal punt en gaat er nauwkeuriger de diepere oorzaken van na.
Met de meeste vrucht zal dit bijzonder onderzoek plaats hebben op een ogenblik voor ‘t H. Sacrament, of bij een gemeenschappelijk bezoek.
De stof waarover ‘t handelt kan zijn:
Mijn hoofdgebrek nl. wat is de oorzaak van mijn meeste zonden of fouten: opvliegendheid, luiheid, lichtzinnigheid, zinnelijkheid, ongeregelde liefde, hoogmoed? Waar komt dit ‘t meeste uit...? (Les, studie, recreatie, refter, kapel, slaapkamer?) - Tegenover wie...? Dikwijls...? Wat deed ik ertegen...? Mij versterven...? (in mijn gedachten...voorstellingen...woorden...oogopslagen...handelingen...)
Voornemen: Ik zal in die en die omstandigheden speciaal op mijn gebrek letten; nu en dan ongemerkt in moeilijkheden op ‘t Kruisbeeld zien of inwendig een schietgebed verrichten en na toegeven aan mijn hoofdgebrek mij een kleine versterving opleggen.
Een en ander punt, dat men vervolmaken wil, bv. bijzondere toegenegenheid of vriendschap tot die of die... lauwheid in mijn gewone (ook kleine) gebeden, geest van kritiek, silentium, naastenliefde, offervaardigheid enz. Hoe is dat sinds gisteren gegaan; toegegeven? Vrijwillig of onbewust? In les, studie, enz. ? Dikwijls...? Ga ik vooruit daarin? Waarom (niet)? Ernstig, krachtdadig en speciaal voornemen bv. “Ik zal vandaag mijn kleine gebedjes voor en na de les, studie, enz. verrichten met gevouwen handen, neergeslagen ogen, alleen bezig met God.”

10. 2.2. Geestelijke leiding

Het tweede grote middel nl., de geestelijke leiding is voor u en van niet minder belang.
Volgens canon 1358 van het Kerkelijk Wetboek zij in elk Seminarie een directeur van ‘t geestelijk leven.
Onder diens wijze en voorzichtige leiding of die van de biechtvader, met behulp van diens raad kan men komen tot een betere kennis van zichzelf, zijn karakter, zijn moeilijkheden en van de middelen on zich zelf te vervolmaken.
Men zij jegens hem openhartig, opdat hij u volkomen juist in uw zwakke zijde, zou kennen.
Wees ook vol vertrouwen in zijn leiding en de middelen die hij aangeeft.
Eindelijk gehoorzaam bereidwaardig, in de zaken, die hij u voorhoudt, en met deze drie eigenschappen gaat ge zeker vooruit in ‘t geestelijk leven.
Wanneer ge zo in volle openhartigheid u onder zijn leiding stelt, zal hij u ook aangeven, waarover ge voor u zelf met nut uw bijzonder gewetensonderzoek doen kunt.
Doen zich geen bijzondere moeilijkheden voor, neem dan toch de gewoonte aan, geregeld met hem in alle openhartigheid te spreken, om gauwer tot de volmaaktheid te komen.
Doen zich bijzondere moeilijkheden voor, stel dan niet uit, doch ga zodra mogelijk tot hem, opdat ge des te spoediger daaruit bevrijd wordt.

11. Gewetensonderzoek (4de versie)

Bron: Handboek der congreganisten van Maria, Brepols Turnhout,
p. 280-289


11.1. Zonden die in de biecht zelf bedreven worden

Zich plichtig maken aan een grote onachtzaamheid in het onderzoeken van zijn geweten.
Een doodzonde, of enige omstandigheid, die de zonde van slag verandert, van dagelijkse zonde doodzonde maakt, of een dodelijk kwaad er bij voegt (die men weet noodzakelijk te moeten uitgedrukt worden), verzwijgen.
Met voorbedachtheid te stil spreken, om van de biechtvader niet wel gehoord te worden; duistere uitdrukkingen en om redenen gebruiken, om niet wel verstaan te worden.
Biechten zonder genoegzaam berouw..., zonder goed voornemen..., zonder voornemen van alle doodzonden te vluchten; - van het onrechtvaardig goed weder te geven; van de afbreuk, aan de eer en de faam van de evennaaste toegebracht, te herstellen; - van zich met zijn vijanden te verzoenen; - van zekere lezingen te verzaken; - van de naaste en vrijwillige gelegenheden van doodzonde te verlaten, enz.


11.2. Geboden Gods

11.2.1. Eerste gebod: Bovenal, bemin één God

- Vrijwillig twijfelen aan het geloof...; andere in zulke twijfels brengen.
- Zijn toestemming aan de een of andere artikel van het geloof weigeren...; hierover aan anderen spreken.
- Spreken tegen de godsdienst of zijn dienaren.
- De leerlingen en oefeningen van de godsdienst belachelijk maken.
- Met vermaak horen spreken tegen het geloof...; tegen de godsdienst..., of zijn dienaren. Degenen die zulke redenen voeren, aanmoedigen.
- Zonder toelating ongodsdienstige en goddeloze boeken bewaren.
Deze lezen; - aan andere personen lenen; - aan hoeveel?
- Met personen omgaan, met welke men zich in gevaar stelt het geloof te verliezen.
- Openbare belijdenis te doen van niet godvruchtig te zijn. - Anderen om hun godvruchtigheid vervolgen.
- Verzuimen zich in zijn godsdienst te onderrichten. - De gebeden niet weten, welke elke christen mensen moet weten, als: de geloofsbelijdenis, de geboden Gods en van de H. Kerk, de akten van geloof, hoop en liefde.
- Met meer vrijheid zondigen, omdat God zo goed is. - Van de goddelijke barmhartigheid wanhopen.
- Geloof geven aan bijgelovigheid. - Bijgelovigheid gebruiken.
- Heiligschennende biechten en communiën doen.
- Ten dele of ten gehele de straf of penitentie, door de biechtvader opgelegd, nalaten.
- Het heilig Sacrament van het Vormsel of een ander Sacrament der levenden, in staat van doodzonde ontvangen.

11.2.2. Tweede gebod: Zweer niet ijdel, vloek noch spot

- De naam Gods, de Heiligen of heilige zaken lasteren.
- Vermaak nemen in te horen lasteren.
- Anderen tot lasteren brengen. - Hen aanmoedigen, wanneer zij de lastertaal spreken.
- Inwendig in zijn hart God als onrechtvaardig, enz., aanschouwen, Hem lasteren.
- Tegen de waarheid of zonder noodzakelijkheid zweren.
- Met eed beloven, zonder de wil te hebben zijn belofte te volbrengen.
- Met eed bevestigen dat men kwaad zal doen? - welk kwaad?
- Niet nakomen hetgeen men onder eed beloofd heeft, wanneer daarenboven de zaak eerlijk en geoorloofd is.
- Beloften aan God doen, zonder deze te volbrengen.

11.2.3. Derde gebod: Heilig steeds de dag des Heren

- Op de zondagen en geboden feestdagen nalaten de H. Mis te horen.
- Door zijn schuld in dezelfde H. Mis veel te laat te komen.
- Daarin vrijwillig, gedurende een merkelijke tijd, verstrooid zijn.
- Andere in de H. Mis verstrooien.
- Op zondagen en geboden feestdagen doen arbeiden of zelf slaafse werken verrichten.

11.2.4. Vierde gebod: Vader, Moeder zult gij eren

- In gewichtige zaken aan zijn ouders of aan zijn oversten niet gehoorzaam zijn.
- Hen inwendig verachten.
- Hen haten. - Hen mishandelen.
- Hen belachelijk maken. - Kwaad van hen zeggen.- Hen in grote gramschap stellen.
- Inwendig tegen hen uitvallen.
- Hun de dood of enig ander groot kwaad toewensen.
- Door zijn slecht gedrag hen bedroeven.
- Hun raad..., hun vermaningen verachten.

11.2.5. Vijfde gebod : Dood niet, geef geen ergernis

- De wil hebben zich te wreken; - hoeveel tijd? - Anderen de dood of enig ander groot kwaad toewensen. - Haat dragen.
- Zich zelf de dood toewensen.
- Zijn gezondheid beschadigen, zich door eigenzinnigheid of door begeerlijkheid ziek maken.
- Aan zijn evennaaste naar ziel of naar lichaam zoeken kwaad te doen; - welk kwaad? - Hem inderdaad kwaad doen.
- De evennaaste in zijn faam beschadigen. (Zie het achtste gebod).
- Anderen het kwaad aanleren; welk kwaad? - hen daartoe aanlokken.
- Aan de zonden van zijn naaste toejuichen, aan zijn ongeregeldheden, aan zijn ongodvruchtigheid.
- De geest van godvruchtigheid door slechte voorbeelden en spotternijen in hem trachten uit te doven.
- Enig groot kwaad niet beletten, wanneer zulks kan door zichzelf, of door een ander. - Tussen personen of huisgezinnen de tweedracht zaaien en voeden, en vijandschap koesteren.

11.2.6. Zesde en negende gebod: Doe nooit wat onkuisheid is en wees steeds kuis in uw gemoed.

- Vrijwillige gedachten hebben tegen de zuiverheid.
- Begerig onkuise werken te gegaan; - met welk slag van personen?
- Onkuise beelden of schilderijen aanschouwen; - deze in zijn huis hebben.
- Op zichzelf of op anderen een onkuise oogopslag werpen.
- Boeken of schriften bezitten, welke met de goede zeden strijdig zijn.
- Deze lezen; - aan anderen lenen; - aan hoeveel personen?
- Slechte spreuken uit een schrijver aan andere tonen.
- Redevoeringen, tegenstrijdig aan de zuiverheid, houden. - Zich roemen over zonden, tegenstrijdig aan deze deugd, en welke men niet bedreven heeft.
- Slechte liederen zingen; - zulke aan anderen leren.
- Vermaak nemen in zulke gezangen of redevoeringen te horen. - De plichtigen aanmoedigen, in plaats van hen te doen zwijgen, wanneer men dit kan doen.
- Anderen het kwaad uitleggen; - welk kwaad?
- Hen aanlokken om het te bedrijven.
- Dit zelf bedrijven, alleen of met anderen. - Daartoe gelegenheid zoeken.
- Met slecht gezelschap verkeren; - in dansfeesten, bals, burgerlijke of andere comediën tegenwoordig zijn: zich daar voedende in allerlei slechte gedachten en begeerten, zich daar onkuise oogopslagen en onzuiver woorden veroorlovende.
- Met anderen verkeren of gemeenzaamheid onderhouden, die bekwaam is de zuiverheid te kwetsen.
- Vermaak nemen in onzuivere spelen.

11.2.7. Zevende en tiende gebod: Vlucht het stelen en ‘t bedriegen en begeer nooit iemands goed

- Een anders goed nemen; hoeveel?... in hoeveel keren? Weigeren hetzelfde weder te geven.
- Begeren dit te doen. - Daartoe de wil hebben. - Daartoe de gelegenheid zoeken.
- De evennaaste in zijn goederen schade toebrengen; welke schade?
- Zijn tijd, die men moet besteden, met de werken voor anderen, in ledigheid overbrengen.
- Beschadigen hetgeen ons niet toebehoort; hetzelfde verkopen.
- Onrechtvaardigheden begaan in het kopen en verkopen. - De koopwaren vervalsen. - Andere onrechtvaardigheden helpen begaan.
- Zijn ouders bestelen, hen bedriegen om geld te hebben; hetzelfde in de drank of in het spel verkwisten.
Te lang zijn schulden uitstellen te betalen.
- De plicht van vergoeding of restitutie verzuimen.

11.2.8. Achtste gebod: Ook de achterklap en ‘t liegen

- Liegen in zaken van groot belang
- Voor geestelijke of wereldlijke overheden valse getuigenis afleggen.
- Achterklap spreken; - het kwaad zeggen, dat men van zijn evennaaste weet; welk kwaad? ... Ach hoeveel personen?
- De evennaaste valselijk beschuldigen; dat is: van hem kwaad zeggen, dat hij niet heeft gedaan, welk kwaad?... in tegenwoordigheid van hoeveel personen?
- Met genoegen de achterklappers aanhoren. Hen ondervragen. - Hen toejuichen.
- Vrijwillig en zonder genoegzame reden kwaad van zijn evennaaste vermoeden.
- Anderen zijn kwaad vermoeden en vermetel oordeel mededelen; - aan hoeveel personen?
- Het herstellen van het kwaad, welk men aan de faam van zijn naaste gedaan heeft, verzuimen.
- Brieven, voor anderen beschikt, overlezen.
- Een anders biecht overlezen of naar deze luisteren. Aan anderen vertellen hetgeen men ervan gelezen of gehoord heeft.

11.3. De zeven hoofdzonden

11.3.1. Hovaardigheid

-
In zijn goede werken de lof en de eer van de mensen betrachten.
- De deugdzaamheid niet durven laten blijken, uit vreze van veracht te worden.
- Het kwaad doen of zich over zijn zonden roemen, om de achting der mensen te bekomen.
- Anderen grotelijks verachten.

11.3.2. Gierigheid

- De wereldse rijkdommen met drift beminnen. Om de wereldse rijkdommen zijn zaligheid verzuimen.
- Naar zijn vermogen geen aalmoezen geven. (verder zie zevende gebod)

11.3.3. Onkuisheid

- Zie het zesde gebod

11.3.4. Nijd

- Zich bedroeven omdat anderen welvaren, tot geluk of tot eer komen. Zich over hun ongeluk verblijden.

11.3.5. Gulzigheid

- In het eten en drinken onmatig zijn.
- Zich dronken drinken.
- Anderen tot onmatig eten en drinken verleiden.

11.3.6. Gramschap

- Zich vergrammen.
- Scheldwoorden spreken.

11.3.7. Traagheid

- Verzuimen zich in zijn godsdienst te onderwijzen.
- Zich in de plichten van zijn staat niet onderwijzen.
- Zich verzuimen.
- In de bekoringen niet bidden gelijk het behoort.
- Het gebed, de oefeningen van godvruchtigheid, de HH. Sacramenten en andere middelen van zaligheid, welke zo hoog nodig zijn, bijzonder als men slechte gewoonten heeft, uit nalatigheid verwaarlozen.


12. Onderricht door Jezus over de 10 geboden (uittreksel uit “Het ware leven in God” medegedeeld aan Vassula Ryden.

12.1. Ik ben de Heer, uw God
Gij zult geen afgoden vereren,
maar mij alleen aanbidden
en boven alles beminnen

Vandaag zeg Ik je, met tranen in Mijn Ogen, het volgende: er zijn veel mensen die zich tegenover Mij en Mijn Kruis gedragen als vijanden. Van al degenen die Mijn Evangelie prediken, werken er maar weinigen mèt Mij en voor Mijn Koninkrijk. Mijn hele Wet is in een enkel gebod samengevat:

LIEFDE

Als ze Mijn Wet werkelijk hadden onderhouden en hun gedrag dagelijks hadden onderzocht, zouden ze hebben ontdekt dat ze niet leven overeenkomstig Mijn Geboden. En als ze tegen Mij zeggen: “Hoezo volgen wij Uw Geboden niet? Hoe moeten we dan Uw Geboden onderhouden? Kunnen wij Uw Geboden onderwijzen als U zegt dat wij ze niet opvolgen?” Toch onderhouden jullie Mijn Geboden niet, want de liefde ontbreekt in jullie. De Kroon van Mijn geboden is de Liefde. Te beminnen betekent te leven overeenkomstig Mijn Geboden. Weest niet als Kaïn, die geen liefde voor Mij bezat en louter uit een geestelijke jaloezie zijn broer de keel doorsneed.
Ik dorst naar zielen. Ik dorst naar jullie heiligheid. Ik dorst naar jullie verzoening. Ik ben dorstig. Mijn dierbare kinderen, naar alles wat Ik en Mijn weerspiegeling ben. Ik dorst ernaar jullie je gelijkenis met God terug te geven; Ik dorst naar beantwoording van Mijn liefde; Ik dorst ernaar jullie oorspronkelijke bron en het verbond in Mijn Heilige Naam te hernieuwen - jullie oorspronkelijke bron, die voortkomt uit Mijn Verheven Liefde; ik dorst naar aanbidding, maar ziet eens wat er van jullie is geworden en wat jullie hebben gedaan! O tijdperk! Jullie zijn opgehouden Mij te aanbidden en in plaats daarvan hebben jullie je afgoden vermenigvuldigd. Jullie gehoorzamen niet aan Mijn Geboden, nee, jullie onderhouden Mijn Wet niet; tijdperk van verwording, wat is er van jullie geworden! Jullie roepen Mij maar zelden aan om Mij te aanbidden; jullie roepen Mij niet aan uit liefde en jullie eren Mij niet meer door Mij jullie diensten aan te bieden.

Ik heb jullie geroepen, alle dagen van je leven, om jullie eraan te herinneren wie jullie Hemelse Vader is en tot wie jullie je moeten wenden, maar jullie hart is niet op Mij gericht en jullie geest is niet gewillig, want jullie hebben er de voorkeur aan gegeven de navelstreng, die ons verenigt en één maakt, door te snijden, om jullie eigen wet te maken en jezelf “goddeloos” te noemen. Gegrepen door Ijdelheid willen jullie jezelf beschouwen als aan Mij gelijk. Nu zeggen jullie: “Ik ben gelijk aan God en zit op Zijn Troon, want mijn geleerdheid heeft grote luxe en grote autoriteit in de wereld vergaard”.
Jullie zakelijke bekwaamheid is zodanig, dat een groot aantal landen jullie voorbeeld volgt. Ja, jullie hebben inderdaad het advies van het oorspronkelijk serpent opgevolgd, dat zo sluw jullie voorouders heeft doen eten van de verboden vrucht, hun verzekerend dat ze gelijk aan God zouden worden (Gen. 3,5). Jullie dachten dat jullie ogen zouden opengaan, maar in werkelijkheid werden jullie blind, en tot vandaag worstelen jullie om deze Band af te snijden die jullie Leven en Heiligheid geeft, in de veronderstelling dat jullie je vrijheid zult vinden. Maar wat jullie vinden is de Dood.

O tijdperk van erbarmelijkheid! Jullie dienen de Dwaasheid in plaats van de Wijsheid. Jullie dienen de Draak in plaats van de Heilige. Jullie gehoorzamen niet aan Mijn Geboden, nee, jullie onderhouden Mijn Wet niet die Ik in jullie heb neergelegd. Jullie stellen Mij onophoudelijk op de proef. Jullie tijdperk, Mijn Kind, is schuldig aan zware godslasteringen, want het onderhoudt Mijn Wet niet. Ze zijn onbekommerd ten opzicht van Mijn Geboden, waarin ze het Leven kunnen vinden als ze die onderhouden.

Natie na natie is afgeweken van alle tien van Mijn Geboden en hebben aan de rebellie nog de godslastering toegevoegd. Met het rijk van de draak heeft het zwarte beest (Apok. 13; het zwarte beest vertegenwoordigt de vrijmetselaars; het tweede beest representeert de kerkelijke vrijmetselarij), samen met het tweede beest ofwel de valse profeet, godslasterlijke posten voor zichzelf opgericht op elke hoge heuvel en onder elke brede boom, om de wereld te veroveren en het kleine licht, dat daarin is overgebleven, uit te blazen. Op elk van zijn zeven koppen heeft het beest afgodsbeelden gemaakt, die zijn eigen goden voorstellen - deze afgodsbeelden zijn de macht van de draak op hoge posities geplaatst.

Daarna werden priesters uit hun gelederen voor die hoge posten aangewezen, die nu in het hart van Mijn Heiligdom de Mis opdragen. Zij aanbidden Mij niet, ze doen alsof. Ze treden verkleed als Hogepriesters op (lees de Boodschap op 30-1-1988), en vereren en dienen het beest zelf en zijn voortbrengselen, wat aangepast is aan de wereld. Ze aanbidden vreemde en levenloze goden, net als hun voorvaderen ooit in het verleden hebben gedaan.

Ze spotten met vroomheid en veracht Mijn Geboden. Mijn kind, ze trekken eropuit om alle naties te leren het beeld van de sterfelijke mens te aanbidden (een valse Christus. De New Age gaat eropuit op een nieuwe godsdienst te prediken. Satan, de aap van God.), een waardeloze imitatie in plaats van Mijn Eeuwige Heerlijkheid. Ach! wat drukken zij zwaar op Mij! (God gaf me hun naam). Met de macht (zwarte missen) die hun door de draak gegeven is, drijven ze hun onverzoenlijke haat en hun geest van wraak op de spits, door oorlog te voeren tegen de heiligen en allen die niet tot hun clan behoren en die weigeren het beeld (de valse Christus) van het beest te aanbidden.

Dus zeg Ik jullie, gezegend zij die in Mij geloven en Mij aanbidden; gezegend zij die Mij navolgen; gezegend zij die geloven dat Mijn belofte bezig is in vervulling te gaan, want op hen zal Mijn Zucht van Liefde op het voorhoofd getekend staan. Ik zeg jullie in waarheid, als iemand Mij dient, moet hij Mij volgen (Christus volgen betekent ook gekruisigd te worden). O tijdperk, wees niet bevreesd je tot Mij te bekeren; keert terug zolang er nog tijd is, want Mijn Dag is nabij, en hoe zal je hem doorstaan?

Er is gezegd, gij zult naast Mij geen andere goden hebben. Volgt geen andere goden, goden van mensen rondom jullie. Maar de mensen hebben het eerste Gebod van Mijn Vader overtreden door zich openlijk vrij te verklaren, door middel van de aanmoedigingen van de zwarte beesten, op wier hoofd het bloed van velen zal kleven.

12.2. Tweede gebod: Gij zult mijn naam niet ijdel gebruiken

“Gij zult Mijn Naam niet ijdel gebruiken”
is het volgende gebod. Nu vallen vele arrogante naties Mijn Heilige Naam aan, mensen voor wie Ik niets beteken, met een mond vol godslasterlijke taal en bereid anderen te vleien als ze daarin een of ander voordeel zien - ze vervloeken Mijn Heilige Naam in het vuur van de argumentaties. Zij lasteren Mijn Godheid en Mijn Heiligheid, en zij die vandaag dienst doen in Mijn Kerk (maar rond de macht van het beest draaien, zich beroemend op hun kennis van Mijn Wet) zijn dezelfden die Mijn Naam ijdel gebruiken. Zij zijn degenen die het Rijk der Hemelen voor de neus van de mensen sluiten, er zelf niet binnengaan en hen die dat wel willen niet binnenlaten. Ze houden preken tegen het stelen, maar zelf stelen ze de zielen van Mij. Zij “verbieden” echtbreuk, maar plegen zelf echtbreuk daar ze het zwarte beest volgen en het trouw zijn. Ze doen alsof ze de afgoden verachten, maar beroven Mijn Heiligdom.
Als dus deze generatie Mijn Heilige Naam schendt en Hem ijdel gebruikt, komt dat door de te grote toegeeflijkheid, verzadigd in ondeugd, die hun juist wordt toegestaan door hen die in zwarte gewaden gekleed gaan (sekte van de vrijmetselarij). Het is hun bedoeling om de wortels van de heiligheid te vernietigen, en ze drijven de wetteloosheid op de spits. Generatie, zal Ik bij Mijn Wederkomst moeten zeggen:” Is er geen enkel goed mens overgebleven, is er niemand die begrijpt, niemand die naar Mij uitkijkt?”

12.3. Derde gebod: Gij zult de dag des Heren heiligen

Ik heb jullie gevraagd eraan te denken de Sabbat te heiligen, maar jullie hebben het tegendeel gedaan, hem ontheiligd door onreinheid en bevlekt met smerige genoegens en praktijken waarmee jullie je eigen lichaam onteren, en ook de geest, daar jullie de Goddelijke Waarheid hebt verruild voor de leugen en schepsels aanbidden in dienen in plaats van Mij te dienen.
Jullie zijn zover gegaan dat Sodom en Gomorra haast onberispelijk en zuiver lijken in vergelijking met jullie onzuiverheden. Waarlijk Ik zeg jullie, op die Dag zal het jullie erger vergaan dan Sodom en Gomorra in hun tijd. De meesten van jullie onderhouden de Sabbat niet meer, nee, jullie onderhouden Mijn Wet niet.

12.4. Vierde gebod: Eert uw vader en uw moeder

De Schrift zegt: “Gij zult uw vader van harte eren. Vergeet nooit de geboorteweeën van je moeder. Denk eraan dat je aan hen je geboorte dankt. Hoe kun je hun vergoeden wat zij voor jou hebben gedaan?” (Ecc. 7,27-30). Volg dus dit Gebod: “Eer je vader en je moeder”.

Waarom zijn zovelen van jullie verbaasd dat zo weinigen dit Gebod onderhouden? Dwaze en goddeloze ideeën hebben de kinderen op een dwaalspoor gebracht, zodat ze lege produkten vereren, door hen geest vanaf hun vroege jeugd te vullen met een geest van traagheid. Veel ouders hebben hun kinderen niet die overstromende Bron van Mijn Geest gegeven. De Wijsheid heeft hen dag en nacht geroepen, maar deze generatie heeft haar buitengesloten. En elke dag die voorbijging dwaalden jullie kinderen verder af van de Weg die naar Mij leidt.

Als iemand, jong of oud, Mij erkent als zijn God, denkt hij ook na over diens Beeld, en uit liefde zal hij zijn ouders gehoorzamen en eren, en wel zó alsof hij Mij gehoorzaamde en eerde. Maar alles wat zich aanpast aan de wereld heeft deze kinderen ervan weerhouden tot Mij te komen - de liefde ontbreekt.

Veel ouders klagen over de ongehoorzaamheid van hun kinderen, terwijl ze precies hetzelfde doen tegenover Mij. Waarom? Kunnen zij werkelijk beweren voldoende goedheid, geduld en verdraagzaamheid te bezitten? Als ze werkelijk deze deugden zouden bezitten, dan zouden ook hun kinderen de deugd van gehoorzaamheid hebben en beiden eren. Maar ik zeg jullie, de geest van deze generatie is leeg, en zo kwam de duisternis en vervulde hen. Want het denkbeeld een filosoof te worden is in hun ogen belangrijker dan Mijn Eeuwige Heerlijkheid. Dan wordt hun gemis aan heiligheid verteerd door hartstochten en vanaf hun vroege jeugd gaan er eropuit en onteren hun eigen lichamen.

Jullie generatie heeft de spot gedreven met Mijn Geboden en ze vervangen door godslasterlijke imitaties, en tot vandaag komen er uit de muil van het beest slechts voortbrengselen die de geest van jullie kinderen verduisteren en ze als slachtoffers rechtstreeks in de muil van de leeuw slepen. Hun jonge geest wordt gedwongen het beest te aanbidden en menselijke goden te dienen en aan hen de eer en het respect te geven die Mij toekomen en aldus deze deugd terug doet kaatsen op hun ouders.

Waarlijk Ik zeg jullie: voor de onbuigzamen, die geweigerd hebben Mijn Geboden tot leidraad te nemen en in plaats daarvan verdorvenheid aannamen, zal er op het einde vuur zijn. O, gelukkig de nederigen van hart, zij zullen de volmaaktheid bereiken. Daarop zeg Ik jullie: weest niet weerbarstig tegen de Vrees voor de Heer.

12.5. Vijfde gebod: Gij zult niet doden

Jullie weten, dat Ik jullie verboden heb te doden, mensengeslacht!
Als jullie zeggen tot Mij te behoren en een deel van Mijn Kerk te zijn, en preekt tegen het doden, hoe kunnen jullie dan doden?
Hoe wagen jullie het jezelf in je recht te wanen en tegenover Mij jullie onschuld vol te houden op de Dag van het Oordeel, als jullie misdaden aan ongeboren kinderen zich opstapelen? Vanuit de Hemel zie Ik angstaanjagende beelden. Ach! Hoezeer lijd Ik als Ik zie hoe de schoot, die dit kindje ontwikkelt, het weigert en de dood instuurt zonder naam en zonder spijt, de schoot die het vormde wil het zich niet meer herinneren. Tot dezen zeg Ik: “Je kunt je zwaard scherpen, maar het wapen dat je voorbereid hebt zal je doden. Nu ben je niet zwanger van een kind, maar van ondeugd. Je gaat Wrok ontvangen en Ongeluk baren. Je hebt een kuil gegraven, hen uitgediept, alleen om in je eigen valstrik te vallen! Je boosaardigheid zal op je hoofd terugkaatsen, je gewelddaad zal terugvallen op je hoofd” (Ps. 7,12-16).

En jij (dit roept Jezus tot de valse profeet met het masker van een lam), die de naam hebt trouw te zijn aan Mij, en aan Mijn Naam vasthoudt, Ik weet alles over je, ja, je hebt de naam je leven en welvarend te zijn, maar toch is dat niet zo. Je bent dood en in staat van ontbinding. Heb berouw! Ik had je talloze zielen toevertrouwd, maar de duivel heeft met jou handel gedreven om ze tegen goud en zilver in te ruilen. Ja, inderdaad! Ik weet hoe je nu leeft, je leeft als de jakhalzen (de eens getrouwen verkochten zichzelf aan Satan en volgen het beest) in verborgen holen (de Loges van de Vrijmetselarij), die holen waarover Ik een open weg zal laten lopen (d.w.z. God zal deze Loges ten val brengen). Ik zal plotseling over je komen en je naaktheid ontmaskeren. En als de Dag komt, zal Ik je niet toestaan te eten van de Boom van het Leven.

Luistert zorgvuldig: jullie preken tegen de doden, maar toch doden jullie Mijn Geest. Jullie scheppen op over de Wet en gehoorzaamt haar vervolgens niet, omdat jullie het mysterie van Mijn verborgen Manna niet begrepen hebben. Nee, jullie hebben Mijn wonderbaarlijke voedseluitreiking niet begrepen, noch het mysterie van Mijn Gedaanteverandering. Ik heb jullie beloofd in leven te houden op het Einde der Tijden met Mijn Hemels Manna. Ik zei tegen de kerk in Pérgamum (Apok. 2,3-17): “Hen die zegevierend blijken te zijn zal Ik van het verborgen manna geven en een witte steen, een steen met daarop geschreven een Nieuwe Naam, alleen bekend aan degene die hem ontvangt”. Ik geef jullie vandaag dit manna, bewaard voor jullie tijden, een Hemels voedsel, een spijs van Mijn Geest voor jullie uitgehongerde geest. Ik stort Mijn Geest uit in Zijn Volheid om jullie innerlijke woestijn te vullen, en Ik bied jullie Mijn Hemels Manna aan, vrij en voor niets, want dit is het voedsel van de armen... Maar jullie hebben het niet begrepen, daarom weigeren jullie het te eten en verbieden anderen het wel te eten.

Ik heb Mijn Nieuwe Naam al op de “witte steen” geschreven die allen aan de armen bekend zal zijn! Jullie doen alsof jullie nederig en arm zijn, maar jullie zijn noch nederig noch arm. Jullie geest heeft zich gevestigd in de rijkdommen van Satan.

12.6.Zesde gebod: Gij zult geen echtbreuk plegen

Ik ben de Heerser over de koningen van de aarde en Ik heb jullie gevraagd geen enkele onreine daad of echtbreuk te plegen. Echtbreuk is door Satan zo gebagatelliseerd, dat het zijn betekenis verloor voor zowel de kerkelijke als de lekenstanden. Mijn lankmoedigheid met jullie zonde is nu tot een eind gekomen.

Voor hen (Jezus doelt weer op hen die het beest aanbidden) die de godslasterlijke machten van Satan gezocht hebben en ze als banieren opgericht hebben om Mijn Godheid, Mijn Heiligheid en Mijn Offer uit te wissen, zeg ik: het is jullie fout dat Mijn Naam onder de goddelozen gelasterd wordt. Jullie hebben Mijn Heiligdom bezoedeld door geperverteerde mannen met vernederende hartstochten aan te stellen. En omdat allen eender bezoedeld zijn, vrezen zij Mij niet.

Als dus de goddelozen vandaag echtbreuk plegen, en dat natuurlijk vinden, komt dat vanwege de grote toegeeflijkheid in Mijn Kerk, ingevoerd door influisteringen van het beest wiens doel het is de Waarheid te vervalsen.

Hoe komt het dat jullie zo gemakkelijk vergeten dat jullie lichamen ledematen zijn van Mijn Lichaam? Ik zou jullie graag vrij zien van elke verdorvenheid, daar jullie lichaam de tempel is van Mijn Heilige Geest. Ik, jullie God, zou jullie graag heilig zien leven, daar Ik Heilig ben. Schepping! Door het erkennen van Mij als jullie God, zullen jullie in staat zijn Mijn Wet te erkennen en haar dus te onderhouden. Maar velen van jullie hebben gefaald, en nu liggen jullie lijken rond in deze woestijn. Ik heb jullie niet geboden te zondigen. Waarom gebruiken jullie dan je vrijheid op een manier die een valkuil voor jullie ziel blijkt te zijn? Bidt tot Mij dat Ik jullie vergeven zal, anders zouden jullie de verliezers zijn.

Het huwelijk moet geëerd en heilig gehouden worden. Ik ben de Heer, en Ik heb jullie geroepen tot een leven van overgave, van vrede, liefde en heiligheid. Ik heb jullie voor altijd tot Mij en Mijn Liefde te verloven. En niet eerder dan dat jullie begrijpen dat jullie van Mij zijn en met Mij verloofd, zullen jullie ophouden te zondigen en echtbreuk tegenover Mij te plegen. Ik zal, omwille van Mijn Heilige Naam, niet ophouden om alle middelen aan te grijpen om jullie tot bezinning te brengen, ook al zou Ik jullie de wildernis in moeten trekken om jullie daar Mijn Heilig Hart en Mijn Onpeilbare Rijkdom te laten zien, en om jullie de armzaligheid en ellende van jullie ziel te doen begrijpen. Dan zal Ik, zoals een Schriftrol ontrold wordt, jullie Mijn Kennis onthullen, opdat jullie aan de zonde verzaken. Ik heb de macht om jullie te genezen, komt dus en hebt berouw.

12.7. Zevende gebod: Gij zult niet stelen

Mijn Heilige Geest vraagt jullie niet te stelen.
Als jullie jezelf van Mij noemt, en als jullie Mijn Wet kennen en beweren in de Waarheid te zijn, waarom leren jullie jezelf dan niet, jullie die jezelf en anderen tot priester hebt aangesteld, niet te stelen? Maar je hebt jezelf toegestaan te worden gekocht en op subtiele wijze het beest te volgen (de valse profeet: volgeling van het beest), dat je geleerd heeft banieren van wetteloosheid op te richten.

Je bent van de wereld, en Ik heb alle reden om je te veroordelen. Je tong beroemt zich er op dat je grote, goede en rechtschapen dingen doet, om met je lamsmasker zelfs de uitverkorenen te misleiden. Maar Ik zeg je: Mij misleid je niet, want Ik weet wat er achter je lamsmasker steekt. Je verbergt een afschuwelijke catastrofe voor de mensheid, zoals de wereld nog niet eerder gezien heeft. Je doel is het afschaffen van Mijn Offer (Dan. 12,11) en het te vervangen door ongerechtigheid en een Leugen.

Je beweert een Profeet te zijn om Mijn eigen Profeten te verstoten.
Ben je niet bang dat je naam geschrapt zal worden uit het Boek van het Leven, daar alles wat je doet er in bestaat Mij miljoenen zielen te ontstelen en hen hun dood tegemoet te sturen? Je wonderen maken vandaag indruk op velen, en nog veel meer op de dag waarop je je zult ontdoen van Mijn Profeten door hen met het zwaard te overweldigen (Apok. 11,7). Nu heb je jezelf tot de tanden bewapend om oorlog tegen hen te voeren, omdat hun getuigenis je oren stoort, en nog meer hun gehoorzaamheid aan Mijn Geboden.

Ze zijn noch jou noch het beest gevolgd. Zij zijn degenen die trouw gebleven zijn aan Mij en nooit een leugen hun lippen hebben laten passeren (Apok. 14,5), zij zijn Mijn Abels. In de ogen van de wereld zal het lijken of je hen hebt overwonnen, maar je vreugde zal maar van zeer korte duur zijn, want als een bliksemstraal zal Ik Mijn Gerechtigheid op jou doen neerkomen. Ik zal neerdalen om weer leven in hen te ademen. (Apok. 11,11) en hen doen opstaan voor jullie ogen, als zuilen van licht in Mijn Heiligdom. En dan zal de Hemel opengaan en zullen jullie Mij zien.

En als jullie Mij dan vragen: Waarom zijn Uw rijke gewaden vol rode vlekken? Waarom zijn Uw gewaden rood alsof U de wijnpers hebt getreden? (Jes; 63,2). Dan zal Ik jullie antwoorden: Ik heb de wijnpers alleen getreden. Van de mannen van Mijn volk was er niet een bij Mij. In mijn Toorn heb Ik Mijn vijanden vertrapt, want ze hielden niet op Mij te tarten. Ik ben gekomen om alle menselijke leerstellingen en voorschriften van de aardbodem te verdelgen, omdat ze vergiftigd voedsel waren voor jullie allen, en die jullie met geweld zijn opgedrongen om Mijn Godheid en Mijn heiligheid uit te wissen. Dat zal de eerste slag van de eindtijd zijn! Ik ben de Majesteitelijke Ruiter (Apok. 19,11-12), Ik Ben het Woord.

12.8. Achtste gebod: Gij zult geen valse getuigenis tegen uw
naaste afleggen

Als deze aarde treurt, wegkwijnt, als haar bomen geen vruchten dragen en hun bladeren verwelken, komt dat omdat jullie niet gehoorzamen aan Mijn Wet! Heb Ik niet gezegd: Gij zult geen vals getuigenis afleggen? En toch wordt er in het hart van Mijn Heiligdom, waar de lamspunt ligt (de valse profeet), waar tussen Mijn Abels ook de Kaïns zijn, ook dit gebod overtreden.

De door Kaïn benoemde priesters worden nu uitgezonden naar de vier hoeken van de aarde, niet om van Mij als de Verrezene te getuigen, noch van Mijn Offer, maar om Mijn Woord te veroordelen door het naäpen van de Schriften (de New Age sekte aapt de Schrift na), en door aan alle naties een Valse Christus te verkondigen, onder een valse oecumene. Zo wordt de wereld een portie Rationalisme en Naturalisme gegeven, een verontreinigd voedsel, een leugen.

Ik zeg jullie, zij zullen niet zegevierend blijken te zijn noch voor altijd heersen. De Gerechtigheid zal overwinnen! Ik zal niet toelaten dat jullie voor altijd slagen, daar Ik alles over jullie weet. Ik weet hoe jullie door de macht van de draak je eigen priesters benoemt en hen op hoge zetels plaatst, om Mijn eigen priesters te onderdrukken en te overweldigen.

Ik zeg jullie: de tijd is bijna voorbij. Ik zal jullie van je hoge zetels neerhalen om aan de voeten van Mijn eigen priesters, Mijn heiligen en Mijn engelen te vallen en jullie te doen toegeven dat jullie de slaaf van het beest bent... Weldra, zeer spoedig, zal Ik tot jullie komen, als een dief, onverwacht, om de Leugen, de Valse Christus ten val te brengen, en De Waarheid haar plaats terug te geven.

Ik zal spoedig komen om dat valse beeld, dat jullie van Mij maken en dat jullie elke natie dwingen te eren, te verpletteren (Apok. 13,15; de wortel van de New Age is de Vrijmetselarij). Nee, zegevierend zullen jullie niet zijn! Mijn dochters en zonen, jullie die doelloos ronddwalen in deze woestijn, keert terug tot Mij en hebt berouw! Zondigt niet meer. Ik weet dat jullie dikwijls, uit gebrek aan liefde, vals getuigt, maar jullie stonden niet onder de bescherming van jullie herder om Mijn Geboden te leren, vanwege jullie vijandigheid tegenover Mij. En toch, ondanks jullie arrogantie en jullie vijandigheid tegenover Mij, roep Ik jullie toe: Ik bemin jullie! En Mijn vergeving is jullie al gegeven.

Komt terug tot Mij zoals jullie zijn, en Ik zal jullie bekleden met Mijn Goedheid. Ik zal jullie je goddelijkheid teruggeven omwille van Mijn Heilige Naam. Willen jullie getuigen? Getuigt van Mijn grote Liefde en Barmhartigheid. Willen jullie getuigenis afleggen? Legt getuigenis af in Mijn Naam, Jezus Christus, de Beminde Zoon van God en Verlosser.

Bemint elkaar zoals Ik jullie bemin. Verheugt jullie, aan wie Mijn verborgen manna al gegeven is en die het zegel van Mijn Liefde op het voorhoofd hebt ontvangen.

12.9. Negende gebod: Gij zult de vrouw van uw naaste niet begeren

12.10. Tiende gebod: Gij zult niet begeren wat uw naaste
toebehoort


Vanuit de Hemel heb Ik jullie geboden de bezittingen van jullie naaste noch zijn vrouw te begeren. Door zowel leken als priesters is ook dit gebod overtreden. Ik heb Mijn Liefde geopenbaard aan elk schepsel op aarde, door Mijn Offer. En door datzelfde Offer heb Ik jullie het eeuwige Leven en Mijn Boodschap van Liefde gegeven.

Velen van jullie prediken telkens weer liefde, vergeving, nederigheid, verdraagzaamheid en heiligheid. En toch zijn er tot op de dag van vandaag velen van jullie bereid te doden, omdat ze niet krijgen wat ze willen. Jullie blijven giftige pijlen afvuren op elkaar, omdat jullie niet hebben wat Ik aan je naaste gegeven heb. Sinds de tijd van Mijn Abel tot vandaag is deze zonde voortdurend herhaald.

De eerste die het bezit van zijn broeder begeerde was Kaïn, maar hoeveel meer Kaïns zijn er vandaag, en hoeveel meer Ezaus? Alleen uit gemakzucht en niets anders verkwanselde hij zijn eerstgeboorterecht en verviel tot geloofsafval.

Waarom niet het voorbeeld van Abel volgen en heilig zijn? Beminnen betekent heilig te leven, overeenkomstig Mijn Geboden. Als jullie, die Mij dag en nacht prijzen, toch het bezit van jullie naaste begeren, vraag Ik jullie om berouw te hebben! Als je Mij vraagt: “Maar hoe zou ik het eigendom van mijn naaste begeren, ik, die mijn bezittingen, mijn leven en alles aan U toegewijd hebt? Hoe kan ik zijn bezittingen begeren?” Ik zal je antwoorden: Je geest begeert de geest van je naaste, precies de gaven die Ik aan zijn geest gegeven heb. De duivel heeft een valstrik gezet voor je ziel, van niet!
Waardoor beginnen de oorlogen en de strijd tussen jullie het eerst in Mijn Huis, als ze niet hoofdzakelijk uit geestelijke afgunst zijn? Kaïn wilde iets en hij kreeg het niet, dus doodde hij Abel. Ezau wilde iets en hij kreeg het niet, dus doodde hij Abel. Ezau wilde iets en gaf zijn eerstgeboorterecht op om het te krijgen. Jullie hebben een ambitie die je niet kunt bevredigen, dus negeer je ofwel het geluk van je naaste om hem ontevreden te maken of je gaat eropuit en bent bereid te doden.

Waarlijk Ik zeg jullie, als je in je hart de bitterheid van de jaloezie hebt, of een zelfzuchtige ambitie, maak dan geen enkele aanspraak voor jezelf en bedek de Waarheid niet door leugens, want waar je jaloezie en ambitie aantreft, vind je onenigheid, schijnheiligheid en lauwheid. Gaat niet door te zondigen, hebt berouw en laat je niet beïnvloeden door hen die door de valse profeet zijn benoemd en Satans huisgenoten zijn. Luistert niet naar hen.

Ik zal spoedig met Mijn Troon onder jullie neerdalen. Komt dus en hebt berouw zolang er nog tijd is. Komt, jullie die wankelen en aarzelen tussen goed en kwaad en op slinkse wijze het huis van de naaste binnendringt om invloed te krijgen bij dwaze vrouwen, die bezeten zijn door hun zonden en de ene manie na de andere nalopen in een poging zichzelf te ontwikkelen maar nooit tot de erkenning van de Waarheid kunnen komen (2 Tim. 3,6-8). Beseft hoe beklagenswaardig jullie er uitzien en begrijpt Mijn verwijten niet verkeerd, beseft hoezeer Ik jullie bemin.

Werkt tot Mijn Glorie en kijkt naar links noch naar rechts, want als je naar links kijkt zal je roofzuchtige wolven zien die zich op je storten om je aan stukken te scheuren, en als je naar rechts kijkt zal je een kuil zien die gegraven is om je erin te doen vallen. Wees gelukkig, generatie, met wat Ik je gegeven heb, en deel zoals Ik met jullie deel. Mijn vuur is ophanden, en oh, zo velen van jullie zullen onvoorbereid zijn, omdat jullie tijdperk niet gelooft, Mij niet aanbidt, niet op Mij hoopt en Mij niet bemint.

Jullie generatie heeft de Waarheid en Mijn Geboden vervangen door godslasteringen. De liefde ontbreekt onder jullie. Jullie leven niet een leven van liefde, en evenmin hebben jullie begrepen wat “De vrees voor de Heer is het begin van Wijsheid” betekent. Als jullie Mij vrezen, zijn jullie gezegend; als jullie Mij vrezen, kunnen jullie de volmaaktheid bereiken; als jullie Mij vrezen, zal Ik jullie dronken maken door Mijn zoete Wijn en jullie vullen met Mijn voortbrengsel; als jullie Mij vrezen, zullen jullie in Vrede leven; als jullie Mij vrezen, zal de Wijsheid helemaal tot aan jullie drempel komen; als jullie Mij vrezen, zullen jullie ijverig gehoorzamen aan Mijn geboden en geen letter daarvan veranderen. Dus beveel Ik jullie allen aan niet met een verdeeld hart te leven.

Bezielt jullie ziel met Mijn Goddelijke Genade nu er nog tijd is; hebt berouw nu er nog tijd is; keert terug tot Mij nu er nog tijd is. Stapelt niet zonde op zonde.

Wee de halsstarrige zielen, die hun oren sluiten voor deze laatste waarschuwingen. Wat zullen jullie doen bij Mijn terugkomst? Ik sta als Trouw en Waarachtig bekend (Apok. 19,11), en Ik zeg jullie, de Gerechtigheid zal zegevieren. Wees niet verbijsterd, Mijn kind. Wees niet verbaasd over wat Ik je te schrijven gegeven heb, want het was voorzegd dat in jullie dagen Mijn Kerk verraden zou worden door iemand die helemaal van Mij was, net als Judas, en dat Haar geloofsafval uit Haar binnenste zou komen, dat Ik zou worden verraden door hen die Mijn Maaltijden gedeeld hebben, die met Mij verbonden waren, die met Mij aten en dronken. Maar nu zeer spoedig zal alles wat bedekt is openbaar worden, en wat Ik in parabels en beeldspraak heb gezegd zal worden uitgelegd. Ik zal Mijn spreuken en parabels onthullen aan de armen.

Voordat deze generatie voorbij is, zal Ik door Mijn Macht en Mijn glorie de Valse Profeet ten val brengen. Alles wat de Schrift zegt moet tot in details worden vervuld. Dat is de reden waarom Ik alles heb opgeschreven, zodat na het onderzoek van deze Boodschappen jullie het teken van de echtheid in elke letter zullen begrijpen en dat dat Mijn Eigen Woorden zijn, door Mijn Genade aan jullie allen gegeven.

Ik ben gekomen dom deze flakkerende vlam van liefde nieuw leven te geven voordat de Valse Profeet erin slaagt haar helemaal uit te blazen (Jezus schreide). Ik schrei, ja. Hij woont in Mijn Huis, en in plaats van Mij geurige offers en gaven aan te bieden vervangt hij die door allerlei slechte vormen, die hem door de Boze worden aangeboden: onzuiverheid, vrij seksueel verkeer, ongerechtigheid, ongehoorzaamheid tegenover Mijn Wet, losbandigheid en dronkenschap met het bloed van Mijn profeten, Mijn eigen profeten. Zonder onderbreking braakt zijn mond zijn grootspraak en godslasteringen uit naar de vier hoeken van de aarde. Valse zegeningen en ware vloeken komen uit diezelfde mond. Ik weet alles over hem, Ik ken hem van binnen en van buiten, en Ik zeg jullie: hij zal nooit de plaats van rus bereiken.

Ik, de Heer, zal jou, Mijn kind, visioenen geven over hem die het bloed van velen op zich laadt, en van hen die hem aanbidden. Blijf waakzaam en bid altijd om sterkte om Mij met vertrouwen trouw te blijven.

Hoor Mij: de zonden van deze Rebel zijn ten hemel schreiend en hebben heel Mijn Gerechtigheid gewekt, gevolgd door een Oneindig Leed in mijn Ziel, het verdriet hem te moeten verdoemen me heel zijn gevolg. Mijn Vader heeft hen met vreugde en liefde geschapen, en Ik heb hen bemind en Mijzelf geofferd om niet alleen de rechtschapenen te redden maar ook de onrechtschapenen. Ik heb Mijn Leven voor hen gegeven, maar hij en zijn clan hebben zich in plaats daarvan tegen Mij gekeerd in het volle bewustzijn het geloof in Mij te gronde te richten (Jezus schreide weer) en Mijn Verbond voor altijd en eeuwig te breken. Zijn doel is het de Schrift van begin tot einde te misvormen en van Mijn Woord, Mijn Waarheden, Mijn Wijsheid en de taal van Mijn Kruis een rinkelend cimbaal te maken, een rationele theorie, de theorie van een filosoof - een schijnwijsheid - en met deze lege lessen een groot aantal mensen te voeden en hen de dood tegemoet te leiden. Opschepperig als hij is, aapt hij de Blijde Boodschap, Mijn Verrijzenis en Mijn absolute Godheid na.
Ach! De tijd van je verraad is weldra voorbij, de handelaren die handel dreven en je voorzagen van de beste kwaliteit handelswaar, zullen verdwenen zijn, en alle mensen zullen met afschuw vervuld zijn over je lot. Dochter, lees Ezechiël 28: “Opgeblazen van trots heb je gezegd: ‘Ik ben God; Ik zit op de troon van God, omgeven door de zeeën’.” Hoewel je een mens bent en geen God, verbeeld je je de gelijke van God te zijn, dat je nu wijzer bent dan Daniël en dat er geen wijze is die wijzer is dan jij. Door je wijsheid en intelligentie heb je een grote welvaart vergaard en je hebt stapels goud en zilver in je schatkamers. Je bekwaamheid in het handeldrijven is zodanig, dat je welvaart is blijven groeien, en daardoor is je hart steeds arroganter geworden.

Daar je jezelf verbeeldt de gelijke van God te zijn, heel goed, zal Ik vreemdelingen op je afsturen, de meest barbaarse van alle volkeren. Ze zullen het zwaard tegen jouw heerlijke wijsheid verheffen, ze zullen je luister besmeuren, ze zullen je in de kuil werpen en je zult een gewelddadige dood sterven, omringd door de zeeën. Zal je dan nog pronken als de Hogepriester, gekleed in zilver en goud? Zal je nog zeggen: “Ik ben een God, een Profeet”, wanneer je moordenaars tegenover je staan? Nee, je bent een mens en geen God, in de greep van je moordenaars! En je zult sterven zoals de goddelozen door de hand van vreemdelingen.
Je was ooit een voorbeeld van volmaaktheid, vol wijsheid en volmaakte schoonheid. Je was in Eden, in de tuin van God, in het hart van Mijn Heiligdom. Maar je drukke handel heeft je vervuld met geweld en zonde. Je hebt je wijsheid, toe te schrijven aan je glans, bedorven. Door het onmetelijke aantal van je zonden, door de oneerlijkheid van je handel, heb je Mijn Heiligdom bezoedeld.

Lees nu Apocalyps 18: Nu wordt het oordeel over de wereld geveld. Nu zal de vorst van deze wereld spoedig ten val gebracht worden. Het tweede beest, alias de Valse Profeet, de “Hogepriester”, de Lans, de jakhals, allen zijn een en dezelfde. Hij is degene die zich tot de tanden heeft bewapend om oorlog te voeren tegen Mijn Wet (alias Mozes) en tegen Mijn profeten (alias Elia). Hij en zijn clan zijn de jakhalzen die Ik in Mijn vroegere Boodschappen genoemd heb. Ik ben hem en heel zijn clan moe geworden en het doen Mij geen plezier te straffen. Ik wilde hen verlossen door hen aan te nemen als Mijn zonen, maar ze lieten zich door rijke kooplieden kopen, die samen met hen zullen vallen. Voel Mijn smart, voel Mijn verdriet, voel Mijn pijn, zij zijn afgodendienaren van het geld.

Ik zal Mijn Hoofd laten rusten in de harten van mij godvruchtige kinderen (de heiligen van jullie tijdperk). Kom, bemin Mij, troost Mijn Hart en geeft eerherstel voor hen die hele naties beroven van Mijn Liefde door een muur te bouwen tussen Mij en Mijn kinderen. Ik heb nooit een ziel Mijn Liefde onthouden.

Bid, Mijn Vassula, zonder ophouden. Velen zullen gereinigd worden door gebeden, velen zullen gezuiverd worden door offers en vasten. Talm niet, de tijd dringt. Zegen Mij vaker, wis de ongerechtigheid van de wereld uit door Mij meer liefde te geven en te tonen. Ach Vassula, Mijn dochter, verblijd Mij en zeg de volgende woorden tegen Mij:

Jezus, leer mij U teder te beminnen.
Schenk deze genade aan hen die
U niet beminnen en het Verterende Vuur
van Uw Heilig Hart niet kennen. Amen.

13. Onderricht over heiligschennende biecht medegedeeld aan Ottavio Michelini door Jezus.

13.1. Rechters over het geweten

De “goede christenen” weten dit. Ook velen biechtvaders weten dit. Toch blijven die de absolutie geven voor alles aan allen.
‘s Morgens de Heilige Communie (die dus niet heilig is) en ‘s avonds het bezoeken van bals, zalen en vergaderingen waarin de zinnelijkheid wordt opgehemeld!
Ongetwijfeld wordt de echtbreuk nog gebiecht. Want zij weten dat de priesters om hiervoor de absolutie te geven, niet ontbreken. Zij zijn de klare en precieze woorden vergeten: “Nolite ponere margaritas ante porcos;” Werp geen parels voor de zwijnen. (Mt. 7,6)
Zij zijn vergeten dat de sacramenten de kostbare vruchten van mijn Verlossing zijn. Zij zijn de woorden vergeten waarmede Ik, Redder en Bevrijder, aan mijn Apostelen en opvolgers de macht om zonden wel of niet te vergeven heb toegekend. Dat zij zijn aangesteld tot rechters over de gewetens zijn vele priesters vergeten.
Het is de funktie van een rechter om in de uitoefening van zijn ambt een onderzoek naar de misdrijven, naar de omvang en de belangrijkheid van de misdrijven in te stellen.
Aan allen vergeven zij alles lichthartig. Dit beantwoord niet aan het plan van mijn Barmhartigheid. Dit hoort bij een plan van Satan....

13.2. Een instrument tot verderf

Sprekend over de biecht heb Ik gezegd dat de manier waarop dit sacrament wordt toegediend niet aan een plan van mijn Barmhartigheid en Liefde beantwoordt, maar veeleer aan een verdorven plan van de Kwade.
Om dit sacrament, middel tot verrijzenis en leven om te vormen tot een dodelijk instrument tot verderf heeft hij niets onbeproefd gelaten. De prins van de duisternis heeft deze kostbare vrucht van mijn Verlossing verduisterd.
In een recente boodschap (zie 13.1) heb ik gezegd dat Ik mijn priesters tot rechters over de zielen heb aangesteld. Hoe?.... Ben ik niet de Eeuwige Priester?
Wanneer jullie, door Mij geroepen, jullie aan Mij hebben gewijd, heb ik jullie gemaakt tot deelgenoten aan mijn Priesterschap zoals Ik trouwens alle zielen laat deel hebben in mijn bovennatuurlijk Leven (met de andere sacramenten)
Maar Ik ben het oneindig enkelvoudig Wezen.
In Mij zijn geen onderscheidbare kenmerken en volmaaktheden. Ik ben het oneindig volmaakte Wezen. In Mij zijn alle volmaaktheden.
Ik ben de eeuwige Priester.
Ik ben de eeuwige Rechter.
Ik ben de eeuwige Liefde èn de eeuwige Gerechtigheid.
Ik ben de eeuwige Barmhartigheid.
Aan Mij, Rechter, is het bijzondere oordeel over iedere mens voorbehouden. Dit oordeel is zonder beroep, onherroepelijk, en het zal haar eindbeslag hebben zowel voor de mensen als voor de engelen, bij het algemeen oordeel.
Ik, de oneindig rechtvaardige Rechter, oordeel iedere mens billijk. Een rechter zijn wil zeggen: de schulden van wie gezondigd heeft billijk vergeven en veroordelen.
Iedere priester moet een rechtvaardige rechter zijn, billijk en onpartijdig. Deze macht is niet van hem, zij is van Mij, de eeuwige rechter.
Zeer velen oefenen die macht uit alsof zij van hen was... Zij beheren de bovennatuurlijke macht met een lichthartigheid, een onbewust niet beseffen, dat het een rilling op de rug brengt van wie een greintje fijngevoeligheid heeft.
Zij helpen de biechtelingen om alle mogelijke rechtvaardigingen voor hun zonden te vinden en besluiten dat de Barmhartigheid van God groot is.

13.3. Heiligschennende biechten

De barmhartigheid van God in niet alleen groot, zij is oneindig groot.
Toch machtigt dat niemand om er op zo’n schandelijke manier misbruik van te maken..
Dit is belangrijk, zoon. Daarom herhaal Ik het: Wordt niet van beheerders van de goddelijke Gerechtigheid tot medeplichtigen van de duivel! Wordt niet van instrumenten tot heil, tot instrumenten tot verderf!
God kan niet ongestraft bespot worden.
De woorden waarmee Ik dit heilsmiddel heb ingesteld zijn van een niet mis te verstane duidelijkheid: de zonden wel of niet vergeven.
Zonder oprecht berouw kan er geen ernstige biecht zijn. Zonder een ernstig en krachtig voornemen om niet meer te willen zondigen kan er geen oprecht berouw zijn.
Vele biechten zijn ongeldig, waardeloos. Vele biechten zijn dubbel heiligschennend.
Wie te biechten gaat zonder de vereiste ingesteldheid en wie de absolutie geeft zonder er zich van te verzekeren dat de vereiste ingesteldheden voorhanden zijn, ontwijdt het sacrament en bedrijft heiligschennis.
De priester die dit wonderlijk heilsmiddel verlaagt door het in een middel tot verderf te veranderen, maakt zich medeplichtig aan het boosaardig plan van Satan. Die priester zoekt God niet noch het heil van de zielen, hij zoekt slechts zichzelf en het is verschrikkelijk om zichzelf de voorkeur te geven boven God.
En dan, heer?
Ja, mijn zoon, geen dwaze gestrengheid maar de rechtschapenheid en de gerechtigheid. Waarom zou Ik tot mijn Apostelen en tot hun opvolgers gezegd hebben: “Gaat en aan al wie jullie zonden vergeven zullen zij vergeven zijn. En aan al wie jullie de zonden niet vergeven hun zullen zij niet vergeven zijn.”? Het is duidelijk dat door die woorden een ernstig en evenwichtig oordelen vereist wordt dat geen compromis duldt met niemand, noch met het eigen geweten, noch met de biechteling en nog minder met Mij.

13.4. Niets is nog zonde

Mijn zoon, Ik herhaal periodisch meerdere zaken om dit centrale punt in de huidige zielzorg beter in de ziel van mijn priesters in te prenten.
Jawel...Allen krijgen voor alles, zonder onderscheid, de absolutie. Voor vele priesters is het toch zo gemakkelijk de absolutie te geven aangezien niets nog zonde is...
De zuiverheid, reinheid is niet langer een deugd.
Het verantwoord ouderschap dat juist begrepen iets goeds is, wordt als reden aangegrepen voor alle, te grote, vrijheden in de huwelijksbetrekkingen.
Onder het voorwendsel de kultuur te bevorderen wordt de meest onbehoorlijke lectuur toegestaan, waarin de kiemen van de wellust en van wijsgerige en theologische dwalingen kwistig zonder krenterigheid zijn rondgestrooid.
Vandaag is alles op bedrog, of diefstal gebaseerd.
De Gerechtigheid vereist dat de biechtvader zich verzekert van het ernstige en krachtige voornemen om het oneerlijk verkregen goed terug te geven. Zeer dikwijls wordt de biechteling zelfs niet van die strikt plicht verwittigd. In de naam van de vooruitgang, om de biechteling te overtuigen dat de biechtvader een modern man is op de hoogte van de tijden, sluiten zij de ogen.
Zij die de verantwoordelijkheid dragen, zij die altijd en overal het kwaad bij de wortels moeten bestrijden en dit zonder ophouden moeten doen om niet in het duistere en verschrikkelijke uur te worden overweldigd (zoals gij zult overweldigd worden) in dit uur dat gij thans gaat beleven, zien dit alles over het hoofd.
Ik zegen je. Met Mij zegenen je de Moeder en Sint Jozef.

14. Onderricht over de 10 geboden (Oude
Catechismus, derde deel)
Vragen 243 tot 302

243. Hoe kennen wij de geboden van God?
Wij kennen de geboden van God door de stem van ons geweten, en door de openbaring van God die ons door de heilige Kerk wordt voorgehouden.

244. Wat is het geweten?
Het geweten is niet anders dan onze rede die zegt: doe dit, want het is goed; laat dat, want het is kwaad.

245. Waarom moeten wij de geboden van God onderhouden?
Wij moeten de geboden van God onderhouden, omdat wij moeten gehoorzamen aan God, onze Schepper en opperste Heer, en aldus bewijzen dat wij Hem werkelijk beminnen.

246. Hoe heeft Jezus-Christus de geboden van God samengevat?
Jezus-Christus heeft de geboden van God samengevat in deze woorden: “Gij zult de Heer uw God beminnen uit geheel uw hart, uit geheel uw ziel en uit al uw krachten, en uw naaste zoals uzelf”.

247. Hoe zijn de tien geboden van God ingedeeld?
De tien geboden van God zijn zó ingedeeld, dat de eerste drie betrekking hebben op God, en de zeven andere op onszelf en de naaste.

14.1. Eerste gebod: Bovenal bemin één God

248. Wat gebiedt het eerste gebod van God?
Het eerste gebod van God gebiedt God alleen te aanbidden en Hem boven alles te beminnen.

249. Wat is God aanbidden?
God aanbidden is Hem is Hem erkennen en vereren als onze Schepper en opperste Heer, van wie wij geheel en gans afhangen.

250. Moeten wij onze Heer Jezus Christus aanbidden?
Ja, wij moeten onze Heer Jezus Christus aanbidden, want Hij is de mensgeworden Zoon van God.

251. Waarin bestaat de eredienst van het heilig Hart van Jezus?
De eredienst van het heilig Hart van Jezus bestaat in het vereren van de oneindige liefde van Jezus tot ons, onder het zinnebeeld van zijn menselijk hart.

252. Is de eredienst van het Heilig-Hart een eredienst van aanbidding?
Ja, de eredienst van het Heilig-Hart is een eredienst van aanbidding, omdat dit het Hart is van de mensgeworden Zoon van God.

253. Welke eredienst zijn wij aan God verschuldigd?
Aan God zijn we verschuldigd een innerlijke, een uiterlijke en een openbare eredienst.

254. Wat is de innerlijke eredienst?
De innerlijke eredienst is de eredienst die wij aan God bewijzen in het binnenste van onze ziel.

255. Wat is de uiterlijke eredienst?
De uiterlijke eredienst is de eredienst die wij aan God bewijzen door handelingen waaraan ons lichaam deelneemt, zoals het kruisteken, het knielen, het mondeling gebed.

256. Wat is de openbare eredienst?
De openbare eredienst is de eredienst die geschiedt in de naam van de heilige Kerk.

257. Welk is de opperste akte en het middelpunt van de eredienst tot God?
De opperste akte en het middelpunt van de eredienst tot God is het Misoffer.

258. Wat verbiedt het eerste gebod van God?
Het eerste gebod van God verbiedt alle zonden tegen het geloof, de hoop en de liefde tot God; het verbiedt ook afgoderij, ongodsdienstigheid, heiligschennis en bijgeloof.

259. Hoe zondigt men tegen het geloof?
Men zondigt tegen het geloof vooral door ongeloof en ketterij, door vrijwillig aan zijn geloof te twijfelen of het in gevaar te brengen.

260. Hoe zondigt men tegen de hoop?
Men zondigt tegen de hoop door wanhoop en door vermetel vertrouwen.

261. Hoe zondigt men tegen de liefde tot God?
Men zondigt tegen de liefde tot God door onverschilligheid, door ondankbaarheid en door haat tegen God.

262. Wat is afgoderij?
Afgoderij is een ingebeelde godheid of een schepsel aanbidden in plaats van de Schepper.

263. Wanneer bedrijft men ongodsdienstigheid?
Men bedrijft ongodsdienstigheid, wanneer men de godsdienst bestrijdt on zijn godsdienstige plichten verzuimt.

264. Wanneer bedrijft men heiliigschennis?
Men bedrijft heiligschennis, wanneer men aan God-toegewijde personen, zaken of plaatsen onteert of oneerbiedig behandelt, zoals de sacramenten, de kerken en de priesters.

265. Wanneer is men bijgelovig?
Men is bijgelovig, wanneer men van voorwerpen, tekens of woorden, een uitwerking verwacht die ze niet kunnen hebben, noch uit de krachten der natuur, noch door goddelijke instelling, noch door de wijding of de gebeden der heilige Kerk.




14.2. Tweede gebod van God: Zweer niet ijdel, vloek noch spot.

266. Wat gebiedt het tweede gebod van God?
Het tweede gebod van God gebiedt de heilige Naam van God te eerbiedigen, alsook de aan God gedane beloften te houden.

267. Wat verbiedt het tweede gebod van God?
Het tweede gebod van God verbiedt alle oneerbiedigheid tegenover de heilige Naam van God, voornamelijk de godslastering, het breken van geloften, en de valse eed.

268. Wat is God lasteren?
God lasteren is kwaad spreken van God, van zijn heiligen of van heilige zaken, bijvoorbeeld zeggen of schrijven dat God niet rechtvaardig of niet barmhartig is, dat Hij zich niet om de wereld bekommert, dat de godsdienst of de Kerk de oorzaak is van alle kwaad op aarde.

269. Wat is een gelofte doen?
Een gelofte doen is zich tegenover God op zonde verbionden een goede daad te verrichten.

270. Is het zonder een gelofte niet te houden?
Een gelofte niet te houden is zonde; ja zelfs doodzonde, wanneer men zich tot een gewichtige daad verplicht heeft op straf van zware zonden; daarom moet men, alvorens een gelofte te doen, eerst goed nadenken en om raad vragen.

271. Wat is een eed doen of zweren?
Een eed doen of zweren is God tot getuige nemen van hetgeen men bevestigt of van hetgeen men belooft.

272. Wanneer is de eed een daad waardoor men God vereert?
De eed is een daad waardoor men God vereert, wanneer hij wordt afgelegd om een gewichtige en rechtvaardige reden.

273. Wanneer is het verboden een eed te doen?
Het is verboden een eed te doen zonder noodzakelijkheid, of onder eed te bevestigen hetgeen men weet vals te zijn, of een zondige daad onder eed te beloven.


14.3. Derde gebod van God: Heilig steeds de dag des Heren

274. Wat gebiedt het derde gebod van God?
Het derde gebod van God gebiedt de dagen te heiligen die aan God bijzonder zijn toegewijd.

275. Wie heeft de heiligdagen bepaald?
God heeft in de Nieuwe Wet aan de heilige Kerk de macht gegeven om te bepalen welke de heiligdagen zijn en hoe ze moeten gevierd worden.

14.4. Vierde gebod: Vader, moeder zult gij eren.

276. Wat gebiedt het vierde gebod van God?
Het vierde gebod van God gebiedt onze ouders en onze geestelijke en wereldlijke oversten te eren.

277. Welke zijn de plichten van de kinderen jegens hun ouders?
De kinderen moeten hun ouders beminnen, eerbiedigen, hun gehoorzamen, en ze in hun nood helpen en bijstaan.

278. Welke zijn de plichten van de ouders jegens hun kinderen?
De ouders moeten zorgen voor het lichamelijk onderhoud van hun kinderen; zij moeten hun, in de huiskring en op de school, een christelijke opvoeding verschaffen.

279. Welke zijn de plichten van de onderdanen jegens hun oversten?
De onderdanen moeten hun oversten eerbiedigen, hun gehoorzamen, en hun billijke belangen behartigen.

280. Welke zijn de plichten van de oversten jegens hun onderdanen?
De oversten moeten, ieder volgens zijn ambt, het geestelijk en het tijdelijk welzijn van hun onderdanen behartigen.

281. Is het soms verboden aan zijn ouders of aan andere oversten te gehoorzamen?
Het is verboden aan zijn ouders of aan andere oversten te gehoorzamen, wanneer zij iets bevelen dat strijdig is met de geboden van God of van de heilige Kerk.

282. Welke zijn de voornaamste plichten van de burgers jegens hun vaderland?
De burgers moeten hun vaderland beminnen, dienen en zo nodig, ten koste van hun leven verdedigen; zij moeten het burgerlijk gezag eerbiedigen en aan de rechtvaardige wetten gehoorzamen.

14.5. Vijfde gebod: Dood niet, geef geen ergernis.

283. Wat gebiedt het vijfde gebod van God?
Het vijfde gebod van God gebiedt ons eigen leven en dan van de naaste te eerbiedigen, zowel het leven van de ziel als dat van het lichaam.

284. Wat verbiedt het vijfde gebod van God?
Het vijfde gebod van God verbiedt: zonder wettige macht en reden, te doden, te kwetsen of te slaan; aan zichzelf of aan anderen kwaad te doen of te wensen; zich schuldig te maken aan gulzigheid, dronkenschap, gramschap, haat, nijd en ergernis.

285. Wanneer geeft men ergernis?
Men geeft ergernis, wanneer men iemand tot zonde aanzet of op schuldige wijze tot zonde aanleiding geeft.

14.6. Zesde en negende gebod:
Doe nooit wat onkuisheid is.
Weest steeds kuis in uw gemoed.


286. Wat gebieden het zesde en het negende gebod van God?
Het zesde en negende gebod van God gebieden de deugden van kuisheid en van zedigheid te beoefenen.

287. Heeft de christenmens een bijzondere reden om de kuisheid en de zedigheid te beoefenen?
Ja, de christenmens heeft een bijzondere reden om de kuisheid en de zedigheid te beoefenen, omdat hij lidmaat is van Jezus-Christus en tempel van de Heilige Geest.

288. Wat verbiedt het zesde gebod van God?
Het zesde gebod van God verbiedt alle uitwendige zonde van onkuisheid; het verbiedt ook handelingen, blikken, gesprekken, liederen en lezingen die tot onkuisheid kunnen leiden.

289. Wat verbiedt het negende gebod van God?
Het negende gebod van God verbiedt alle inwendige zonde van onkuisheid, namelijk onkuise begeerten en vrijwillig behagen in onkuise gedachten.
290. Wat moet men doen om kuis te leven?
Om kuis te leven moet men vooral de gevaarlijke gelegenheden vermijden, de versterving beoefenen, dikwijls biechten en communiceren, en een grote godsvrucht onderhouden tot de heilige Maagd Maria.

14.7. Zevende en tiende gebod:
Vlucht het stelen en bedriegen.
En begeer nooit iemands goed.

291. Wat gebieden het zevende en het tiende gebod van God?
Het zevende en het tiende gebod van God gebieden de eigendom van de naaste te eerbiedigen, en aan iedereen te geven wat hem toekomt.

292. Wat verbiedt het zevende gebod van God?
Het zevende gebod van God verbiedt alle onrechtvaardigheid die de naaste benadeelt in zijn tijdelijke goederen.

293. Wie nemen onrechtvaardig het goed van de naaste?
Diegenen nemen onrechtvaardig het goed van de naaste, die stelen, die bedrog plegen in koophandel, de woekeraars, de werkgevers die het rechtvaardig dagloon niet betalen, de oneerlijke arbeiders, en al degenen die iemand beroven van hetgeen hem toekomt.

294. Wie behouden onrechtvaardig het goed van de naaste?
Diegenen behouden onrechtvaardig het goed van de naaste die hun schulden niet betalen, die niet teruggeven hetgeen zij genomen hebben of hetgeen hun werd toevertrouwd.

295. Wat verbiedt het tiende gebod van God?
Het tiende gebod van God verbiedt de wil of de begeerte om de naaste onrecht aan te doen in zijn tijdelijke goederen.

14.8. Achtste gebod: (Vlucht) ook de achterklap en ‘t liegen.

296. Wat gebiedt het achtste gebod van God?
Het achtste gebod van God gebiedt oprecht te zijn in woorden en in daden, en de faam en de geheimen van de naaste te eerbiedigen.

297. Wat verbiedt het achtste gebod van God?
Het achtste gebod van God verbiedt leugen en valse getuigenis, kwaadsprekerij en lastertaal, kwaad vermoeden en lichtvaardig oordeel.

298. Wat is liegen?
Liegen is opzettelijk onwaarheid spreken met het inzicht te bedriegen.

299. Wat is kwaadspreken?
Kwaadspreken is de fouten of gebreken van de naaste zonder noodzakelijkheid bekend maken.

300. Wat is de naaste belasteren?
De naaste belasteren is hem beschuldigen van een gebrek dat hij niet heeft, of van een fout die hij niet heeft bedreven.

301. Moet men de geheimen bewaren die men kent?
Ja, de geheimen die men kent moet men bewaren: dit eist het belang van de maatschappij en van iedereen in het bijzonder.

302. Zijn wij verplicht het onrecht te herstellen, dat wij de naaste hebben aangedaan?
Ja, we zijn verplicht, zo goed en zohaast mogelijk, het onrecht te herstellen, dat wij de naaste hebben aangedaan in zijn gezondheid, zijn tijdelijke goederen of zijn goede naam.