Over de veertigdagentijd (1)
------------------------------------


1. De doodsstrijd van Jezus

Elk jaar opnieuw biedt de Kerk ons tijdens de 40 dagen voor Pasen, de kans orde op zaken te stellen in ons leven, grote kuis te houden. Wij worden uitgenodigd om tijdens deze periode, die voorafgaat aan het grootste christelijke feest, eens na te denken over datgene waar het in het leven op aankomt, over datgene wat nu echt belangrijk is.
Wij worden eraan herinnerd dat ons leven een tocht is, een reis naar het beloofde land, de hemel, het vaderhuis. Deze tocht gelijkt op de lange reis van de Israëlieten naar het beloofde land Israël, lange reis die een aanvang nam bij de uittocht uit Egypte. Deze reis, of liever zwerftocht, duurde 40 jaar lang, destijds de duur van een mensenleven. Nagenoeg de ganse zwerftocht speelt zich af in de woestijn, onherbergzaam oord vol gevaren.
Het volk Israël is 40 jaar onderweg door de woestijn naar het beloofde land, Jezus zondert zich 40 dagen af om zich voor te bereiden op zijn zending en wij hebben elk jaar een tijd van 40 dagen om ons op Pasen voor te bereiden. Overwegen wij nu het mysterievolle verband tussen deze gegevens.

------------------

Bidden wij om een genadevolle 40-dagentijd voor de Kerk, voor ons allen, opdat wij de kansen tot bekering die de Heer ons telkens aanbiedt, niet zouden verspelen.


Onze Vader, ...
Wees gegroet, Maria, ... (10 X)
Glorie zij de Vader, ...
O, mijn Jezus, ...
Heilige Aartsengel Michaël,...


2. De geseling van Jezus

Tijdens de 40-dagentijd wordt gedurende de lezingendienst (= metten) in de kloosters het boek Exodus, dit wil zeggen “Uittocht” voorgelezen, dat de lange tocht van de Israëlieten door de woestijn vertelt. Ook de eerste lezing van de Mis wordt tijdens de vasten vaak genomen uit het boek Exodus. De Kerk leert ons hiermee dat het leven van elk van ons trekt op die lange tocht van 40 jaren door de woestijn.
Tijdens de 40-daagse vasten nu gaan we elk jaar dieper beleven wat ons leven eigenlijk is: de lange tocht namelijk naar de ontmoeting met God in het “Beloofde Land”: de hemel.
De bekoringen en beproevingen die het volk Israël kende op die lange tocht, zijn nog altijd dezelfde als die wij kennen op onze levenstocht.
De reis van de Israëlieten naar het beloofde land ving destijds aan met de uittocht uit Egypte. Egypte was voor het volk Israël het land van de slavernij, het land waar zij een ellendig leven leidden, in de macht van de tirannieke farao.
Ook wij moeten in ons leven eerst het “land Egypte” verlaten, dit is het land van de zonde. Zolang wij immers in zonde leven, zijn wij slaven van de zonde, gevangen in zondige gewoonten, wij bevinden ons dan nog in de macht van Satan, die heerst, daar waar de mens zich overgeeft aan de zonde.
Zoals Mozes destijds het volk Israël uit Egypte leidde doorheen de Rode Zee, zo worden wij door de nieuwe Mozes, Jezus Christus, uit het land van de zonde en uit de macht van Satan bevrijd. En deze bevrijding gebeurde voor elk van ons bij het doopsel, het waterbad dat ons reinigde van de erfzonde. Zoals destijds de Israëlieten door de doortocht door het water van de Rode Zee uit de macht van farao bevrijd werden, zo werden wij uit de macht van Satan bevrijd door het water van het doopsel.

----------------

Bidden wij dan dat wij trouw zouden blijven aan de doopselgenade, of dat wij door een goede biecht de door het doopsel verleende heiligmakende genade weer zouden verkrijgen, indien wij deze door een doodzonde zouden verloren hebben.


Onze Vader, ...
Wees gegroet, Maria, ... (10 X)
Glorie zij de Vader, ...
O, mijn Jezus, ...
Heilige Aartsengel Michaël,...


3. De doornenkroning van Jezus

Na het doopsel, dat wij allen ontvingen vlak na onze geboorte begint dan de lange reis door het leven, reis die eindigen zal in het beloofde land van de hemel. En deze lange reis gelijkt op de zwerftocht van de Israëlieten door de woestijn, vanaf hun redding uit Egypte doorheen de wateren van de Rode Zee tot hun intocht in het beloofde land Israël, 40 jaar later.
Overwegen wij nu hun wederwaardigheden, want deze lijken op de lotgevallen van onze eigen levenstocht.
in het 16de hoofdstuk van het boek Exodus lezen we: “Toen nu de Israëlieten (na hun vertrek uit Egypte) in de woestijn waren, begon heel het volk te morren tegen Mozes en Aäron. De Israëlieten zeiden tegen hen: “Waren we maar door Jahweh’s hand gestorven in Egypte, waar we bij de vleespotten zaten en volop brood konden eten. Jullie hebben ons alleen maar naar de woestijn gebracht om al deze mensen van honger te laten omkomen.”
Herkennen wij ons niet in het gedrag van het volk Israël? Ook wij morren vaak tegen God als het niet naar onze zin gaat. Jezus moet ons dikwijls echt meesleuren naar het beloofde land, want wij gaan tegen onze zin de lange weg naar het voor ons nog onbekende beloofde land, de hemel. Ook wij hebben soms heimwee naar de “vleespotten van Egypte”, dit is naar een leven van gemakzucht en welstand, ja naar een leven waar we onze zin kunnen doen zonder rekening te houden met God en zijn geboden en met de evenmens.
Leven in het “land van de zonde” lijkt ons plezanter, kost ons minder moeite.
Altijd weer moet de Heer, met behulp van zijn gezanten in ons leven: familieleden, priesters en godgewijden, mensen die wij ontmoeten, ons oproepen om verder te trekken, ons niet te installeren in het aardse leven, maar altijd weer de vermoeiende weg te gaan naar onze eindbestemming: het Vaderhuis.

-----------------

Bidden wij voor allen die ontmoedigd zijn in hun zoektocht naar God, voor allen die na hun doopsel of bekering hervallen in de oude gewoonten van zonde en kwaad, voor allen die niet geloven dat aan het einde van onze levenstocht, het beloofde land, de hemel, ligt.


Onze Vader, ...
Wees gegroet, Maria, ... (10 X)
Glorie zij de Vader, ...
O, mijn Jezus, ...
Heilige Aartsengel Michaël,...


4. Jezus draagt zijn kruis

Als de tocht door de woestijn van het leven ons soms moedeloos en uitgeput maakt, is de Heer er steeds met zijn gaven uit de hemel, om ons te verkwikken, zoals ook destijds de Israëlieten in de woestijn de bijstand van God ondervonden.
Luisteren wij weer naar wat het boek Exodus ons verhaalt:
Na het gemor van de Israëlieten omdat ze honger hadden sprak Jahweh tot Mozes: “Ik zal brood voor u laten regenen uit de hemel.” Mozes en Aäron zeiden toen tot de Israëlieten: “Vanavond nog zult u weten dat het inderdaad Jahweh was die u heeft weggevoerd uit Egypte. Hij heeft uw gemor tegen hem gehoord.” De volgende morgen hing er dauw rondom het tentenkamp van de Israëlieten en toen die was opgetrokken, lag er over de woestijn een fijne korrelige laag, alsof de grond met rijm was bedekt. De Israëlieten zagen het en vroegen “Wat is dat?” Ze wisten werkelijk niet wat het was. Mozes legde hun uit: “Dit is het brood dat Jahweh u te eten geeft.”
Ook wij krijgen op de tocht door de woestijn van het leven, brood uit de hemel mee, wij krijgen het levende Brood, de H. Eucharistie. Gods Zoon geeft zichzelf als Brood tot voedsel in elke H. Mis. Enkele jaren na het reinigende waterbad van het doopsel ontvingen wij allen voor de eerste maal dit Brood uit de hemel, deze engelenspijs. En dit Brood, de Heer Jezus zelf, voedt ons, sterkt ons als wij vermoeid langs de kant van de levensweg zitten. Het is zelfs zozeer voedsel dat er beroemde voorbeelden bestaan van mensen die jarenlang geen enkel voedsel tot zich namen dan alleen de H. Eucharistie, b.v. Theresia Neumann en Marthe Robin.
Laten wij in deze heilige vastentijd meer intens dan gewoonlijk het mysterie van de H. Eucharistie beleven, telkens wij naar de Mis gaan.

---------------

Bidden wij voor hen die dit Brood versmaden of niet beseffen Wie dit levende Brood wel is.


Onze Vader, ...
Wees gegroet, Maria, ... (10 X)
Glorie zij de Vader, ...
O, mijn Jezus, ...
Heilige Aartsengel Michaël,...


5. De kruisdood van Jezus

Op hun tocht van 40 jaar door de woestijn ontvingen de Israëlieten ook de 10 geboden op de berg Sinaï. Jahweh had deze 10 geboden op 2 stenen tafelen geschreven en aan Mozes gegeven, die ze dan aan het volk moest leren. De 10 geboden zijn nog altijd de basis van de zedenwet en van de christelijke moraal, hoe graag velen het ook anders zouden willen. Jezus heeft de geboden samengevat door te zeggen: Bemin God boven alles en de naaste als uzelf. De geboden zijn dus een veilige gids voor onze zwerftocht door het leven. En in de 40-dagentijd willen wij onszelf onderwerpen aan een ernstig gewetensonderzoek om te zien of wij alle geboden trouw naleven.
Jezus is Diegene die met ons meetrekt op onze levensweg, totdat we veilig in het beloofde land, de hemel, aankomen.
Jezus is ons schild als vijanden ons belagen. Wie zijn dan wel de vijanden die op de loer liggen en ons in de val willen lokken, ja ons zelfs willen doden?
Luisteren wij naar het boek Exodus:
“Toendertijd, wanneer Israël door de woestijn trok, kwam Amalek aanzetten om de Israëlieten aan te vallen. Toen zei Mozes tegen Jozua: “Kies manschappen uit en trek morgen ten strijde tegen Amalek. Zelf ga ik met de staf van God in mijn hand op de top van de heuvel staan.” Hij bond de strijd aan met Amalek, terwijl Mozes en Aäron de top van de heuvel bestegen. En zolang Mozes zijn armen opgeheven hield waren de Israëlieten aan de winnende hand. Maar liet hij zijn armen zakken dan won Amalek. Tenslotte werden Mozes’ armen moe. Toen haalden ze een steen voor hem waar hij op ging zitten. Aäron ondersteunde zijn armen. Zo bleven zijn armen omhooggeheven, tot zonsondergang toe. En Jozua versloeg Amalek.” (Ex. 17)
Dit gevecht van het volk Israël in de woestijn met Amalek, is een beeld van de strijd die de mensheid en ieder van ons te strijden heeft tegen de Vijand van het menselijk geslacht, Satan. Want Amalek is hier een beeld van de duivel, steeds in hinderlaag liggend om ons onverhoeds te overvallen. Wij zouden niets tegen hem vermogen, hadden wij op onze levensweg Jezus niet, Gods Zoon, die door zijn lijden en Verrijzenis Satan overwonnen heeft. Jezus bidt voortdurend voor ons tot zijn Vader, opdat wij niet zouden bezwijken. Jezus is de nieuwe Mozes die zijn armen voortdurend in gebedshouding geheven houdt om ons te beschermen en te ondersteunen. Wanneer er niet meer gebeden zou worden door Jezus en door elk van ons, zou Satan ons overwinnen, zoals destijds Amalek aan de winnende hand was telkens als Mozes z’n armen liet zakken, d.w.z. het bidden moe werd.

Deze bezinning leerde ons hoe de gebeurtenissen van lang geleden, die verhaald worden in het O.T., op mysterievolle wijze ons iets vertellen over ons leven nu en de weg die wij moeten gaan naar het beloofde land, de hemel.
In de 40-daagse vasten beleven wij op intensere wijze wat heel ons leven is, nl. een tocht door de woestijn. Deze tocht zullen wij tot een goed einde brengen als wij de juiste wegwijzers volgen, namelijk de sacramenten, de geboden, het gebed en als wij Jezus tot reisgids nemen en naar Hem luisteren als Hij ons leert welke reisroute wij moeten volgen voor het Vaderhuis, de hemel.
De 40-dagentijd nodigt ons uit om even halte te houden en te zien of wij nog altijd op de juiste reisweg zitten en niet op één of andere manier verdwaald zijn.

-----------------

Bidden wij opdat deze 40-dagentijd ons allen terug op de juiste weg zou zetten wanneer dit nodig zou zijn, en bidden wij bijzonder voor diegenen die verdwaald zijn en doodlopende zijwegen volgen.


Onze Vader, ...
Wees gegroet, Maria, ... (10 X)
Glorie zij de Vader, ...
O, mijn Jezus, ...
Heilige Aartsengel Michaël,...

-----------------------------------------------------------------------------------------------


Over het eerste gebod
(1)
----------------------------------


We overwegen vandaag het eerste van de 10 geboden: “Bovenal bemin één God”.
Hieruit vloeien alle andere geboden voort. Wie God bemint zoals het hoort, zal al zijn geboden en voorschriften onderhouden en zijn medemensen beminnen als broers en zusters, kinderen van dezelfde Vader in de hemel.

Bron: Katechismus van de Katholieke Kerk (KKK) nrs 2041 tot 2084.

1. De doodsstrijd van Jezus


I . “Gij zult de Heer uw God aanbidden en Hem alleen dienen”


Het eerste gebod omvat het geloof, de hoop en de liefde. De uitnodiging en de verplichting hiertoe.

a) Geloof

Geloven dat er een Schepper is die alles geschapen heeft, is de natuurlijke houding en plicht van elk mensenkind. Toch vraagt dit een wilsdaad van de mens. “Ik wil geloven, ook al zie ik God niet, ik zie immers het werk van zijn handen en vooral het wonder dat mijn leven is.” Deze wilsdaad kost ons soms weleens moeite, vooral in de beproeving.

Daarom moeten we vaak uitroepen: “God, help mij te geloven in U.” Volgens de apostel Paulus brengt de goddeloosheid, d.w.z. het niet in God willen geloven elke zedelijke ontaarding mee.
Dit geloof in God is tengevolge van de zondeval van Adam en Eva en de verduistering van ons verstand die eruit voortvloeide, moeilijker geworden voor de mens. Dankzij de komst van Gods Zoon, Jezus Christus, op aarde hebben we echter weer de noodzakelijke hulplmiddelen die ons helpen in God te geloven. Het eerste gebod vraagt ons dat wij ons geloof voeden en beschermen.

Men zondigt als volgt tegen het geloof:
- door de systematische, opzettelijke twijfel aan alle geloofsmysteries, omdat ons verstand niet bij machte is ze te begrijpen. Deze gekoesterde twijfel leidt tot verblinding van de geest, de geestelijke hoogmoed, door Maria in Medjugorje de “zonde van het Westen” genoemd.
Er is ook de onvrijwillige twijfel wanneer we ons ongewild in een geloofscrisis bevinden. Dit is een toestand die we niet zoeken maar die God soms toelaat om ons geloof uit te zuiveren. Hier is dan natuurlijk geen sprake van zonde.
- Hardnekkig ongeloof t.o.v. God en de geopenbaarde waarheden - de geloofsmysteries - is zondig.
- Andere zonden tegen het geloof zijn:
* ketterij = het ontkennen of verdraaien van één of andere geloofswaarheid.
* apostasie (= geloofsafval) = na gedoopt te zijn geweest, zijn christelijk geloof volkomen verloochenen.
* schisma = het verwerpen van het gezag van de paus.

b) De hoop

Het eerste gebod vraagt ons tevens dat wij al onze hoop op God zouden stellen, d.w.z. dat wij alles van God verwachten, hier in dit leven en later het eeuwige leven.
Men zondigt tegen de hoop door:
- Wanhoop, dit is: niet meer geloven dat God mij kan redden of mijn zonden kan vergeven.
Het is verzet tegen Gods goedheid, trouw en barmhartigheid. Het is de zonde “tegen de H.Geest” die niet vergeven kan worden. Het is de zonde van het verwerpen van God, uit wanhoop, na een leven van zware zonde. Het is de zonde van Judas.
- Een andere zonde tegen de hoop is het vermetel vertrouwen, dit is denken dat men zichzelf wel kan redden zonder hulp van God, ofwel denken dat God mij alles zal vergeven zonder dat ik berouw heb over mijn zonden en boete doe voor mijn zonden.

c) De liefde

Het eerste gebod houdt in dat wij God beminnen, liefhebben. Hem wederliefde betonen voor de liefde die Hij ons geeft.
Zonden tegen de liefde tot God zijn:
- volkomen onverschilligheid t.o.v. God en het geloof.
- ondankbaar zijn voor Gods liefde en weldaden, ondankbaarheid na
gebedsverhoringen.
- haat tegen God omdat God de zonde verbiedt en straffen oplegt.

Bidden wij dit eerste tientje voor de godloochenaars, voor de wetenschappers die moeite hebben om te geloven, voor de vele theologen die in ketterijen en schisma vallen omdat ze hoogmoedig zijn.

Onze Vader, ...
Weesgegroet, Maria... (10 X)
Glorie zij de Vader, ...
O, mijn Jezus, ...
Heilige aartsengel Michaël,...


2. De geseling van Jezus


II . “Hem alleen zult gij eer bewijzen “

Wij eren God door Hem te aanbidden, tot Hem te bidden en offers te brengen.

a) God aanbidden

Wij eren God door Hem te aanbidden.
God aanbidden betekent: Hem als God erkennen, als Schepper en Verlosser, als Heer van al wat bestaat, als oneindige en barmhartige Liefde.
God aanbidden betekent in eerbied en onderdanigheid erkennen “hoe nietig het schepsel is”.
God aanbidden betekent Hem loven en prijzen om zijn wonderwerken. Het betekent van harte “dank u” zeggen voor het leven, voor al wat God ons geeft.

b) Bidden tot God

Wij eren God door het gebed.
De gelovige is verplicht tot gebed, elke dag. Wij mogen geen dag laten voorbijgaan zonder onze geest en ons hart uitdrukkelijk een ogenblik tot God te verheffen om Hem te loven, te danken, voor anderen en voor onszelf God om bijstand smeken.
Dit gebed neemt concrete vormen aan: morgen- en avondgebed, dagopdracht, gebed voor en na het eten, het bidden van de christelijke gebeden.
Wie nooit bidt, zondigt tegen het eerste gebod.

c) Offeren aan God

Wij eren God door offers te brengen.
Hieronder verstaan wij het opofferen van onze dag, onze goede werken, onze moeiten en pijnen, onze kruisen. Wij maken van heel ons leven een offerande aan God. I.p.v. de offerdieren uit het O.T. bieden wij God onszelf aan, al wat we zijn, onze liefde en inspanning, onze talenten.

d) Beloften en geloften volbrengen jegens Hem

God eren, betekent ook onze beloften en geloften jegens Hem volbrengen. Als we beloofden een bedevaart te doen om van God iets te verkrijgen, moeten we na gebedsverhoring deze belofte ook volbrengen.

Bidden wij dit tientje voor ons allen, en voor alle gelovigen, opdat hun godsdienstigheid oprecht zou zijn, zonder schijnheiligheid, zonder vrees.

Onze Vader...
Wees gegroet, Maria... (10 X)
Glorie zij de Vader...
O, mijn Jezus,...
Heilige aartsengel Michaël,...

3. De doornenkroning van Jezus

III . “Gij zult geen andere goden naast mij hebben”

- Bijgeloof is een zonde tegen het eerste gebod.
Bijgeloof is een magische kracht toekennen aan bepaalde handelingen, voorwerpen of gebeden, los van de innerlijke gesteltenis die hierbij vereist is. Gebeden, medailles, beeldenverering, e.d. hebben maar zin als men gelooft!
Niet de gewijde medaille beschermt, wel het geloof waarvan de gewijde medaille de uitdrukking is. Naar een wenend beeld gaan zien enkel om tranen te willen zien, zonder dat men zich bekeert, zonder echt geloof en liefde tot God, is bijgeloof.

- Afgoderij is een zonde tegen het eerste gebod.
Onder afgoderij verstaan we oa. het veelgodendom, het vereren van zon, maan, hemellichamen en natuurkrachten. Dit is actueler dan we denken, vooral in de esoterische bewegingen en in de New Age. Men gaat de kosmische krachten en energieën vereren, vergoddelijken. God wordt dan een kracht, een energie, “iets”, niet “Iemand”.

Maar afgoderij bestaat ook in het vergoddelijken van de schepselen, van wat niet God is. Er is sprake van afgodendienst zodra de mens een schepsel vereert in plaats van God.
En dit kan vanalles zijn:
Men kan Satan vereren i.p.v. God; de zgn. satanisten.
Men kan een afgod maken van:
- geld en macht
- het lichaam v/d ander: genotzucht
- eten en drinken
- ras en volk, de staat
- de wetenschap en de sport
- zichzelf
- de natuur
Afgodendienaars zijn we wanneer we de schepselen méér beminnen dan God.

- Waarzeggerij is een zonde tegen het eerste gebod.
God kan aan zijn profeten en heiligen via inspraak of visioenen de toekomst openbaren. We moeten ons echter hoeden voor ongezonde nieuwsgierigheid. Het is niet goed de toekomst proberen te weten te komen door het raadplegen van mensen met inspraken en visioenen. Als de Heer ons een woord geeft, is dat goed. Het moet echter zijn initiatief blijven!
Wij moeten vertrouwen op Gods voorzienigheid.
Zware zonden tegen het eerste gebod zijn:
- een beroep doen op Satan of de duivels om de toekomst te weten te komen.
- het oproepen van geesten van overledenen.
Zonden tegen het eerste gebod zijn tevens:
- raadplegen van horoscopen
- astrologie
- handlezen
- kaartlezen, naar waarzegsters lopen.
- helderziendheid en gebruiken van mediums.
Men moet zich ver houden van alle magie, tovenarij en spiritisme. Het dragen van amuletten is af te keuren.

Bidden wij dit tientje voor de velen die tegenwoordig naar magiërs, wonderdokters, mediums, pendelaars lopen, dat zij in geloof en gebed zouden leren vertrouwen op Gods voorzienigheid.

Onze Vader, ...
Wees gegroet, Maria, ... (10 X)
Glorie zij de Vader, ...
O, mijn Jezus, ...
Heilige Aartsengel Michaël,...

4. Jezus draagt zijn kruis

Men zondigt ook tegen het eerste gebod door God uit te dagen of op de proef te stellen.
bv. Door van God tekens te eisen, in de zin van “als Gij dit niet doet God, dan geloof ik niet meer, of dan doe ik dit of dat niet.”
Het gaat hier om een vorm van twijfel aan Gods liefde, voorzienigheid en aan zijn macht.
God op de proef stellen is ook van Hem verlangen dat Hij zus of zo handelt. God voorschrijven hoe Hij te werk moet gaan.
Men zondigt tegen het eerste gebod door daden van heiligschennis.
Van heiligschennis spreekt men, wanneer iemand de voorwerpen of plaatsen, die aan God zijn toegewijd, ontwijdt of onwaardig behandelt. De heiligschennis is een zware zonde, vooral wanneer ze begaan wordt tegen de Eucharistie, omdat in dit sacrament het Lichaam zelf van Christus werkelijk aanwezig is.

Bidden wij voor de velen die zich schuldig maken aan heiligschennis door te communiceren in staat van doodzonde of door het Lichaam van Christus te ontvangen zonder erin te geloven.
Bidden wij voor allen die deelnemen aan zwarte missen en lid zijn van satanssekten die de H. Eucharistie ontheiligen.


Onze Vader, ...
Wees gegroet, Maria, ... (10 X)
Glorie zij de Vader, ...
O, mijn Jezus, ...
Heilige Aartsengel Michaël,...


5. De kruisdood van Jezus


Tot slot van deze beschouwing over het 1ste gebod, een uittreksel uit de preek van Jezus over het 1ste gebod. (deel 2 van het Epos van de God-Mens, van Maria Valtorta p. 322)

Jezus zegt:

“Ik zeg jullie dat de Vader zijn armen naar jullie uitstrekt als jullie met een rouwmoedig hart en een door tranen gewassen gelaat zeggen:
“Vader, ik heb gezondigd. Ik weet het. Ik verneder mezelf en beken het voor U. Vergeef mij. Uw vergeving zal mijn kracht zijn om terug te keren en het ware leven te leven.”
Vreest niet, voordat jullie uit zwakte zondigden, wist Hij dat jullie zouden zondigen. Maar zijn hart sluit zich alleen af als jullie volharden in de zonde en willen zondigen, en daardoor van een bepaalde zonde of van vele zonden jullie afschuwelijke afgoden maken. Vernietigt elke afgod, maak plaats voor de ware God. Hij zal met zijn heerlijkheid afdalen om jullie hart te wijden, als Hij ziet dat Hij de enige daarin is. Geeft God zijn woonplaats terug. Die is niet in de stenen tempels maar in het hart van de mensen. Reinigt zijn tempel - jullie hart - bevrijdt het binnenste van al het nutteloze of schuldige versiersel. God alleen, alleen Hij. Hij is alles! Het hart van de mens waarin God woont is niets minder dan het Paradijs; het hart van een mens die zijn liefde uitzingt voor zijn goddelijke Gast. Maakt van jullie hart een hemel. Begint nu op aarde reeds aan de samenwoning met de Allerhoogste.”

Bidden wij dat wij de kracht zouden hebben ons hart - onze innerlijke woning - te reinigen van al onze afgodjes, van al wat niet God is, om de allerhoogste God, Vader, Zoon en H.Geest, een waardige verblijfplaats te geven. Zeggen wij: Heer, leer ons U lief te hebben zoals Gij van ons verwacht.


Onze Vader, ...
Wees gegroet, Maria, ... (10 X)
Glorie zij de Vader, ...
O, mijn Jezus, ...
Heilige Aartsengel Michaël,...

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Over de verrijzenis van Jezus Christus (1)
-----------------------------------------------------


Bron: - Katechismus van de Katholieke Kerk (KKK) nrs 638 tot 658
- Het epos van de God-Mens. Deel XII. Maria Valtorta.


1. De verrijzenis van Jezus

De verrijzenis van Jezus is de hoogste waarheid van het christelijk geloof. Jezus is na zijn dood werkelijk verschenen aan z’n leerlingen en aan vele andere mensen, en dezen hebben doorverteld wat ze gezien hebben. Hun getuigenissen zijn dan opgeschreven in de geschriften van het Nieuwe Testament, zodat ook wij, tot op de dag van vandaag het relaas kunnen lezen van deze buitengewone gebeurtenis.
Het eerste waarmee de vrouwen, die Jezus’ lichaam op paasmorgen wilden gaan balsemen, gekonfronteerd werden, was het lege graf. Ook Petrus en Johannes, die, door de vrouwen gealarmeerd, vlug komen kijken, stellen vast dat Jezus’ lichaam niet meer in het graf ligt. Zij zien enkel de zwachtels en doeken die rond Jezus’ lichaam gewikkeld waren.
Het lege graf is op zich geen direct bewijs. Het lichaam van Jezus had gestolen kunnen geweest zijn.
Toch is de ontdekking van het lege graf voor de apostelen een eerste stap geweest naar de erkenning van het feit van de verrijzenis. De vrouwen, o.a. Maria Magdalena, Maria van Alfeüs, Salome e. a. geloofden het vlugst, dan de apostel Johannes, die, zo gauw hij het lege graf zag, begreep dat de afwezigheid van het lichaam van Jezus niet het resultaat van mensenwerk kon geweest zijn en dat Jezus niet eenvoudigweg teruggekeerd was tot een aards leven, zoals in het geval van Lazarus.

--------------

Bidden wij voor de geestelijken, die uitdrukkelijk geroepen zijn om de verrijzenis van Jezus te verkondigen, dat zij mogen genezen worden van hun rationalisme en hun twijfels aan het feit van de verrijzenis van de Heer.

Onze Vader, ...
Wees gegroet, Maria, ... (10 X)
Glorie zij de Vader, ...
O, mijn Jezus, ...
Heilige Aartsengel Michaël,...


2. De hemelvaart van Jezus

De apostelen zijn de verrijzenis van de Heer gaan verkondigen omdat ze de Heer gezien hebben na zijn verrijzenis.
De verschijningen van Jezus zijn dan ook het grootste bewijs van zijn verrijzenis. Merkwaardig is wel dat Jezus het eerst verscheen aan diegenen die vast waren blijven geloven in z’n verrijzenis, tegen alle hoop is: namelijk aan z’n moeder Maria, verder Maria Magdalena. Het was als een beloning voor hun volhardend geloof in de verrijzenis, nog vóór dat zij de verrezen Heer zagen. Het laatst echter is Jezus op de avond van Pasen verschenen aan de 10 apostelen tegelijk (Thomas was afwezig en Judas was dood) en volgens het Evangelie maakte de Heer z’n apostelen een verwijt van hun hardnekkig ongeloof. Om zich te tonen in z’n verheerlijkt lichaam verlangt de Heer dus een groot geloof, ook als we niet zien met onze ogen. Hij zal trouwens tegen Thomas zeggen: “Zalig die niet zien, en toch geloven”.
Zalig zijn wij, als wij ons leven lang blijven geloven dat de Heer verrezen is en werkelijk onder ons verblijft, ook als we Hem niet zien met de ogen van ons lichaam.

--------------

Bidden wij dan om zo’n geloof!

Onze Vader, ...
Wees gegroet, Maria, ... (10 X)
Glorie zij de Vader, ...
O, mijn Jezus, ...
Heilige Aartsengel Michaël,...


3. De nederdaling van de H. Geest

Het geloof van de eerste christenen in de verrijzenis van Jezus is dus gebaseerd op het getuigenis van concrete mensen die de verrezen Heer hebben mogen zien en die enthoesiast zijn gaan vertellen wat ze gezien hadden.
Deze ooggetuigen leefden nog toen de eerste teksten van de evangelies en de brieven van de apostelen geschreven werden. De tijdgenoten van de evangelisten konden dus controleren wat zij schreven over Jezus’ verrijzenis, door navraag te doen bij de ooggetuigen.
Gekonfronteerd met de getuigenissen van de ooggetuigen is het onmogelijk de verrijzenis van Christus niet te erkennen als een historisch feit. Na Goede Vrijdag waren de apostelen trouwens geenszins in staat de verrijzenis en de verschijningsverhalen uit te vinden. Zij zaten in zak en as, bang, laf, als het ware in chocktoestand. Ze hadden zich opgesloten in het cenakel - zo vertellen ons de evangelies - uit angst voor de Joden. De schok die het lijden en de dood van Jezus hadden teweeggebracht was zo groot dat een aantal apostelen het bericht over de verrijzenis zelfs niet onmiddellijk geloofden. De evangelies zeggen dat de apostelen de “beuzelpraat” van de vrouwen niet geloofden, toen die van het lege graf terugkwamen en beweerden engelen gezien te hebben die zeiden dat Jezus verrezen was.
De evangelies laten ons apostelen zien die na Goede Vrijdag allerminst in mystieke vervoering waren. Hun dromen waren stukgeslagen en ze waren blijkbaar Jezus’ voorspellingen over zijn opstanding vergeten.
De weleens gehoorde opmerking dat de verrijzenis van Jezus en zijn verschijningen door de apostelen uitgevonden zouden geweest zijn, is dus ongegrond.
Er moet wel iets ongehoords gebeurd zijn om hen van bange, teneergeslagen mensen te veranderen in enthoesiaste verkondigers die ook nog hun leven zullen geven voor wat ze verkondigen.

------------------

Heer, maak ons tot vurige verkondigers van uw verrijzenis ook als ons dat spot, onbegrip en zelfs vervolging oplevert.


Onze Vader, ...
Wees gegroet, Maria, ... (10 X)
Glorie zij de Vader, ...
O, mijn Jezus, ...
Heilige Aartsengel Michaël,...

4. De tenhemelopneming van Maria

Jezus verschijnt na z’n dood met een echt lichaam, hetzelfde als de apostelen vóór z’n dood gezien hadden, maar nu verheerlijkt, onsterfelijk geworden.
Jezus laat z’n apostelen voelen dat Hij na z’n verrijzenis een echt lichaam heeft. Hij nodigt z’n leerlingen uit Hem aan te raken, en Thomas mag zelfs z’n vinger in het gat van de nagel steken. Petrus zegt ook nog in de Handelingen der Apostelen dat Jezus zelfs met hen gegeten en gedronken heeft nadat Hij uit de doden was opgestaan. Jezus zegt ook uitdrukkelijk dat Hij geen geest of spook is. Door zijn verrijzenis is Jezus’ ziel terug met z’n lichaam verenigd, een lichaam dat weliswaar radikaal omgevormd is in het verheerlijkte lichaam. Er zijn inderdaad een aantal verschillen met Jezus’ lichaam van vóór de verrijzenis. Het verheerlijkte lichaam is niet meer gebonden aan tijd en ruimte. Jezus verschijnt plots in hun midden, omringd door licht. Deuren en muren kunnen Hem niet tegenhouden. Hij kan ook overal tegelijk verschijnen. De verrezen Jezus wordt niet altijd onmiddellijk herkend. Jezus vraagt immers eerst geloof in Hem, ook zonder te zien. Een mens die niet wil geloven in Jezus’ verrijzenis, zal Hem dan ook niet kunnen zien of herkennen.

-----------------

Bidden wij voor de H. Kerk, dat alle christenen zouden beseffen dat het geloof in de verrezen Christus de grondslag is van het Christendom.

Onze Vader, ...
Wees gegroet, Maria, ... (10 X)
Glorie zij de Vader, ...
O, mijn Jezus, ...
Heilige Aartsengel Michaël,...

5. De kroning van Maria in de hemel

De verrijzenis van Jezus bevestigt meteen de waarheid van alles wat Hij tijdens z’n aardse leven gezegd en gedaan heeft. De verrijzenis bewijst vooral dat Hij werkelijk Gods Zoon is en dezelfde goddelijke natuur bezit als de Vader en de H. Geest.
Nooit is iemand door eigen kracht uit de doden opgestaan dan Jezus Christus. De verrijzenis van Jezus is ook de vervulling van alle profetieën en beloften van het Oude Testament. Dit betekent immers de uitdrukking van het Credo: ”Hij is verrezen op de derde dag, volgens de Schriften”. Hiermee wordt bedoeld dat de verrijzenis van Jezus alle voorspellingen van de H. Schrift in vervulling doet gaan.
De gevolgen van de verrijzenis van Jezus voor de mensheid, zijn enorm:
- Elk mens - die dit wil natuurlijk - wordt in het doopsel bevrijd van de erfzonde en van persoonlijke zonden (in het geval van een volwassenendoopsel).
- Ten gevolge hiervan verkrijgt de mens de heiligmakende genade, d.i. de inwoning, de aanwezigheid van de H. Drievuldigheid. Deze verliest de mens enkel wanneer hij opnieuw in doodzonde zou vallen.
- Door dit inwonen van de Drieëenheid wordt de mens tot kind van God, opgenomen in het “goddelijke gezin” van Vader, Zoon, H. Geest. Jezus is dan als het ware onze grote broer. Hij noemt ons na z’n verrijzenis trouwens “mijn broeders”.
- Tenslotte is de verrijzenis van de Heer het model van wat ons te wachten staat na onze dood: de verrijzenis van ons lichaam. En dit gebeurt bij ons wel langs de omweg van de ontbinding van ons lichaam. Onze aardse lichamen zijn immers getekend door de gevolgen van de erfzonde, nl. de sterfelijkheid. Maar eens zal onze ziel opnieuw verenigd worden met een nieuw, onsterfelijk lichaam.
- Door de verrijzenis van Jezus is ons de toegang tot de hemel ontsloten.

---------------

Bidden wij dan dat de Heer ons eens de genade van de verrijzenis waardig keurt!


Onze Vader, ...
Wees gegroet, Maria, ... (10 X)
Glorie zij de Vader, ...
O, mijn Jezus, ...
Heilige Aartsengel Michaël,...

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Over de verrijzenis van het lichaam (1)
-------------------------------------------------


Bron : “Un souffle qui passe - messages du ciel au monde d’aujourd’hui” Tome II.
Boodschap van 5 november 1987

1. De verrijzenis van de Heer Jezus.


In de geloofsbelijdenis bidden wij : “Ik geloof in de verrijzenis van het lichaam”. Deze hangt onlosmakelijk samen met de verrijzenis van de Heer op Pasen. Dat onze ziel verder leeft na de dood geloven zowat alle grote godsdiensten. Dat echter de ziel eens terug met het verheerlijkte lichaam zal verenigd worden, geloven alleen de Christenen. Zij zien in de opstanding van de Heer op Pasen een gegrond argument voor hun hoop op de opstanding van het eigen lichaam. Toch wordt de verrijzenis van het lichaam heden ten dage door zeer vele Christenen ontkend. Is dit verwonderlijk als men bedenkt dat men ook niet meer gelooft in de verrijzenis van Christus? Daarom moeten wij met nadruk getuigenis afleggen van dit grote mysterie van ons geloof. Het kon niet zijn dat het aardse lichaam van de Zoon van God aan verrotting in de aarde werd prijsgegeven. De ontbinding van het lichaam is immers een gevolg van de erfzonde die onze Heer niet kende. Het verminkte lichaam van de Heer is op Pasen, op een voor ons mysterievolle wijze omgevormd in een verheerlijkt lichaam, stralend van schoonheid en volmaaktheid. Zo heeft de Heer zich getoond aan zijn leerlingen.
De apostel Paulus zegt : “Zoals wij met Christus gestorven zijn, zullen ook wij met Hem eens verrijzen.” Onze ziel zal eens met ons herschapen lichaam herenigd worden, ook al moet ons aardse lichaam wel ontbonden worden in de aarde. Is voor God dan iets te moeilijk? Kan Hij die ons aardse lichaam geschapen heeft het misschien niet herscheppen in een onvergankelijk, volmaakt en hemels lichaam?

----------------


Bidden wij dat wij vurige verkondigers zouden zijn van de verrijzenis van Christus.

Onze Vader, ...
Wees gegroet, Maria, ... (10 X)
Glorie zij de Vader, ...
O, mijn Jezus, ...
Heilige Aartsengel Michaël,...

2. De hemelvaart van de Heer

Wat nu volgt is de boodschap die de Fransman Philippe X. op 5 november 1987 ontvangen heeft van de heiligen in de hemel. De originele tekst staat in “Un souffle qui passe - messages du ciel au monde d’aujourd’hui” Tome II.

“Dierbare broeders en zusters! Hoeveel vragen stellen jullie je nog met betrekking tot de dood en de verrijzenis van het lichaam! Wees niet ongerust want het is de volle waarheid dat jullie zullen verrijzen. Wij zullen jullie nu vertellen hoe. Indien jullie lichaam onbederfelijk zou zijn zoals dat van Jezus of dat van zijn eerbiedwaardige Moeder, de allerheiligste Maagd Maria, die zich nooit door de zonde heeft laten bevlekken, dan zou jullie lichaam bij jullie dood onmiddellijk gelijkvormig worden aan het verheerlijkte lichaam van Christus. Welnu, jammer genoeg is het zo niet want jullie aardse lichaam is getekend door de zonde en jullie zullen je aardse lichaam moeten verlaten, ondanks jullie weerzin hiervoor.
De apostel Paulus zegt in z’n 2de brief aan de Korintiërs : “Wij die nog in deze tent wonen, zuchten en voelen ons bezwaard, omdat wij het nieuwe kleed zouden willen aantrekken, zonder het oude af te leggen, dan zou dit sterfelijke meteen worden opgeslokt door onsterfelijk leven.” (2 Kor 5,4)
Nochtans zegt dezelfde apostel in zijn eerste brief aan de Korintiërs : “Vlees en bloed hebben geen deel aan het koninkrijk van God” (1Kor 15,50). Jullie stoffelijk omhulsel zal dus naar de aarde terugkeren om er tot ontbinding over te gaan. Wanneer er dus sprake is van de “verrijzenis van het lichaam”, moet het dus duidelijk zijn dat het niet kan gaan om jullie sterfelijke lichaam van vlees en bloed.”

-------------------


Bidden wij voor hen die treuren om hun doden, en het lichaam van hun dierbaren aan de aarde hebben toevertrouwd, dat in hen de hoop levend blijve op een weerzien van de dierbare afgestorvene, bekleed dan met zijn verrijzenis-lichaam.

Onze Vader, ...
Wees gegroet, Maria, ... (10 X)
Glorie zij de Vader, ...
O, mijn Jezus, ...
Heilige Aartsengel Michaël,...



3. De nederdaling van de Heilige Geest


“Wanneer de mens de drempel van de eeuwigheid overschrijdt, is hij dus niet langer omkleed met z’n stoffelijk omhulsel. Paulus zegt in z’n 2de brief aan de Korintiërs : “Wij gaan tenonder naar de uitwendige mens” (2 Kor 4,16).
De “inwendige mens” leeft echter voort. Hij ontdoet zich van het aardse kleed dat zijn lichaam is, maar hij behoudt er wel de uiterlijke trekken van, van onstoffelijke aard dan. Dit onstoffelijk omhulsel, als we het zo mogen zeggen, heeft zijn definitieve, verheerlijkte vorm echter nog niet bereikt.
Vrij van banden met het aardse lichaam moet de “inwendige mens”, ook “ ziel” genoemd, zich eerst zuiveren van alle onvolkomenheden die de ziel heeft opgelopen toen ze nog in het lichaam woonde. Dan pas kan de mens de hemel binnengaan. “Want allen moeten wij voor Christus’ rechterstoel verschijnen, opdat ieder het loon ontvangt voor wat hij in dit leven heeft gedaan, goed of kwaad”, zegt Paulus (2 Kor 5,10).
Deze werkelijke bewustwording van zijn fouten tot in het kleinste detail, in het licht van de waarheid doet in de mens een groot verlangen naar uitboeting ontstaan. Zoals wij het jullie reeds hebben uitgelegd in een vorige boodschap, gaat dit niet zonder groot lijden. Maar dit lijden wordt door de ziel tenvolle aanvaard omdat ze weet dat aan het einde van haar kruisweg Gods licht op haar wacht.
Zoals onder het effect van een geneesmiddel dat zieke cellen geneest, zo bereidt het onstoffelijke omhulsel van de berouwvolle ziel zich beetje bij beetje voor om het Licht volledig te ontvangen. Naarmate het genadevuur haar onvolkomenheden verteert, brandt de ziel van een steeds groter verlangen om Gods hemel binnen te gaan.”

---------------

Bidden wij voor alle zielen die zich nog in het vagevuur bevinden, dat voor hen spoedig het ogenblik aanbreke dat zij de hemel mogen binnengaan.


Onze Vader, ...
Wees gegroet, Maria, ... (10 X)
Glorie zij de Vader, ...
O, mijn Jezus, ...
Heilige Aartsengel Michaël,...

4. De tenhemelopneming van Maria

“Wanneer dan het laatste spoor van de zonde verdwenen is en wanneer de ziel zich totaal in God wil verliezen en zij nederig erkent dat de eeuwigheid niet zou volstaan om al haar fouten en gebreken goed te maken, en dat het in de eerste plaats door de verdiensten van Jezus Christus is dat zij haar heil verwerft, dan heeft er een soort lichtuitbarsting plaats. Zoals bij een chemische reactie wordt het onstoffelijk omhulsel van de ziel plots doordrongen van licht en wordt een verheerlijkt lichaam. Het lijden dat veroorzaakt werd door de scheiding van lichaam en ziel, bij de dood, verdwijnt:
God doet de mens volledig verrijzen om hem in zijn koninkrijk te ontvangen. In de hemel wordt de mens volkomen in Gods volmaaktheid. Hij bestaat uit z’n ziel en z’n verheerlijkt lichaam. Paulus schrijft in de 1ste brief aan de Korintiërs: “En gelijk wij het beeld van de aardse mens hebben gedragen, zo zullen wij (in de eeuwigheid) ook het beeld dragen van de hemelse mens.” (1 Kor 15,49)
Men moet echter niet denken dat dit “nieuwe” lichaam voor de mens een last zou zijn, daar dit verheerlijkte lichaam vierdimensioneel is, de lichtheid van een pluim heeft, de snelheid van de wind, de onkwetsbaarheid van een rots en nog veel andere kwaliteiten die jullie beperkte zintuigen jullie nu nog niet toelaten van te begrijpen.”

---------------

Bidden wij dat God nooit zou toelaten dat de hoop op eeuwig leven en op de verrijzenis van het lichaam uit ons hart zou verdwijnen.

Onze Vader, ...
Wees gegroet, Maria, ... (10 X)
Glorie zij de Vader, ...
O, mijn Jezus, ...
Heilige Aartsengel Michaël,...


5. De kroning van Maria in de hemel


“In de hemel ervaart de mens Gods liefde zo intens dat hij zich in een totale vrede bevindt, terwijl men nochtans op de hoogte blijft van het leven van familieleden en vrienden die nog op aarde verblijven en men bedroeft kan zijn om hun zonden.
Maar in plaats van een negatieve droefheid zoals zovele mensen op aarde deze ervaren, vermengt deze treurnis om de zonden der mensen op aarde zich met een immense liefde voor hen, die tot God opstijgt om zijn erbarmen en vergeving af te smeken in vurig gebed....
Aldus kunnen zij die in de hemel zijn en zelfs diegenen die nog in het vagevuur zijn voor jullie bij God op doeltreffende wijze ten beste spreken.
God blijft evenwel nog een ondoorgrondelijk mysterie in de eerste verblijven van de hemel, zo verblindend blijft zijn onbeschrijfelijk licht en zo ontzagwekkend z’n onmeetbare liefde.
Nochtans is Hij aanwezig en elkeen is er zich bewust van te leven vanuit Hem en door Hem en te schitteren in zijn licht, in zijn liefde te delen en niet buiten God te kunnen leven. Ach broeders en zusters, indien jullie de heerlijkheden zouden zien die God voor zijn uitverkorenen bereidt, hoe zouden jullie onmiddellijk aan het werk gaan om eens de hemel te beërven! God zij in eeuwigheid geprezen voor zijn goedheid!”

--------------

Bidden wij om de genade van vele bekeringen, overal ter wereld, en voor onszelf om de genade der volharding in het geloof.

Onze Vader, ...
Wees gegroet, Maria, ... (10 X)
Glorie zij de Vader, ...
O, mijn Jezus, ...
Heilige Aartsengel Michaël,...