Leerdoelen
Examen 1
Examen 2
Aec
Bec
|
|
Examen 2
Algemene economie
De overheid als producent,
inkomensverdeler en regulator
Wat moeten jullie kennen?
1.
Een correcte en volledige omschrijving van de begrippen: overheid, collectieve
behoeften, collectieve goederen en diensten, zuiver collectieve goederen en
diensten, quasi-collectieve goederen en diensten, vrije markteconomie, RSZ,
begroting, begrotingscontrole, begrotingsjaar, Zilverfonds, primaire uitgaven,
directe belastingen, indirecte belastingen, personenbelasting,
vennootschapsbelasting, rechtspersonenbelasting, belasting der niet-verblijfhouders, verkeersbelastingen, BTW, successierechten,
registratierechten, invoerrechten, accijnzen, zegelrechten, parafiscale ontvangsten, lopende ontvangsten en uitgaven,
kapitaalontvangsten en –uitgaven, begrotingsevenwicht, begrotingssaldo, netto te
financieren saldo,
bruto te financieren saldo, primair saldo, overheidsschuld, rentesneeuwbal.
2.
De taken van de overheid in de samenleving.
3.
De huidige federale en Vlaamse Minister verantwoordelijk voor economische zaken, begroting, financiën
en arbeid en tewerkstelling.
4.
Voorbeelden van collectieve behoeften.
5.
Voorbeelden van zuiver
collectieve goederen en diensten, quasi-collectieve goederen en diensten.
6.
Het verschil tussen zuiver collectieve goederen en diensten en quasi-collectieve goederen en diensten.
7.
Het verschil tussen zuiver collectieve goederen
en diensten en private goederen en diensten.
8.
Het verschil tussen quasi-collectieve goederen en diensten en private goederen en diensten.
9.
De indirecte en de directe manieren om te zorgen voor een rechtvaardige inkomensverdeling.
10.
De sectoren van de sociale zekerheid waarvoor de werknemers bijdragen moeten
betalen.
11.
De sectoren van de sociale zekerheid waarvoor de werkgevers bijdragen moeten
betalen.
12.
De macro-economische uitgangspunten van de regering bij het
opmaken van de begroting.
13.
De gevolgen van een wijziging van die
macro-economische factoren op de overheidsuitgaven en –ontvangsten.
14.
De Maastrichtnormen inzake overheidsbegroting en overheidsschuld.
15.
De grootte van de Belgische overheidsschuld in % van het BBP.
16.
De drie grootste uitgavenposten in de federale begroting.
17.
De drie grootste uitgavenposten in de Vlaamse begroting.
18.
De taak van de Minister van Begroting.
19.
De inkomstenbronnen van het Zilverfonds.
20.
Het chronologisch verloop van de begrotingsopmaak en –controle.
21.
De indeling van de overheidsinkomsten.
22.
De indeling van de directe belastingen.
23.
De indeling van de inkomstenbelastingen.
24.
De indeling van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen.
25.
Voorbeelden van indirecte belastingen.
26.
Het verschil tussen directe en indirecte belastingen.
27.
Het verschil tussen belastingvlucht of –ontwijking en belastingontduiking
aantonen aan de hand van een voorbeeld.
28.
De grafische voorstelling van de Laffercurve.
29.
Voorbeelden van niet-fiscale ontvangsten.
30.
Het verschil tussen lopende en kapitaalontvangsten.
31.
Het verschil tussen lopende uitgaven en kapitaaluitgaven.
32.
Voorbeelden van lopende uitgaven en ontvangsten, van kapitaaluitgaven en
-ontvangsten.
33.
De elementen nodig om het begrotingssaldo te berekenen.
34.
De elementen nodig om te komen tot het netto te financieren saldo.
35.
De elementen nodig om te komen tot het bruto te financieren saldo.
36.
De elementen nodig om te komen tot het primair saldo.
37.
De manieren waarop de overheidsschuld wordt gefinancierd.
38.
De belangrijkste oorzaken van de huidige overheidsschuld.
Wat moeten
jullie kunnen?
1.
Het
verloop van de Laffercurve interpreteren.
2.
Het
verband dat de Laffercurve weergeeft formuleren.
3.
Arthur
Laffer situeren in de tijd en volgens economische school.
4.
Zeer
beknopt het gedachtegoed van deze economische school weergeven
5.
Collectieve behoeften
herkennen.
6.
Zuivere en quasi collectieve goederen en diensten herkennen.
7.
Tegenover een collectieve behoefte de bijhorende collectieve goederen of diensten plaatsen.
8.
Het
begrotingssaldo berekenen.
9.
Het
netto te financieren saldo berekenen.
10.
Het
bruto te financieren saldo berekenen.
11.
Het
primair saldo berekenen.
12.
Een
evolutie schetsen van de overheidsschuld sinds WO II.
13.
De
oorzaken van de overheidsschuld verduidelijken.
14.
Het
verschil tussen de keynesiaanse en de klassieke benadering van de overheidsschuld verduidelijken.
Begin bladzijde
Tewerkstellingspolitiek
Wat moeten jullie kennen?
1.
Een correcte en volledige omschrijving van de begrippen: onvrijwillige
werkloosheid, uitkeringsgerechtigde volledig werkloze, verplicht ingeschreven
niet-werkende werkzoekende, vrij ingeschreven niet-werkende werkzoekenden,
tijdelijke werkloze, oudere werkloze, deeltijds werkloze, loopbaanonderbeker, bruggepensioneerde, werkloze
in beroepsopleiding, verborgen werkloosheid, werkloosheidsgraad,
frictiewerkloosheid, seizoenwerkloosheid, technische werkloosheid, vrijwillige
werkloosheid, onderbesteding, productiecapaciteit
2.
De voorwaarden waaraan men moet voldoen om
beschouwd te worden als werkloze.
3.
De categorieën van werklozen die
geen deel uitmaken van de statistieken in België.
4.
De categorieën van werklozen die
wel en geen uitkering ontvangen.
5.
Voorbeelden van verborgen
werklozen.
6.
De indeling van de werkloosheid
naar oorzaak.
7.
Het verschil tussen conjuncturele
en structurele werkloosheid.
8.
De oorzaken van structurele
werkloosheid.
9.
De oorzaken van conjuncturele
werkloosheid.
10.
De middelen waarmee de overheid de
structurele en conjuncturele werkloosheid kan bestrijden.
11.
De aanbevelingen vanwege de OESO
en Europa inzake werkgelegenheidsbeleid.
12.
Een concrete
werkgelegenheidsmaatregel per specifieke zwakke groep, vanwege de federale
overheid.
Wat moeten
jullie kunnen?
1.
Statistische gegevens i.v.m. de
begroting, de overheidsschuld en de werkloosheid interpreteren en analyseren.
2.
De werkloosheid bepalen in een
grafiek met vraag- en aanbodcurve.
3.
De werkloosheid bepalen in een
grafiek met curven i.v.m. de beroepsbevolking en werkgelegenheid.
4.
De evolutie van de werkloosheid
schetsen sinds 1974.
5.
Een gegeven werkloosheidsgraad
interpreteren.
6.
De oorzaken van structurele werkloosheid verduidelijken.
7.
Het verband tussen conjuncturele
werkloosheid en de bezettingsgraad bij de ondernemingen uitleggen.
8.
Op basis van een gegeven voorbeeld of tekst
structurele werkloosheid, conjuncturele werkloosheid, frictiewerkloosheid,
seizoenwerkloosheid, technische werkloosheid en vrijwillige werkloosheid
herkennen.
9.
De reden waarom een bepaalde
manier doeltreffend is voor de bestrijding van de conjuncturele en structurele
werkloosheid verduidelijken.
10.
Het werkgelegenheidsbeleid in
België verduidelijken.
11.
Het verschil tussen het Zweeds
model inzake werkgelegenheidsbeleid en de Belgische aanpak van de werkloosheid
verduidelijken.
Begin bladzijde
Monetaire en prijspolitiek
Wat moeten jullie kennen?
1.
Een correcte en volledige
omschrijving van de begrippen:
eurozone, eurosysteem, ECB, centrale bank, chartaal geld, giraalgeld, EMU, quasi-geld, geldhoeveelheid M1, M2, M3,
geldschepping, geldvernietiging, geldsubstitutie, repo-overeenkomst, deviezenswaps, tender, Lombardrente,
depositorente, inflatie, deflatie, sluipende of
kruipende inflatie, dravende of galopperende inflatie, hyperinflatie,
monetaire inflatie, vraaginflatie, bestedingsinflatie, demand pull inflation,
kosteninflatie, cost push inflation; importinflatie, stagflatie, inflatoire
spiraal, lonen-prijzenspiraal, loonindexering, gezondheidsindexcijfer, na-indexering,
spilindexcijfer, reële intrest.
2.
De instelling verantwoordelijk voor het monetair beleid.
3.
Het verband tussen de geldschepping en de geldhoeveelheid.
4.
De
ruilvergelijking van Fisher.
5.
De prioritaire en de bijkomende doelstelling van de monetaire politiek
door de ECB.
6.
De twee pijlers waarop de strategie berust bij het nastreven van prijsstabiliteit.
7.
De invloed van een rentewijziging op de groei van de geldhoeveelheid,
de inflatie en de wisselkoers.
8.
De verschillende taken van de NBB.
9.
De
werking van de permanente faciliteiten.
10.
De werking van de reservecoëfficiënt.
11.
De
verschillende oorzaken van inflatie.
12.
De
gevolgen van inflatie.
Wat moeten jullie kunnen?
1.
Verduidelijken
wat onder prijsstabiliteit in de eurozone wordt verstaan.
2.
De twee pijlers waarop de strategie berust bij het nastreven van prijsstabiliteit verduidelijken.
3.
De gevolgen van een stijgende of dalende wisselkoers op de inflatie verduidelijken.
4.
De
organen van de ECB opnoemen en hun samenstelling bepalen.
5.
Het verschil tussen het Eurosysteem en de ESCB verduidelijken.
6.
De
invloed van een wijziging van de kasreservecoëfficiënt op de geldhoeveelheid
beredeneren.
7.
De
invloed van een wijziging van de kasreservecoëfficiënt op de geldmultiplicator
beredeneren.
8.
Toepassingen op de geldschepping, -vernietiging en –substitutie maken.
9.
De formule voor de berekening van de geldmultiplicator, de maximale geldhoeveelheid en de geldaangroei kennen en
hierop toepassingen maken.
10.
De
inflatie indelen naar intensiteit.
11.
Het verband tussen de ruilvergelijking van Fisher en inflatie leggen.
12.
Voorbeelden uit het verleden geven m.b.t. inflatie.
13.
De
verschillende oorzaken van inflatie verduidelijken.
14.
De
gevolgen van inflatie verduidelijken.
Begin bladzijde
Inkomenspolitiek
Wat moeten jullie kennen?
1.
Een correcte en
volledige omschrijving van de begrippen:
personele inkomensverdeling, Lorenz-curve.
Wat moeten jullie kunnen?
1.
Een Lorenz-curve tekenen en het verband met de inkomensongelijkheid kunnen verduidelijken.
Begin bladzijde
Internationaal betalingsverkeer
Wat moeten jullie kennen?
1.
Een correcte
en volledige omschrijving van de begrippen:
betalingsbalans, handelsbalans, valuta, deviezen,
wisselmarkt, wisselkoers, vaste en vlottende wisselkoers.
2.
De
deelbalansen van de betalingsbalans.
3.
Oorzaken en gevolgen van een onevenwichtige betalingsbalans.
4.
De
munteenheid van enkele belangrijke landen.
5.
De vragers en aanbieders van vreemde valuta.
6.
Factoren die de hoogte van de wisselkoers bepalen.
7.
De oorzaken van een verschuiving van de vraag naar en het aanbod van vreemde valuta.
8.
De rol van de EMU.
9.
De convergentiecriteria.
10.
Oorzaken van de internationale handel.
Wat moeten jullie kunnen?
1.
Een betalingsbalans herkennen.
2.
Voorbeelden geven van verrichtingen die tot de verschillende deelbalansen behoren.
3.
De deelbalansen salderen en de betekenis van het saldo verklaren.
4.
Toepassingen op de betalingsbalans maken.
5.
De
verschillende betalingsbalansevenwichten bespreken.
6.
Oorzaken en gevolgen van een onevenwichtige betalingsbalans verduidelijken.
7.
Een wisselkoers berekenen.
8.
De
invloed van een prijswijziging van de vreemde munt op de aangeboden en
gevraagde hoeveelheid vreemde valuta aantonen.
9.
De
prijsvorming op de wisselmarkt grafisch voorstellen en toelichten.
10.
De
oorzaken van een verschuiving van de vraag naar en het aanbod van vreemde
valuta grafisch voorstellen en de gevolgen op de hoogte van de wisselkoers
kunnen aantonen.
11.
De
werking van een systeem van vaste en vrije wisselkoersen verduidelijken door middel van een grafische voorstelling.
Begin bladzijde
Internationaal handelsverkeer
Wat moeten
jullie kennen?
1.
De begrippen:
dekkingscoëfficiënt, ruilvoet, openheidscoëfficiënt, protectionisme.
2.
De verschillende vormen van protectionisme.
3.
De economische integratievormen.
4.
De verschillende internationale economische organisaties.
Wat moeten
jullie kunnen?
1.
Het belang, de samenstelling en de geografische spreiding van de BLEU-handel bespreken.
2.
De oorzaken van de internationale handel bespreken.
3.
De verschillende ratio's i.v.m. de buitenlandse handel van de BLEU berekenen.
Begin bladzijde
|