No moleste,por favor 

 

Daar zit ik dan, negenduizend meter boven de aardkorst, in een nokvol vliegtuig met als bestemming Cuba. En in mijn hoofd flippert slechts één hardnekkig luide gedachte: waaraan ben ik begonnen waaraan ben ik begonnen waaraan ben ik begonnen ?

 

Het zou mijn eerste reis alleen worden, en in plaats van op veilig te spelen met een tubacursus in Tirol of kamperen in het Zwarte Woud of desnoods met een geesteloze braadvakantie in Benidorm, had ik mijn zinnen gezet op Havana. Het moest en zou Havana worden. Nu is het geen alledaags zicht, een jonge, alleenreizende, Europese vrouw in Havana. Op het reisbureau was men me dat echter 'vergeten' te vertellen. Zoals de reisagentes ook zo vriendelijk waren geweest om me er niet van op de hoogte te brengen dat Cubanen een zesde zintuig bezitten voor het op afstand detecteren van alleenreizende vrouwelijke toeristen, en dat ze vervolgens hemel en hel bewegen om de eenzaamheid van dergelijke zielepoten te lenigen. Op voorwaarde natuurlijk dat die zielepoten bereid zijn enkele felbegeerde dollars neer te tellen voor het aangename gezelschap van de zich aandienende Cubaan.

 

"Lucha" heet het, de geheime jacht op dollars. Voor de meeste Cubanen blijkt het de enige manier om te overleven in de fluwelen dictatuur van Fidel Castro. Met zwart werk, drugssmokkel, louche deals op straat, allerhande klusjes, en het benaderen van toeristen, slagen ze erin een loon bijeen te schrapen dat hun maandloon van gemiddeld 10 dollar en enkele rantsoenbonnen, aanvult tot een inkomen waarmee ze het min of meer kunnen rooien. En dan moeten ze nog geluk hebben dat de bouwval waarin ze wonen niet ineenzakt. Kortom: je zou als Cubaan voor minder aan de Prozac gaan. Maar nee hoor. Cubanen bezitten, volgens alle reisgidsen, een "eeuwige glimlach", levenslust, humor en hoop. Psychiaters komen er nauwelijks aan de bak. Hoe viel dat met mekaar te rijmen? Ik kon het niet bevatten. Cuba leek me een land vol bizarre tegenstrijdigheden. "Als je geluk hebt kom je ervan af met een indigestie, een zonneslag en een rumverslaving," hadden sommige kennissen me voorspeld. Anderen die het goed met me voorhadden hielden het op "gestolen bagage, verkrachting, en mogelijkerwijs vermoord worden door communisten die me voor een spion van het Westerse kapitalisme zouden houden."

 

Het zag er allemaal veelbelovend uit. Ik kon niet wachten om mijn vreselijke lot te ontmoeten in de bruisende hoofdstad van het grootste Caribische eiland. Wanneer de bus zijn deuren opent in het historische centrum van Havana, is de eerste vraag die in me opkomt : "Jezus, wie heeft hier vergeten door te spoelen?" Havana ruikt naar Gent centrum, de eerste dag na de Gentse Feesten. Urine, zweet, verschaalde resten van vanalles en nog wat, riolering, en daar doorheen de voor Havana kenmerkende geur van brandstof en uitlaatgassen. Shit, denk ik, neusknijper vergeten. Op de zonovergoten Prado zie ik niemand die, zoals ik, fervente pogingen doet om de indringende zuurheid weg te hoesten. Vijf minuten kuchen en een bloedrode kop later, geef ik het op, hopend dat ik mettertijd aan de stank zal gewennen. Toeterende Mercury's, Chevrolets en Cadillacs uit de jaren waarin een vetkuif bon ton was, paraderen langs de charmante Spaans koloniale huizen die allen aan een ernstige huidziekte lijden en in hun voegen kraken. Op de met smeedijzeren balustrades afgewerkte balkons, hangt de was in de razende zon te drogen. Pastelkleuren alom. Je waant je in een film uit 1959.

 

Bijna honderd meter ver ben ik gestapt, wanneer de eerste Cubaan me benadert met "Where are you from, nice lady ?" De goedgeklede jongeman wil me dolgraag helpen bij het kopen van een flesje water. Hij lijkt mijn intellectuele capaciteiten niet hoog in te schatten. "En vanavond kunnen we samen uitgaan, in welk hotel verblijf je ? Ik zal op je wachten rond zeven uur." Ik zucht, wil uitleggen dat ik zijn bedoeling begrijp, dat ik besef dat hij het moeilijk heeft en op dollarjacht is om te overleven, maar uiteindelijk dis ik gewoon het zinnetje op dat me in Havana het vaakst van pas zou komen : "No moleste, por favor." Al na één dag Havana ben ik ervan overtuigd dat een toeristenwinkeltje waar T-shirts met een NO MOLESTE POR FAVOR-opschrift verkocht worden, een gigantisch succes zou zijn.

 

De Oude Stad die in haar geheel beschermd is als werelderfgoed, kan ik niet beter beschrijven dan als een innemende krottenwijk. Wat eens het bordeel van Amerika was met mythische bars, chique optrekken waar de Yanks hun lusten botvierden, is nu een vervallen blok huizen waar, in de aarden steegjes, luie honden liggen te maffen, waar Cubanen de motor van hun helblauwe Lada's voor de tweeëndertigste keer leven trachten in te blazen, en waar hier en daar mannen tussen brokstukken krabben, op zoek naar bruikbare resten afval. Men leeft er op de drempel en op straat. Binnenshuis is er weinig te beleven, behalve dan de televisie-soaps die iedereen met grote aandacht volgt. Ook Luis en zijn vrouw zijn er gek op. Het tweetal spreekt me aan op het Kathedraalplein, vlak voor het museum van koloniale kunst. "Ik werk in een sigarenfabriek," vertelt Luis in krakemikkig Engels. Op zijn arm zit Luis junior te duimzuigen. "You tourist? Kom mee naar mi casa. Me sell cheap sigars." Juist, sigaren. De befaamde Cohiba's en Montechristo's. Uitmuntende smaak volgens kenners. Ik besluit Luis te volgen. Het gezin leidt me naar een smerige, troosteloze woning waarin ze met z'n drieën een appartementje betrekken waarin een dwerg nog claustrofobisch zou worden. We vegen onze voeten aan een stuk karton dat in de deuropening ligt. In de leefkamer staan twee schommelstoelen, een salontafeltje en -centraal opgesteld- het televisietoestel. Terwijl Luis Junior de sterkte van de ritsen van mijn rugzak uittest, zet Luis' vrouw ons een kopje koffie. Luis zelf verschijnt met een grote doos sigaren en wil me enkele van die bruine stokken verkopen voor 100 dollar. Ik lach zijn aanbod weg. Na enig onderhandelen krijg ik vier sigaren voor een schappelijke prijs. Of het echte Cohiba's zijn zal ik wel nooit te weten komen. Het kopje koffie dat me in de handen wordt gedrukt blijkt een gesuikerd goedje waar je een hartpatiënt mee kan naar de andere wereld helpen en dat tunnels boort in de maagwand. "Hm, lekker," doe ik toch een poging. Luis leunt achterover in zijn schommelstoel. "Nodig je ons uit naar je hotel ?" vraagt hij. "En ga je mee dansen vanavond ?" Ik glimlach. "Nee, toch maar niet, ik heb andere plannen." Luis lacht verontwaardigd. "In Belgium you work, in Havana you bailar (dansen)," is zijn snelle repliek. Ik doe nog een poging om met hem te praten over hoe moeilijk het is te overleven in Havana, maar al mijn vragen ketsen af op : "No problemas in Cuba. Cuba very good. " Ik begrijp de boodschap. "Dan ga ik maar," zeg ik, m 'n hand uitstekend. Luis Junior geeft me op papa's bevel nog een kusje. In de zoemende lift naar beneden zegt niemand een woord. Luis' vrouw drukt de hand van haar man en kijkt hem opgelucht aan.

 

's Nachts wordt de stad met de duizend zuilen pas echt wakker. Són en salsa schallen uit alle huizen. Op straat worden de heupen gesmeerd op deuntjes van Compay Segundo en de Afro Cuban All Stars. De kelen worden geolied met ijsjes en refresco's, en de bongo's betrommeld dat het een lieve lust is. Schaars geklede meisjes pronken langs troepjes kijkgrage, stoere Cubaanse jongens. De meisjes die er stuk voor stuk uitzien als Miss World, houden halt voor de grote hotels en lonken naar oudere, Europese mannen die op het hotelterras een Mojito achteroverslaan. Kapsters, studentes, leraressen; allen gebruiken ze hun lichaam om dollars te verkrijgen van bemiddelde toeristen. "Je moet goed gek zijn om hier te studeren voor dokter of leraar," vertrouwt Juan Carlos me toe. Hij werkt in een kinderhospitaal en heeft net van zijn baas gehoord dat er vandaag geen eten is voor hem. "In de privé-sector kan je tenminste toch iéts verdienen. De overheid betaalt echter een peulenschil, en dan nog in peso's, terwijl alles hier in dollars moet betaald worden. Net daarom zijn wij hoopvol als we een toerist zien. Een toerist betekent eten." Na veertien jaar in New York te hebben verbleven, bevalt de dagelijkse struggle for life hem in Havana elke dag minder. "Ik zou er alles voor doen om hier weg te geraken. Sinds ik hiernaartoe ben gekomen omdat mijn moeder stervende was, gaat er geen dag voorbij dat ik niet terugdenk aan mijn leven in New York." Dezelfde hoop om ooit uit Cuba weg te geraken, hoor ik uit de mond van Juan Gomez, een twintiger die me aanspreekt met de woorden: "Hello. I can see you are good woman, you a right woman." Het is al laat op de dag, ik ben moe en heb geen zin om te praten. Juan lijkt echter immuun voor mijn 'no moleste por favor'-salvo. "Ik wil geen geld, niet bang zijn van mij," blijft hij aanklampen. En terwijl we op de hoek van een straat praten over zijn wilde toekomstplannen, houdt een politieagente halt naast Juan en vraagt hem zijn paspoort. Juan blijft er merkwaardig kalm onder. "Ach ja, de politie wil niet dat wij met toeristen praten," zegt hij samenzweerderig. "Als je gewoon zegt dat ik een vriend van je ben, laat ze ons wel met rust. Want wat God samen heeft gebracht, zal geen politieagent kunnen scheiden, toch? "You a right woman, me a right man. Hm ?" Voor ik Juan kan afschepen met "did I mention I'm a lesbian and a satanist ?" vraagt de politieagente hoelang ik Juan al ken. "Een poosje," antwoord ik. "Voor één keer zie ik dit door de vingers," spreekt ze Juan streng toe. "De volgende keer kom je mee naar het politiekantoor." Juan haalt zijn schouders op en schudt de waarschuwing van de agente van zich af. "Let's keep the communication," zegt hij, als we afscheid nemen. "Oké. Do you have email ?" vraag ik, en terwijl ik de woorden uitspreek besef ik hoe stom mijn vraag wel is. "Email ?" fronst Juan. "What is that ?" "Never mind," zeg ik en geef hem mijn woonadres. "You can just write me a letter." En ja hoor. Een maand na mijn thuiskomst zou er een brief van hem in mijn brievenbus liggen. "I love you, baby, when are you coming back ?" staat erin geschreven. En ook: "You and me are right for each other." In een klein doorzichtig zakje heeft hij er tientallen Cubaanse postzegels bijgestopt. Waarachtig, een postzegelverzamelaar. Ik weet niet wat ik heb laten schieten.

 

Wat bekende bezoekers van Havana betreft, is Ernest Hemingway een gozer waar ze in Havana trots op zijn. Hij was verzot op de stad. Overdag hengelde hij op zaagvissen en badende meisjes, tussendoor schreef ie in zijn koele hotelkamer een nieuw boekje (To Have And Have Not), en 's avonds goot hij een uitgebreide vloeibare maaltijd naar binnen in de gezellige bars. In de Bodeguita del Medio, het bekendste restaurant van Cuba, dronk Hemingway steevast een stuk of wat mojito's (een cocktail op basis van rum). Genoeg aanleiding om in zijn voetsporen de sfeer van de Bodeguita te gaan opsnuiven. Het is verrassend kalm wanneer Illena en ik er aan een tafeltje plaatsnemen. Illena werkt als stadsgids en geeft me een korte rondleiding door het oude Havana. We bestellen allebei moros y cristianos (rijst en zwarte bonen), een traditioneel creoolse schotel. Lekker. Illena vertelt me dat tussen deze muren, die volbeplakt zijn met oude krantenknipsels, stickers en tijdschriftartikels, ooit nog Pablo Neruda, Errol Flynn en Nat King Cole hebben gedineerd. Maar de Bodeguita is er, gelukkig, uiterst bescheiden onder gebleven. Ik wil Illena graag uitvragen over Havana, maar vooraleer er daar ook maar sprake van kan zijn, wil Illena alles weten over België, de Europese levenswijze, mijn visie op het leven en mijn idee over Cuba. Het wordt een lang gesprek op de Malecon, de dijk die het centrum van Havana van de zee scheidt. "Ik praat graag met mensen zoals jij. Jullie zijn zo wijs," verzucht Illena plots. Ik glimlach en schud mijn hoofd dat door de harde zonneschijn als een betonblok aanvoelt. "Ik, wijs ? Bijlange niet. Ik denk gewoon anders, vanuit een ander perspectief, ik leef dan ook in een andere cultuur." Illena, anders zo goedlachs, luistert echter niet meer en tuurt verstrooid over het water. "Kon ik maar even het land verlaten, had ik maar het geld, al was het maar om de steden te zien waarover ik heb gelezen tijdens mijn studies literatuur." Stilte. Tja, wat zeg je daarop? Ik bied haar een plaats aan in mijn reiskoffer naar België, maar ze kan er niet om lachen. De woorden waarmee ik haar moed kan inspreken, en hoop, vind ik niet. Het enige waarmee ik haar achterlaat is een fooi. Net genoeg voor twee voetballen voor haar zoontje.

 

Na zeven dagen Havana maak ik op mijn hotelkamer de balans op van mijn reis: al mijn ledematen hangen er nog aan, al mijn spullen zijn er nog, ik heb geen zonneslag of zwangerschap opgelopen, er is geen brokstuk op mijn hoofd gevallen, er heeft me niemand trachten te vermoorden, en zelfs van turista ben ik gespaard gebleven. Een heus succesverhaal. Hay que luchar, zeggen de Cubanen. Je moet vechten. Zoiets als Will Tura's "Hoop Doet Leven", geloof ik. De woorden komen talloze keren terug in de soms swingende, soms slepende Cubaanse liedjes over de schoonheid van het land en de trots van zijn inwoners. De Cubanen vechten tegen de bierkaai, zij het met de glimlach. Hun hoop berust niet op een vertrouwen in politieke verandering, maar op een vertrouwen in hulp van daarboven, van een godheid die ze met typische objecten, rituelen, en met luide gebeden vereren. Mede daarom heeft Havana, hoe charmant de stad ook is, me niet alleen verleid maar ook gedeprimeerd.

 

Onderweg naar de luchthaven, in een piepkleine wagen waarvan de vering zo goed werkt dat alle inzittenden tegen het plafond plakken telkens de chauffeur over een hobbeltje rijdt, zie ik langs de kant van de weg een oude Cubaan op pad met twee geiten aan de leiband. Wat verder trachten twee tieners een meer dan veertig jaar oude, roze Cadillac in gang te duwen. Tevergeefs. Onze chauffeur praat geanimeerd en gesticulerend met de Cubaanse vrouw die naast me zit, waardoor ie zo nu en dan vergeet op welk rijvak hij ook weer hoort te rijden. Telkens ik vrees dat hij op een tegenligger zal inrijden en dat onze levens ten einde zijn, geeft ie net op tijd een ruk aan het stuur. Verschillende keren bonkt mijn hoofd zeer onzacht tegen het venster. Hilariteit alom. Ik leef nog net wanneer de chauffeur ons met piepende banden aan het luchthavengebouw afzet, waar het geroezemoes van tientallen luide Belgen de ether vult. De chauffeur zwaait ons nog even na. Bye bye Cuba. In het vliegtuig naar Brussel blijf ik zelfs niet wakker om de verkeersbrigadiers te zien optreden. Ik droom over Hemingway die op een zingende zaagvis over de Cubaanse wateren surft.