Beschrijvende gedichten

vorige | indeling | volgende

Pannetje van papier 

Ik schrijf een maaltje voor je.
Hier, in een pannetje van papier.
De ingrediënten: woorden en zinnen.
Ik roer met mijn pen.
Nu eens doelloos, dan heel gericht.
Het recept heet: gedicht.

Ik wil dat het maaltje je zal smaken
daarom doe ik er wat rijpkruid door.
Gedicht eet je ook met je oor.

Je bent begonnen, niet te gretig.
Gedicht wordt niet dampend opgediend.
Dooreten is verboden! Smakken,
boeren en knoeien zijn toegestaan.
Spelen is verplicht.
Spelend eet je gedicht.

Goed kauwen is aan te raden.
Uren, dagen, weken kauwen
op een woord, op een zin.
Tot je hoofd er vol mee zit.
Dan slik maar in.

Ik schreef een maaltje voor je.
Jij las het hier van papier.
Ik lees een vraag op je gezicht.

Nee. Er was geen afwas na gedicht.

Bas Rompa

In vader of moeder klimmen 

Hé, kom er eens naar boven,
boven op mijn hoofd.
Geef je handjes allebei.
Stap maar op die teen van mij.

Zo kom je wel naar boven,
boven op mijn hoofd.
Als je op mijn dijen stapt,
kijk maar uit, je glijdt eraf.

Zo kom je wel naar boven,
hoven op mijn hoofd.
Moet je op mijn buikje zijn?
Trap niet zo, dat is niet fijn.

Zo kom je wel naar boven,
boven op mijn hoofd.
Kom je op mijn borst eraan?
Hou je vast, het zal wel gaan.

Hé, wat doe je daarboven,
boven op mijn hoofd?
Nou zit je op mijn ogen,
en dat was niet beloofd.

Karel Eykman
De liedjes van ome Willem,
1977 Amsterdam, De Harmonie, 1977


Op het srand

kleine voetjes op het strand
kleine handjes vol met zand
kleine teentjes in de zee
mamma, doe je even mee?
linkerbeen, rechterbeen
over al die golfjes heen
grote voeten op het strand
grote handen vol met zand
grote tenen in de zee
ja hoor, mamma doet ook mee!
linkerbeen, rechterbeen
over al die golven heen.

Nannie Kuiper
Dag hobbelpaard, Den Haag, Leopold, 1979

Het einde 

Toen ik één was, moest ik slapen,
toen begon ik nog maar net.

Toen ik twee was, moest ik ‘s middags
van mijn moeder nog naar bed.

Toen ik drie was, zei ze altijd:
“Nee, nu ben je nog te klein.”

Toen ik vier was, zei ze meestal:
“Daarvoor moet je groter zijn.”

Toen ik
vijf was, zei ze weleens:
“Och, daar weet jij toch niets van.”

Maar
... nu ik al zes ben, ben ik knapper dan de
allerknapste man.
Daarom wil ik altijd zes zijn, ja, zolang als het maar kan!

A.A. Mime
Nu we al zes zijn, vert. N. Kuiper,
Amsterdam, Ploegsma, 1974

De wonderbloem 

Eerst een knopje op een steel.
Later wordt het groot en geel.
Nèt een stralend zonnetje,
Tot het eindelijk overal
zilveren pluisjes krijgen zal.
Nèt een lampionnetje.
Als je dan met één keer blazen
al die pluisjes weg kunt jagen,
word je minstens honderd jaar.
Werkelijk waar
probeer het maar!

Zeg Vlinderman, Vert. H. Laurey, Haarlem, Holland, 1961.

Lichtjes 

Die kleine lichtjes
zijn de sterren
die grote lamp daar
is de maan
ik weet niet waar het knopje zit
ze gaan vanzelf aan

Hans en Monique Hagen
Misschien een olifant

Regen 

Regen, voel jij je niet eenzaam
als niemand van je houdt?
Tja, zeggen ze: "Ach, die regen
is zo eng, zo nat, zo koud!"

Maar, ik vind je toch wel lekker,
af en toe. Zo, tussendoor.
Als je op de ruiten tokkelt
is het of ik liedjes hoor.

Tikke, druppe, druppe, tikke
gaat het op de grote ruit.
Druppe, tikke, tikke, druppe,
sjonge, wat een leuk geluid.

Maar nou schiet me het te binnen
dat ik nog een afspraak heb
om te spelen met een vriendje
en bij slecht weer wordt dat nep.

Dus, zo is het wel genoeg hoor.
Jij bent vast wel heel erg moe.
Kruip maar gauw weer in je wolken
en doe snel je druppels toe.

Darte

Ziek 

'Ik kan vandaag niet naar school',
zei kleine Annetje van Pool.
'Ik heb mazelen en de bof
paarse bulten en mijn hoofd zit vol stof
mijn mond is te nat en mijn keel is te droog,
en ik word blind aan mijn rechteroog
mijn ene amandel is zo groot als een kei
als het gaat regenen steekt mijn zij
ik heb al zestien waterpokken gezien
en daar nog eentje, dat is zeventien
ik trek met mijn been en mijn ogen zijn blauw
ik lijd aan een acute kou
ik hoest en ik nies en ik kuch
ik heb geloof ik een breuk in mijn rug
mijn heup doet zo'n pijn als ik knijp in mijn keut
mijn navel zakt steeds dieper weg in mijn buik
mijn blindedarm ziet geen steek
mijn nek is stijf, mijn ruggegraat is week
mijn neus is koud, mijn tenen staan schuin
ik heb een splinter in mijn duim
ik heb de rode en de groene hond
mijn haar valt bij bosjes uit op de grond
mijn elleboog is krom, mijn koorts is gestegen
ik heb nu al achtenveertig negen,
mijn hersenen krimpen, ik ben doof aan een oor
en mijn rechterarm die trilt aldoor
ik heb een dwangnagel en mijn hart is... wat?
Wat is dat? Wat is het voor een dag?
Zaterdag... is het vadaag zaterdag?
Dan ga ik lekker buiten spelen. Dag!!

Shel Silverstein

Zwanen 

Zwanen zien er altijd zo nieuw uit
zo zondags, zo pas in bad geweest.
Maar spelen of spetteren in het water,
dat doen zij niet. Zwanen zijn niet vrolijk.

Zij willen ook altijd weg. Daarom wiegen zij
met hun lange hals als met een witte zakdoek
en zo droevig dat zij kijken.
Zwanen kunnen geen tranen laten.

Maar zwemmen, dat kunnen zij, statig drijven
altijd recht vooruit als witte bootjes
met onzichtbare roeispanen.

En opeens verandert alles van kleur
als zij hun vleugels openslaan
en zich languit rekken in de spiegel
van de vijver. Dan kraait het water
van plezier en klapt in zijn handen.

Armand Van Assche

Snoepen

Negen meter veterdrop,
drieëntwintig toverballen,
kauwgum waar je mee kan knallen.
Kun je nog een toeffie op?
Of een stukje suikergoed?
Jongens, wat een overvloed!
Snoepen, snoepen, snoepen, snoepen,
lekker veel en lekker zoet.

"Kind, je moet ni zoveel snoepen!"
zucht je tante Willemijn
en dan neemt ze een slokje
van haar glaasje brandewijn.
Want dat hééft je lieve tante
als het over snoepen gaat,
na een borreltje of drie dan
krijgt ze last van goede raad.

Negen meter veterdrop,
drieëntwintig toverballen,
kauwgum waar je mee kan knallen.
Kun je nog een toeffie op?
Of een stukje suikergoed?
Jongens, wat een overvloed!
Snoepen, snoepen, snoepen, snoepen,
lekker veel en lekker zoet.

"Kindje, denk toch om je tanden!"
roept je wijze oom Johan
en draait hij nog eens een sjekkie,
want daar hoest hij lekker van.
Wat voor kinderen gezond is
weet oom Johan precies.
Reuze jammer, dat hij zelf zich
nooit eens houdt aan zo'n advies.

Negen meter veterdrop,
drieëntwintig toverballen,
kauwgum waar je mee kan knallen.
Kun je nog een toeffie op?
Of een stukje suikergoed?
Jongens, wat een overvloed!
Snoepen, snoepen, snoepen, snoepen,
lekker veel en lekker zoet.

Jan Boerstoel


Marc groet 's morgens de dingen


Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem
ploem ploem
dag stoel naast de tafel
dag brood op de tafel
dag visserke-vis met de pijp
en
dag visserke-vis met de pet
pet en pijp
van het visserke-vis
goeiendag

Daa-ag vis
dag lieve vis
dag klein visselijn mijn 

Paul van Ostaijen