Verhalende gedichten

vorige | indeling | volgende

 

IJselijk 

Een beertje kloeg maar van de kou.
Zijn moeder zei: “Hoe kan dat nou?
Je hebt dezelfde vacht als ik,
wollig en bruin, heel warm en dik!”
“Ach,” jammerde de kleine beer,
“Ik weet het niet!”
Hij rilde weer.
Mama deed hem een halsdoek om
en wanten aan en zei toen: “Kom,
je gaat mee naar de dokter, vent.
Ik vrees dat jij een ijsbeer bent!”

Darte

Hallo 

Ja, hallo, hallo? Ben jij het?
0, wat goed dat ik je tref.
Ik bel zomaar, niks biezonders;
Wat? 0 ja, ik ben het: Stef.

Weet je, soms gaan veertien dagen
snel voorbij, dan vliegt de tijd.
Maar als ik eraan ga denken,
duurt het wel een eeuwigheid.

Als je me straks op komt halen,
gaan we dan weer fijn op stap?
Naar het park, de eenden voeren?
Goed, 0.K.! Tot zo, dag pap!

 A. Sollie
 Stipkrant, De Standaard, 4/11/1980

 

Beer uit Bommelen   

Een bruine beer uit Bommelen
zat in zijn stoel te schommelen.
Toen sliep hij in en droomde
dat hij naar Zommelen stoomde
met de trein tureluut!
en nog een eindje met de tram pam-pam!

Wat zag hij daar in Zommelen,
die bruine beer uit Bommelen?
Hoe zes kanariepieten,
zich lustig schommelen lieten
met de trein tureluut!
en nog een eindje met de tram pam-pam!

Van dat voortdurend schommelen,
dacht onze beer uit Bommelen,
begint mijn maag te stommelen,
‘k vertrek maar vlug uit Zommelen,
met de trein tureluut!
maar eerst een eindje met de tram pampam!

Stipkrant, De Standaard, 22.08.1980

De speelgoedbeesten 

Ze stonden in de winkel op een rij.
Ze konden nog niet zien en nog niet horen.
Want speelgoedbeesten worden pas geboren
als er een kindje zegt: “Jij wordt van mij!”

Er was een och-zo-klein konijntje bij,
helemaal grijs, met donkergrijze oren
(één stond rechtop, één leunde wat naar voren)
en ‘t hield zijn kopje eventjes opzij.

En toen
kwam Katelijntje.
Ze keek langs heel de rij
en zei toen: “Dag konijntje,
kom maar, je wordt van mij.”

Ze nam het zachtjes in haar arm,
ze streek het langs zijn oren,
en toen werd het konijntje warm.
En toen was het geboren!

Kinderversjes, Haarlem, Holland, 1979
Harriet Laurey
 

Binker 

Binker- want zo noem ik hem- Binker is van mij.
Als je mij ziet spelen, dan is hij erbij.
Hij is mijn geheimpje, hij is mijn idee.
Waar ik ook mee bezig ben, hij doet er aan mee.
 
0, pappa is zo knap, hij is de allerknapste man.
En mamma die kan alles wat een ander niet kan.
         Maar ze kunnen
         Binker
         niet zien.

Binker is niet gulzig, maar hij eet alleen zo graag.
Binker zegt dat dropjes juist zo goed zijn voor
         zijn maag.
Daarom vraag ik altijd: “Mag Binker ook wat drop?”
Maar omdat hij niet kauwen kan, eet ik het voor hem
         op.

0, ik houd zoveel van pappa, maar hij leest zo vaak
         de krant.
0, ik houd zoveel van mamma, maar ze wil nooit naar
         het strand.
En ik heb ook wel eens ruzie als ik me weer wassen moet...
Maar met Binker is het anders, die begrijpt me altijd goed.

Binker kan al praten, dat heb ik hem geleerd.
De ‘r’ vindt hij wat moeilijk, die zegt hij vaak verkeerd.
Ook heeft hij weleens last van een piepje in zijn stem.
En soms, als hij niet praten wil, praat ik gewoon voor hem.

0, pappa is zo knap, hij is de allerknapste man.
En mamma die weet overal en overal iets van.
         Maar ze weten niets
         van
         Binker.

Binker durft ook alles, hij is net een sterke beer.
En soms een wilde tijger, als we spelen bij het meer.
Binker huilt niet gauw, behalve (en dat is ook naar)
als zijn ogen pijn doen van de shampoo uit zijn haar.

0, pappa is een pappa en zo lief als het maar kan.
En mamma is mijn mamma en daar houd ik zoveel van.
         Maar ze zijn niet
         zoals
         Binker

 A.A. Mime

Brief 

Meneer de burgemeester,
Zou jij wat willen doen?
Voor Lies en Jan en Joris,
Voor Wim, voor mij, voor Koen?

We willen graag een speeltuin,
En niet zoveel beton,
We willen graag veel bloemen,
En ook een stuk gazon.

Een park, als dat zou kunnen,
Ik weet niet of het gaat!
En wei om in te stoeien.
En bomen in de straat.

Er staan al zoveel huizen,
En nergens is er groen!
Meneer de burgemeester,
Wil jij daar wat aan doen?
 
Gerda Van Cleemput

Frekie 

Wanneer ‘s middags om vier uur
onze schoolbel was gegaan
en we gingen voetbal spelen,
dan kwam Freek er altijd aan.

Frekie woonde in de buurt
maar zat niet op onze school.
Hij was een debiele jongen,
een mongool.

Meestal riep er iemand wel:
‘Kom maar, Frekie, doe maar mee.’
Welke kant
hij uit moest schoppen,
daarvan had-ie geen idee.

Maar we legden soms de bal
op twee meter van het doel,
en we riepen: ‘Schieten, Frekie!’
En
hij trok een ernstig smoel.

Als het raak was, dook de keeper
mooi naar de verkeerde kant,
en ‘t was goal, en dan was Frekie
kampioen van Nederland.

Misschien vind je Frekie zielig.
Ja. Bedenk er dan maar bij,
dat ik niet vaak iemand aantrof
die zo blij kon zijn als hij.


Willem Wilmink
Berichten voor bezorgde kinderen, Antwerpen, Kosmos,
1975


Het kauwgumkind 


Het kauwgumkind weet nog niet goed,
hoe of het zich gedragen moet.
Vaak kijkt men stomverwonderd toe
en denkt: dat kind lijkt wel een koe.
Het blaast een bobbel voor zijn mond
en kijkt dan heel verdwaasd in ‘t rond.
Het kind heeft ook een kauwgum-Ma,
en die komt uit Amerika.
De kauwgum-Pa kauwt op ‘t kantoor
van negen uur tot zes uur door.
Wanneer er thuis gegeten wordt,
legt elk zijn kauwgum naast het bord.
En nauwlijks is het maal gedaan,
of elk vangt weer te kauwen aan.
Eerst als men ‘s nacht de ogen sluit,
spuwt elk verveeld zijn kauwgum uit.

Het kauwgumkind en andere kinderverzen,
Amsterdam, De Arbeiderspers, 1965


Een olifantje in de boom

 

 

Er zit een olifantje in de boom

hij rommelt wat met takken en met touwen

hij wil zo graag een vogelnestje bouwen

en langzaam bouwt hij verder aan zijn droom

 

Eindelijk is olifantje klaar

en zit hij bovenin zijn nest te wiegen

hij denkt: nu zou ik ook nog willen vliegen

het hoeft niet lang – al is het éven maar

 

Hij klimt vanuit de boom weer op de grond

en zegt: ik moet dat vliegen kunnen leren

ik kan het toch gewoon een keer proberen

en zwaaiend met zijn oren rent hij rond

 

Maar ach – het lukt hem niet zo snel

hij springt – maar valt dan keihard op zijn billen

van schrik begint hij vreselijk te trillen

en snikt : misschien lukt eitjes leggen wél!

 

 

Marianne Busser & Ron Schröder

 

 

De pad en de kangoeroe

 

 

Zei de Pad tegen de Kangoeroe:

“Jij doet hetzelfde wat ik doe.

We springen. Laten we trouwen en nemen een kind,

ik wed dat hij ieder springwedstrijd wint,

hij springt over bergen en kerken. Hè toe,

laten we trouwen , dan noemen we hem Padderoe.”

 

De Kangoeroe zei: “Lieve schat,

een geweldig idee, weet je dat.

Ik was heel graag met je getrouwd,

maar Padderoe is een naam waarvan ik niet houd.

We noemen hem liever Kangerad,”

zei de Kangoeroe tot de betrekkende Pad.

 

Ze kregen twist tot half twee

over Rangetoe of Kangepee.

Tot slot zei de Pad: “Dat duurt me te lang,

dat gedoe over Poedera of Paddekang.

Ik wil niet eens trouwen, ik ga terug naar mijn moe.”

“En ik idem dito,” zei Kangoeroe.

 

De Pad keerde zich om en zei bah noch boe.

En daar sprong hij weg net als de Kangoeroe.

En ze trouwden dus niet, dat is toch wel erg,

want nou springt hun kindje nooit over een berg.

’t Is voor Kangoeroes en Padden beslist geen reclame

dat ze ruziën over kindernamen.

 

Shel Silverstein