MULTATULI

 

Ja, ik, Multatuli, "die veel gedragen " heb, neem de pen op. Ik vraag geen verschoning voor de vorm van mijn boek. Die vorm komt mij geschikt voor ter bereiking van mijn doel.
Dit is tweeledig.
Ik wil in de eerste plaats het aanzijn geven aan iets dat als heilige poesaka zal kunnen bewaard worden door kleine Max en zijn zusjes, als hun ouders zullen zijn omgekomen van ellende. Ik wilde aan die kinderen een adelbrief geven van mijn hand.
En in de tweede plaats: ik wil gelezen worden.
Ja, ik zal gelezen worden! Ik wil gelezen worden door staatslieden, die verplicht zijn te letten op de tekenen des tijds…door letterkundigen, die toch ook eens het boek moeten inzien waarvan men zoveel kwaad spreekt…door handelaren, die belang hebben bij de koffieveilingen…door kameniers, die me huren voor weinige centen…door Gouverneurs –generaal in ruste…door Ministers in bezigheid…door de lakeien van die Excellentiën…door de bidpredikers die more majorum zullen zeggen dat ik de Almachtige God aantast, waar ik slechts opsta tegen ’t godje dat zij maakten naar hun beeld…door duizenden en tienduizenden van exemplaren van het droogstoppelras, die- voortgaande hun zaakjes op de bekende wijs te behartigen – ‘t hardst zullen meeschreeuwen over de mooiigheid van mijn geschrijf...door de leden der Volksvertegenwoor diging, die moeten weten wat er omgaat in ’t grote Rijk overzee, dat behoort tot het Rijk van Nederland…
Ja, ik ZAL gelezen worden!
Als dit doel bereikt wordt, zal ik tevreden zijn. Want het was me niet te doen om GOED te schrijven…Ik wilde zó schrijven dat het gehoord werd. En, evenals iemand die roept: "houdt de dief!" zich weinig bekommert over de stijl zijner geïmproviseerde toespraak aan ’t publiek, is’t ook mij geheel om ’t even hoe men de wijze zal beoordelen waarop ik MIJN "houdt de dief" heb uitgeschreeuwd.
"het boek is bont…er is geen geleidelijkheid in…jacht op effect…de stijl is slecht…de schrijver is onbedreven…geen talent…geen methode…"
Goed, goed, alles goed! Maar d e J a v a a n w o r d t m i s h a n d e l d !
Want: WEDERLEGGING DER H O O F D S T R E K K I N G VAN MIJN WERK IS ONMOGELIJK!

……………………………………………………………………………………………………

En als men mij die plaats weigerde…als men mij bij voortduring NIET geloofde…
Dan zou ik mijn boek vertalen in de weinige talen die ik ken, en in de vele talen die ik leren kan, om te vragen aan Europa, wat ik vruchteloos zou hebben gezocht in Nederland.
En er zouden in alle hoofdsteden liederen worden gezongen met refreinen als dit: ER LIGT EEN ROOFSTAAT AAN DE ZEE, TUSSEN OOST-FRIESLAND EN DE SCHELDE!
En wanneer ook dit niet baatte?
Dan zou ik mijn boek vertalen in ’T MALEIS, JAVAANS, SOENDAAS, ALFOERS, BOEGINEES, BATTAKS…
En ik zou KLEWANGwettende krijgszangen slingeren in de gemoederen van de arme martelaren wiek ik hulp heb toegezegd, ik, Multatuli.
Redding en hulp, op wettelijke weg, waar het kan… op w e t t i g e weg van geweld, waar het MOET.
En DIT ZOU ZEER NADELIG WERKEN OP DE K O F F I E V E I L I N G E N V A N  D E N E D E R L A N D S E       H A N D E L S M A A T S C H A P P I J !
Want ik ben geen vliegenreddende dichter, geen zachtmoedige dromer, zoals de getrapte Havelaar die zijn plicht deed met de moed van een leeuw, en honger lijdt met het geduld van een marmot in de winter.
Dit boek is een inleiding…
Ik zal toenemen in kracht en scherpte van wapenen, naarmate het nodig zal wezen…
God geve dat het niet nodig zij!
Neen, ’t ZAL niet nodig zijn? Want aan U draag ik mijn boek op, Willem de derde, Koning, Groothertog, Prins… meer dan Prins, Groothertog en Koning … K E I Z E R van ’t prachtige Rijk van I N S U L I N D E dat zich slingert om de evenaar, als een gordel van smaragd…
Aan U durf ik met vertrouwen vragen of ’t Uw keizerlijke wil is: Dat havelaar wordt bespat met de modder van SLIJMERINGEN en DROOGSTOPPELS?
En dat daarginds Uw meer dan DERTIG MILJOEN onderdanen worden mishandeld en uitgezogen in uw naam?

Max Havelaar (1860)

 

 

GUIDO GEZELLE

VOL NAALDEN VLIEGT DE LUCHT

 

Vol naalden vliegt de lucht,
    Vol priemend ijsgekertel,
Dat glinstert in de zon,
    En, met den asemtocht
Gezwolgen, kilt en kerft
    De kele en ’t haargespertel,
Dat in den neuze temt
    Den toevoer van de locht.

’t Is bijtend koud. Een spree
    van witheid, ongemeten,
’t zij waar gij uwe ogen vlucht,
    ligt overal gespreid;
’t is snee’ tot in uw huis,
    ’t komt snee’ door al de spleten,
’t is snee, ’t is immer snee’,
    en al sneeuwwittigheid.

De wind komt, wild en boos,
    Gesnoeid uit alle gaten;
Geen ruste en wil hij, eer
    Hij eenmaal weten zal
Dat ’t volk verdwenen is,
    En hem wil meester laten…
’t is bijster, bijtend koud,
    en ’t wintert overal.

 

Uit Tijdkrans (1893)

 

MOEDERKEN

 

’t en is van u
hiernederwaard
geschilderd of
    geschreven,
mij, moederken,
geen beeltnis,
geen beeld van u
    gebleven.
Geen teekening,
Geen lichtdrukmaal,
Geen beitelwerk
    Van steene,
’t en zij dat beeld
in mij, dat gij
gelaten hebt,
    alleene.
O Moge ik, u
Onweerdig, nooit
Die beeltnis
    Bederven,
Maar eerzaam laat
Ze leven in
Mij, eerzaam in
    Mij sterven.

Uit: Laatste verzen (1901)

 

WILLEM KLOOS

 

ZOALS DAARGINDS

 

Zoals daarginds, aan stille blauwe lucht,
Zilveren-zacht, de halfontloken maan,
Bloeit als een vreemde bloesem zonder vrucht,
Wier bleke bladen aan de kim vergaan,

Zó zag ik eens, in wonderzoet genucht,
Uw halfverhulde beelt’nis voor mij staan,-
Dàn, met een zachten glimlach en een zucht,
Voor mijn verwonderde ogen ondergaan.

Ik heb u lief, als dromen in den nacht,
Die, na de een eind’loos heil van enen stond,
Bij de eerste schemering voor immer vloôn:

Als morgenrood en bleke sterrenpracht,
Iets liefs, dat men verloor en niet meer vond,
Als alles, wat heel ver is en heel schoon.

 

FREDERIK VAN EEDEN

 

DE KLEINE JOHANNES

De fantasierijke kleine jongen Johannes ontmoet bij een vaartochtje op de vijver het wonderlijke wezentje Windekind. Hij sluit vriendschap en wordt meegenomen op een vreemde verkenning van de omgeving. Op die manier maakt Johannes verschillende episodes door met Windekind, Wistik, Robinetta en Pluizer. Nergens vindt hij het echte geluk. Tenslotte, in het laatste hoofdstuk, moet hij zijn keuze maken.

Achter de zon, waarin het oog nog niet staren kon, wemelden tedere tinten van blauw en roze dooreen, in de diepte van de lichtgrot. Daarbuiten langs de ganse wijde hemel glansden rode vlammen en strepen, lichte vlokjes van bloedig dons en vegen van uiteenvloeiend vuur.
Johannes wachtte, - totdat de zonneschijf de gloeiende weg die tot hem leidde, aan het verste einde aanraakte
Toen zag hij neder, en dichtbij was het lichte beeld, dat hij gevolgd was. Een vaartuig, klaar en glinsterend als kristal, dreef bij het strand op de brede vuurbaan. Aan het ene einde der boot stond Windekinds ranke gedaante, met het gouden voorwerp dat blonk in zijn hand. Aan het andere einde herkende Johannes de duistere Dood.
"Windekind! Windekind" riep Johannes. Doch in dezelfde tijd dat Johannes het wondere vaartuig naderde, zag hij naar de horizon. In het midden van de lichte ruimte, door de grove, vurige wolken omgeven, zag hij een kleine, zwarte gestalte. Zij werd groter en groter, - langzaam naderde een mens, r
stig schrijdend over de woelende, vurige wateren.
De roodgloeiende golven rezen en daalden onder zijn voet, doch kalm en rustig kwam hij nader.
Het was een mens, zijn gelaat was bleek en zijn oog diep en donker. Zo diep als de ogen van Windekind, doch in hun blik was eindeloos zachte weemoed, zoals Johannes die nimmer in andere ogen gezien had.
"Wie zijt gij?" vroeg Johannes. "Zijt gij een mens?"
"Ik ben meer!" zeide hij.
"Zijt gij Jezus, zijt gij God?" vroeg Johannes.
"Noem die namen niet," zei de gestalte," zij waren heilig en rein als priestergewaden en kostelijk als voedend koren, doch zij zijn tot draf geworden voor de zwijnen en tot narrenklederen voor de dwazen. Noem hen niet, want hun zin is tot dwaling, hun wijding tot spot geworden. Wie mij kennen wil, werpe die namen weg en luistere naar zichzelven."
"Ik ken u! ik ken u!" zeide Johannes.
"Ik was het, die u deed wenen om de mensen, terwijl gij uw tranen niet begrijpen kondt. Ik was het, die u deed liefhebben, waar gij uw liefde niet verstondt. Ik ben bij u geweest, en gij hebt mij niet gezien, ik heb uw ziel gewogen en gij hebt mij niet gekend."
"Waarom zie ik u nu eerst."
"Vele tranen moeten de ogen verhelderen, die mij zullen zien. En niet voor uzelven alleen, maar voor mij moet gij wenen, dan zal ik u verschijnen en gij zult mij herkennen als een oude vriend."
"Ik ken u. – Ik herken u. Ik wil bij u zijn."
Johannes strekte de armen uit. Doch de mens wees op het glinsterende vaartuig, dat langzaam voortdreef op de vurige weg.
"Zie!" – zeide hij, "dat is de weg naar alles wat gij verlangd hebt. Een andere is er niet. Zonder die beiden zult ge het niet vinden. Doe nu uw keuze. Daar is het Grote Licht, daar zult ge zelve zijn wat gij verlangt te kennen. Daar!" – en hij wees naar het donkere oosten, - "waar de mensheid is en haar weedom, daar is mijn weg. Niet het dwaallicht, dat gij gedoofd hebt, maar ik zal u begeleiden. Zie nu, gij weet het. Doe uw keuze."
Toen wendde Johannes langzaam het oog van Windekinds wenkende gestalte af en strekte de handen naar de ernstige mens. En met zijn begeleider ging hij de kille nachtwind tegemoet, de zware weg naar de grote duistere stad, waar de mensheid was en haar weedom.

Uit: De Kleine Johannes (1886)


HERMAN GORTER

 

MEI

Een nieuwe lente en een nieuw geluid:
Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit,
Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht
In een oud stadje, langs de watergracht-
In huis was ’t donker, maar de stille straat
Vergaarde schemer, aan de lucht blonk laat
Nog licht, er viel een gouden blanke schijn
Over de gevels in mijn raamkozijn.
Dan blies een jongen als een orgelpijp,
De klanken schudden in de lucht zo rijp
Als jonge kersen, wen een lentewind
In ’t bosje opgaat en zijn reis begint.
Hij dwaald’ over de bruggen, op den wal
Van ’t water, langzaam gaande, overal
Als ’n jonge vogel fluitend, onbewust
Van eigen blijheid om de avondrust.
En menig moe man, die zijn avondmaal
Nam, luisterde, als naar een oud verhaal,
Glimlachend, en een hand die ’t venstersloot
Talmde een poze wijl de jonghen floot.
Zó wil ik dat dit lied klinkt,…

DE LENTE KOMT VAN VER

De lente komt van ver, ik hoor hem komen
En de bomen horen, de hoge trilbomen,
En de hoge luchten, de hemelluchten,
De tintellichtluchten, de blauwenwitluchten.
Trilluchten.
O ik hoor haar komen,
O ik voel haar komen,
En ik ben zo bang
Want dit is het sideerend verlang
Wat nu gaat breken –
O de lente komt, ik hoor hem komen,
Hoor de luchtgolven breken
Rondom rondom mijn hoofd,
Ik heb het wel altijd geloofd,
Nu is hij gekomen.

…………….……

Laten we nu lachen
Lachen lachen lachen
In zijn gezicht dat daar dagen
Dagen doet in den dag,
Laten we tranen wenen.
Wenen wenen wenen,
Hij weent ook over ons henen
In zijn sneeuwglinsterdag.
Lentelicht is nu gekomen,
O eindelijk is het gekomen,
O laten we toch lachen
Lachen zo licht als dagen,
Want hij is er, hij is,
En gij onz’ droefenis
Val toch in tintellichttranen
Als bleke vallende manen
Stil in de lichternis.
Wij voelen als twee
Hoge, op stengel verhoogde lenterood-bloemen
Midden in de lichtzee –
De lente is gekomen.

 

ALBERT VERWEY

DE LIJSTER

Duizend jaar? Hij had het klooster
Vroeg verlaten: op de paden
Lag de dauw: de hyacinten
Hingen blauwgetrest te bunglen
In de scheemring, tussen ‘thakhout.
Leeuwriken, die luchte-krekels
Tsjierpten hel in hogen hemel:
Web van klank in web van stralen.
Neuriënd liep hij; gonsde een kever
Langs zijn voorhoofd? Ruchtte een haasje
Hem voorbij? De Bodem helde:
Onder hoge bomen ging hij
Waar zijn stappen ’t mos verdofte.
Tot een watertje aan een weide
Blonk: op hoge stengels vlindrend
Pinksterbloemen aan de randen.
Stond hij daar te zien, te spieglen,
Zag het blauw in blauwe vijver?
Hoor! Nabij begon een lijster,
Op een boom wel tussen ’t lover,
Zoet en vol, dan teder fluitend,
Tu-tu-tu, eerst hoog, dan lager,
Een toonladder, klaar en zuiver.
Doodstil stond hij, dorst niet roeren,
Zag den hemel en de bloemen,
Hoorde op ’t laatst alleen die tonen.
Hoe lang stond hij? Duizend jaren.
Aan het klooster, toen hij weerkwam,
Deed een vreemde waker open.
In de boeken van voor eeuwen
Vond – zodra hij in zijn cel trad
Lag en stierf hij – vond de Prior
Bij de naam die hij genoemd had
Jaar en dag – een lentemorgen
Toen hij ging, voor duizend jaren.

 

NOACHS DUIF

 

Ik rustte in ’t hoffe van een golf, ik plooide
Mijn vleugels en ik deinde: ik wist niet meer
Bewoog ik mee omhoog of mee omneer
En of mij links of rechts mijn schomling gooide.
Er was gedroppel dat zich op mij strooide,
Er was een hemel en een hemels weer,
En ik genoot en leefde in iedre veer,
Verheugd omdat zo schoon heelal mij kooide.
Toch wiekte ik traag en wendde en naar mijn ark
Richtte ik den koers: van boom op hogen heuvel
Plukte ik een twijg en gaf mij ’t venster in.
En mensen, beesten, met vervreugden zin,
Haastten weer uit met mij naar ’t vorig euvel:
Het godverlaten, schendig aardepark.

 

AUGUST VERMEYLEN

 

Ahasverus, schoenlapper te Jeruzalem, was ontevreden met zichzelf en de wereld. Een tijdlang hoopte hij dat Jezus met geweld "de boel ondersteboven zou keren"; doch toen hij hem zag, bezwijkend onder de last van het kruis, erkende hij in hem een "broer", voelde hij "de zachte vlam van die ogen zijn hart verbranden". Voor eeuwig zwerft hij nu, met in hem brandend die beangstigende blik van Christus. Overal zoekt hij bevrediging, vraagt hij om antwoord op de grote onrust die hem kwelt: eerst in alle zinnelijke genietingen die de wereld bieden kan, dan mysterieuze vervoering, en tenslotte in dagelijkse arbeid als mens onder de mensen.

Door drassige meersen geraakte hij eindelijk aan een brede stroom, waar wel duizend gasten een dijk bouwden, en hij werd opgenomen in het geweldig gedoe, om er ijzeren bakken vol zavel met gespannen spieren voort te stoten: dat was immers zo iets voor hem!
Ge hadt gezegd, dat daar een heel leger neergevallen was om de aarde open te wroeten: er lagen er een menigte te sloven in de putten en loopgraven, bemodderd en de voeten in het gelige slib. Hier werd een schuine rotsenmuur tegen ’t water gemetst, daar heiden ze palen als boomstammen in de grond: met twintig of dertig hingen halfnaakte sjouwers aan de touwen, slaakten bij elke hijs een rauwe kreet, en lieten dan het blok als een donder neerbonzen. Daartussen het rollen van de zandwagentjes, het gefluit van opzichters of het bevelend geroep van ploegbazen, en alles ging op maat. Er was een heel dorp van houten slaapkotten, loodsen en kantines, en als de zonne door de wazigheid zeeg van het platteland, dan scheen al dat geregelde gezwoeg, langs de trage plas doe bochtend naar de verte schoof, te staan lijk in een damp van zweet.
Wacht maar! Hij zou wel tonen dat er pees in hem zat, hij had twee armen aan zijn lijf, hij stond zijn man! En laat ze maar bovenkomen! En gewerkt dat de lappen eraf vlogen. Wat was dat eindelijk een verandering: hij kende weer de vreugd van de warme lichaamsdaad; hij was gelukkig als hij, geschoord op de voet die diep in ’t zand drukte, de zware vracht deed wijken voor de hardnekkige duw van zijn handen; en waar hij aan ’t eind van de baan zijn wagen omkantelde en, zijn voorhoofd afvegend, een poosje ademhaalde, lachte hij zwijgend de kerel tegen, die met ingehouden gehijg achter hem al stotende aankwam. Zijn blik ging verder over het land, volgde de weerschijn van ’t hoge licht op de stroom, en ’t had alles een nieuw uitzicht voor hem. Hij was tevreden dat hij niet meer alleen was.
Maar als hij dan ’s avonds, uitgeput, in het zuur-dompige slaapkot lag, en de stakkers overal langs de beschotten op hun strozakken zag liggen, dooreengezakt ven vermoeienis, met de opengevallen mond in het wezen dat de kleur der aarde had, dan kwam weer een doffe weedom hem verlammen, om dat bestaan zonder droom, waar hij nu een deel van geworden was. Hij was niet meer alleen, hij wist voortaan dat alleen leven niet mogelijk was, maar in welke enigheid waren ze nu allen opgesloten! Waarom al dat labeur en dat slameur, zonder vergezicht? Hoe verdroegen die eeuwig-blinden hun leven? Maar hoe verdroeg hij zelf het? Hij, een van de duizend…

Henk, een der kameraden, stond op een dag "pierend te kijken over het wijde land" en zei tot Ahasverus:

"Dat zal hier nog schoon worden, als we ’t allemaal droog gekregen hebben."
Ahasverus peinsde, en hij begreep het grote werk: het stomme geweld van de vloed gestuit; de geduldige bedrijvigheid van heel een bevolking, waar ’t nu zo verlaten was, het zaad gezaaid, het koren dat uit de diepe donkere aarde opgroeit, langzaam heetgestoofd en rijpend in ’t afwisselende weer, brood voor de mensen; en van op de dijk zouden de jonge mannen, op een avond als deze, naar de boten zien, die van uit zee komen.
"Zo maakte ik dus, een van die duizend, del uit van een schone droom," mijmerde Ahasverus, "Zo was ik, met die duizend, het werktuig waardoor een schone droom volbracht werd…" Gelijk die gedachte in hem opklaarde, ademde hij er vrijer in, alsof de wereld ruimer geworden was en tevens vertrouwelijker, de minste dingen hadden een inniger aanschijn,- en dan, vanzelf, kwam weer in zijn hart het beeld van dat meisje, met haar jeugdig onbedwongen bewegingen en de stille ernst van haar lachend gezicht.

De arbeiders besluiten echter hun slavenwerk te staken. Ahasverus predikt in de kantine de opstand.

En als de stemmen, die daar gonsden en vloekten uit donkere monden, in ’t half verlichte hol, hij vernam ze nu bijna als vlammen uit het stilzwijgen gewekt, en die altijd weer zouden uitslaan.
"Jongens," riep hij plots met twee knuisten omhoog," ’t is zo niet! ’t Is zo niet! We moeten weten wat we doen! En dan allemaal gelijk, als één man…" Het ging als een klok door het geschreeuw. – Ja! Ja! We kunnen toch niet meer blijven liggen, als honden!…
Koppig hamerde hij voort:
"Allen gelijk! En zo gaan we ’t hun zeggen, morgen, hoe we willen behandeld worden! En luisteren ze niet, dan tonen we wat we zijn…"
"Ja! Ja! Hand in hand!
En of we zullen slagen, of niet, dat zullen we later wel zien!…"
De gezellen waren dichter bij elkaar gedrongen, er begon één wil te spreken uit die woeste gezichten, hoekig beschenen door het weifellicht der smokerige lamp.
Ja, zo brandde daar ook een verlangen, dat geslacht op geslacht door de mensen had gebrand… Nutteloos wellicht, onmachtig?…
Hoeveel van die gebaren, waarover de tijd als water was toegegaan!
Hoeveel harten als deze, die bloed geweend hadden, en nu iets geworden waren van dat stof, waarvan één korreltje gelijkt op al de andere! Maar wie weet – Ahasverus keek naar Lene, die stil glimlachte, - wie weet wat er uit één droppel bloeds eens bloeien kan? En wie weet hoeveel droppels bloed er nodig zijn eer de geduldig, geduldig groeiende oogst eens blond van rijpheid de mensen verheugt?
"Of we zullen slagen of niet, dat zullen we later zien!" Zo sprak het leven, dat strijdvaardig vooruitkijkend – naar de dood misschien, om ’t even – toch glimlacht, omdat het het leven is, omdat het niet weerstaan kan aan de droom, die het altijd rijper wil maken…
Ahasverus had Lene bij de arm gegrepen en hij fluisterde met een zonderlinge uitdrukking: "Ik houd u vast! Ik laat u niet meer los!…"
Ze liet hem begaan, keek naar hem op, maar zijn wezen was als gespannen in een wilde zotte begeerte, en in haar smekende blik steeg er dan zulk een angst, dat al zijn macht bedwongen viel, en hij kon niet anders dan het meisje, als een teer ding nu, tegen zich aan drukken, innig zacht, totdat hun blikken in elkaar glimlachten, met de stille verwondering die er in de blik van een kind kan zijn.
’s Anderendaags brak het verzet uit, onstuimig en vrolijk; Ahasverus en anderen werden weggejaagd, maar lachten, want ze zagen de opstand achter zich opvlammen. Een zelfde hoop klopte in alle harten.
En in de nacht vluchtte Ahasverus met Lene…
Zo gingen zij, hun brood verdienend op de ene en de andere wijze, nieuwe zomers en winters tegemoet, nieuwe strijd van leven, nieuw lijden en nieuwe hoogten, - zo gaan ze nog, en wat eens de laatste hoogte en het eind van de weg zal zijn, kan gelukkiglijk niemand vertellen.

August Vermeylen: De Wandelende Jood (1906)

 

STIJN STREUVELS

 

Middelerwijl zit Blomme nog wakker, te mijmeren. Hij wordt gekweld door onrust bij ’t vermoeden dat Knorre misschien aan ’t sterven is en hij weet niet wat er hem in dit geval te doen staat. De twee anderen slapen, en hij voelt schrik om alleen de verantwoordelijkheid te dragen. Knorre is toch een christenmens, moet bijgestaan worden, mag niet sterven zonder priester ( als dit gebeurt, zal Blomme er schuld aan hebben…)
Moet hij tussenkomen? Hutsebolle wekken? Hij is in strijd met zichzelf, weet niet wat te doen, blijft treuzelen, - en ondertussen gaat het akelig rochelen, dat opeens kan uit zijn, en dan is 't de dood!… Blomme wordt eindelijk oprecht bang, en hij verwenst het om hier alleen aanwezig te zijn als Knorre moet sterven. Hij vreest dat de scheuvel op dat uiterste ogenblik iets gruwelijks uithalen zal om zich te wreken – hem kwaad overzenden? En niet zonder reden, want telkens de sukkelaar hier in den ast is komen schuilen, hebben de drogers hem geplaagd en op alle manieren geduiveld; aan die boerten heeft Blomme eigenlijk nooit geholpen, maar toch wel meegedaan om te lachen en te spotten als er hem ene poets gebakken werd. –Er is ook nog een andere reden waarom Blomme niet op zijn gemak is: Knorre moest het van Blomme nooit hebben, ze waren altijd dwars in den zak – rake en spriet – de een gesteld op zorgen en sparen, de andere op zwieren en zwetsen – de een vasthouder, de ander wegsmijter – en meer dan eens hadden ze ’t dan aan den kap met hun opvatting over leven en bestaan. Knorre heeft Blomme dikwijls uitgelachen om zijn schraapzucht, om zijn dwaas beulen en wroeten om geld te verdienen… hij vreest elk ogenblik Knorre ’t hoofd te zien oprechten om een uiterste vermaledijding uit te spreken… hij wil zichzelf geruststellen: misschien is het maar gewoon snorken, hij zal weeral krimineel zat geweest zijn?
…Maar nu dringt zijn dubbelganger hem de waarheden op welke hij voor zichzelf altijd wilde verdoezelen: Knorre is stellig aan ’t reeuwen, - hij is oud en versleten, heeft door wind en regen gelopen, is moe gesukkeld, afgesloofd langs de bane, hier binnen gedompeld, neergevallen, en nu aan’t sterven… Blomme weet daar niets tegen in te brengen, - dàt is met geen woorden weg te praten. Nu wordt het Blomme alsof hij zelf in dien hoop lompen gedoken zit, en gereed om te sterven. Van ginder wordt hij toegesproken en dat op bijtenden toon:
-Met u zal het ook eens voorbij zijn, vent! Gij ook zult hier eens alzo liggen ’s avonds, uit met werken en beulen… Uw eind is zover niet meer af, - alleen nog kwestie van enkele jaren… weken.. dagen? Denkt ge er aan dat ge misschien den uitkomen niet meer beleven zult? Waar zijt ge dan met uw jacht om op een koeiplekje te geraken? Ge zijt al klets, hoeveel tanden hebt ge nog in uw kweern… hoeveel uwer kennissen schieten er nog over van uw jaar? (Blomme vergelijkt inderdaad ’t geen van zijn levensloop voorbij is, met ’t geen hij nog verwachten mag) – Voor u gelijk voor een ander, dat is het onvermijdelijke, en dan is alles uit: ene schop eerde, en punctum! Weet ge welk verschuil er is tussen een mens en een boom? Als een mens sterft, stoppen ze hem in den grond, en als een boom sterft, halen ze hem er uit! Ha! Ha!
Rechtop tegen den wand ziet Blomme zijn eigen mager postuur, met zwart in de diepe oogholten, gelijk een doodskop, en hoekige schouders gelijk als van een geraamte. Het besef van ’t geen hem te wachten staat, schrikt hem op – het is een gruwelijke zekerheid, waar hij niet van uit kan. Zijn dubbelganger treitert voort:
Aan twintig, aan dertig jaar schijnt het leven een eeuwigheid, aan veertig is ’t nog de volle kracht, aan vijftig begint men te denken, met ’t gevoel over de helft te zijn en ’t eind inkort… Doch aan vijf en zestig, kan ’t alle dagen uit zijn.. een fleurus, een koude en ’t is gedaan. In mijn jongde beschouwde ik oude mensen als zijn de van een bijzonder soort: alsof ze altijd oud geweest waren, en de jongen altijd jong zouden blijven. ( Dit moet hij beamen, inderdaad, nu nog kan hij niet wennen aan de gedachte om bij de ouden gerekend te worden.) Wanneer een oud mens stierf, was dit heel eenvoudig: iets dat uit den weg valt, plaats voor een ander – iets waarmede de jonge mensen niets te maken hebben. Zolang men zich jong en gezond voelt, maakt het geen indruk, men denkt alleen aan het leven, - en dat komt zo stilletjesaan…" oud zijn is niets, maar oud worden is veel". (Blomme herinnert zich die spreuk van zijn vader, waarvan hij toen de dracht en den zin niet begreep, maar nu schrikt hij bij de ontdekking: dat hij zelf zo oud is als vader toen hij dit zegde.)
- En hoelang heeft hij nog geleefd, nadat hij de spreuk had gedaan? Vraagt Knorre opeens. Blomme vindt het ongepast daarop te antwoorden, hij geeft zich verloren, staat voor het onvermijdelijk noodlot: hier aangekomen, kan niemand achteruit of terugkeren, koning of bedelaar, het is met geen geld te kopen – allen worden in dezelfden stroom medegesleurd, en van voor honderd jaar is niemand meer over… Blomme overschouwt zijn hele bestaan – het ligt daar voor hem bloot als een watervlak – altijd heeft hij het geluk achternagezeten, blindelings, onbewust, uit innerlijken aandrang, zonder het alevel ooit te kunnen grijpen…
- Ik wel, meumelt Knorre, maar ik heb het altijd gegrepen waar het te grijpên was; gij iet.
Blomme is verplicht die waarheid te beamen: gelijk een peerd in een ketsekar heeft hij zijn streng getrokken, en anderen opgejaagd te doen zoals hij. Zijn vrouw, die slore – altijd heeft ze naast hem geslaafd – nu eerst ziet hij in dat ze samen gekoppeld door ’t leven zijn gegaan, met elkander vergroeid zijn, dat hij van haar houdt zonder het ooit geweten te hebben, zonder dat ze malkaar ooit een schoon woord konden geven… de kinderen, die zijn uitgevlogen, zien naar den oude niet meer om, hebben al genoeg met hun eigen last, - en wat kunnen ze voor hem doen? hij wil zich niet voorstellen dat het eens uit zal zijn, het werk voortgaan zonder hem – die schoon geregelde volgorde van: elken morgen opstaan, elken avond weer slapen – dat een ander zijn plaats moet innemen, zijn kleren zal aantrekken en werken gelijk hij gedaan heeft… dat het huis, de bomen, dat de seizoenen, dat alles er blijven zal en voort zijn loop nemen, wanneer hij er niet meer is… het eeuwig weerkerend verlangen naar de uitkomen met den lust om dezelfde bezigheid te hervatten… Hij overschouwt de onmetelijk open ruimte waar ’t verleden en de toekomst in elkander lopen. ’t Geen in de tegenwoordigheid bestaat is een stippel tussen die, twee uiteinden, hier samengevat in de omsloten ruimte van den ast.
Als we er niet meer zijn, zullen anderen deze vuren stoken, bonen keren, gelijk het gedaan werd door degenen die voor ons gekomen zijn…
Het staat in Blommes verbeelding als het wentelen van een reusachtig wiel, waarvan de spaken beurtelings aan de kim naar boven draaien en weer ondergaan…
Daarmede komt hem als bij openbaring den zin van het leven duidelijk voor: alles wat hem zo belangrijk en noodzakelijk scheen, heeft nu zijn waarde verloren, - al die jaren heeft hij gewerkt en gebeuld in een jacht naar iets dat niet bestaat; onder het werken is er altijd die droom geweest, dat verlangen om ergens te komen, en nu blijkt het dat die droom zelf – en niet de verwezenlijking ervan – het geluk van zijn bestaan heeft uitgemaakt, - het nagejaagde bezitten is niet het geluk, maar wel het bedromen, dààrin heeft hij al zijn voldoening gevonden, - het is zijn sterkte geweest om vol te houden…

Stijl Streuvels. Het leven en de dood in den ast (1926)

 

KAREL VAN DE WOESTIJNE

 

WIJDING AAN MIJN VADER

Gij, die kommrend sterven moest, en Vàder waart,
en mij liet leven, en me teder léerde leven
met uw zacht spreken, en uw strelend hande-beven,
en, toen ge stierft, wat late zon op uwen baard;

- ik, die thans ben als een die in den avond vaart,
en moe de riemen rusten laat, alleen gedreven
door zoele zomer-winden in de lage reven,
en die soms avond-zoete water-bloemen gaêrt,

en zingt soms, onverschillig; en zijn zangen glijden
wijd-suizend over ‘t matte water, en de weiden
zijn luistrend, als naar eigen adem, naar zijn lied...

Zó vaart mijn leve’ in vrede en waan van dood begeren,
tot, wijlend in de spiegel-rust van dieper meren,
neigend, mijn aangezicht uw aangezichte ziet.

Uit: Het Vaderhuis, 1903

 

KOORTSDEUN

‘t is triestig dat het regent in de herfst
dat het moe regent in de herfst, daar buiten.
- En wat de bloemen wégen in de herfst;
- en de óude regen lekend langs de ruiten...

Zwaai-stil staan grauwe bomen in het grijs,
de goede sidder-bomen, ritsel-wenend;
- en ‘t is de wind, en ‘t is een lamme wijs
van kreun-gezang in snakke tonen stenend...

- Nu moest me komen de oude drentel-tred;
nu moest me ‘t oude vrêe-beeldje gaan komen,
mijn grijs goed troost-moedertje om ‘t diepe bed
waar zich de warme koorts een licht dierf dromen,

...’t is triestig dat mijn droefheid thàns moet komen,
en lomen in ‘t atone van de bomen;
- ‘t is triestig dat het regent in de herfst.

 

PAUL VAN OSTAYEN

VERS 6

Ik kan geen postzegels verzamelen
Ik kan geen vrouwenfoto’s verzamelen
Ik kan geen amourettes kollektioneren
En geen wijsheid
Ik kan niets meer
                            Ik kan niets meer

Waarom doof ik de lamp niet
           En ga ik niet te bed
Ik wil beproeven
            Naakt te zijn
            Bloot wie weet wel gevroren purper
                                                en bleekheid

Is zo niet het gans beginnende begin

Ik wil niets weten
Ik wil niet vragen
          Waarom
           Ik niet werd een postzegelkollektioneur

Ik zal beginnen mijn debâcle te geven
Ik zal beginnen mijn faljiet te geven
Ik zal mij geven een stuk gereten arme grond

Een vertrapte grond
Een heidegrond
Een bezette stad

Ik wil bloot zijn
            En beginnen

Uit: Feesten van angst en pijn.

 

MELOPEE

Onder de maan schuift de lange rivier
Over de lange rivier schuift moede de maan
Onder de maan op de lange rivier schuift de kano naar zee
Langs het hoogriet
Langs de laagwei
Schuift de kano naar zee
Schuift met de schuivende maan de kano naar zee
Zo zijn ze gezellen naar zee de kano de maan en de man
Waarom schuiven de maan en de man getweeën gedwee naar de zee.

Uit: Nagelaten gedichten II

 

POLONAISE

 

Ik zag Cecilia komen
Op een zomernacht
Twee oren om te horen
Twee ogen om te zien
Twee handen om te grijpen
En verre vingers tien
    Ik zag Cecilia komen
    Op een zomernacht
        Aan haar rechterhand is Hansje
        Aan haar linkerhand is Grietje
            Hansje heeft een rozenkransje
            Grietje een vergeet-mij-nietje
                De menseneter heeft ze niet gegeten
                Ik heb ze niet vergeten
                    Ei ei ik en gij
                    De ezel speelt schalmei
Voor Hansje en voor Grietje

Hansje met zijn rozenkransje
Grietje met haar vergeet-mij-nietje
Zijn langs de sterren gegaan
                Venus is van koper
                De andere zijn goedkoper
                De andere zijn van blik
                En van saffraan
                Is Janneke-maan
                                Twee oren om te horen
                                Twee ogen om te zien

Twee handen in het lege
En verre vingers tien

Uit: Nagelaten gedichten

 

 

HENDRIK MARSMAN


HEIMWEE

De tijden zijn zwart.
wij zijn eeuwen en eeuwen te laat geboren.
in een mantel gehuld, door een
engel op weerlichten doortocht verloren
en door het onuitroeibaar heimwee vervuld
den koning te zien voor Wien ik had willen strijden,
schrijd ik naar den Dood
en die krijgsman had willen zijn
in de hartstochtelijkste aller tijden,
moet nu in late verwilderde woorden gewagen
van eeuwen, die versomberden tot verhalen
- duister en vurig – van Kruistochten
en Kathedralen.

Uit: Paradise Regained (1927)

 

PARADISE REGAINED

De zon en de zee springen bliksemend open:
waaiers van vuur en zij;
langs blauwe bergen van de morgen
scheert de wind als een antilope
voorbij.

zwervende tussen fonteinen van licht
en langs de stralende pleinen van ’t water
voer ik een blonde vrouw aan mijn zij,
die zorgeloos zingt langs het eeuwige water

een held’re, verruk’lijk-meeslepende wijs:

‘het schip van den wind ligt gereed voor de reis,
de zon en de maan zijn sneeuwwitte rozen,
de morgen en nacht twee blauwe matrozen-
Wij gaan terug naar ’t Paradijs’.

 

LEX BARABARORUM

 

Geef mij een mes.
ik wil deze zwarte zieke plek
uit mijn lichaam wegsnijden.

ik heb mij langzaam recht overeind gezet.

ik heb gehoord, dat ik heb gezegd
in een huiverend, donker beven:
ik erken maar één wet:
leven.

allen, die wegkwijnen aan een verdriet,
verraden het en dat wil ik niet.

Uit: Penthisileia (1925)- opgenomen in Porta Nigra

 

 

IK DIE BIJ DE STERREN SLIEP

"Ik die bij de sterren sliep en ’t haar der ruimten droeg
als zilveren gewei, en ’t stuifmeel der planeten
over den melkweg blies en in de maan gezeten
langs ’t grondeloze blauw der zomernachten voer,

Ik ben beroofd en leeg, mijn schepen zijn verbrand,
mijn stem verloor haar gloed en vindt geen weerklank meer
in ’t dode firmament, niets dan galm die keert
van ’t sombere gewelf van mijn ontredderd hart.

ik sta alleen, geen God of maatschappij
die mijn bestaan betrekt in een bezield verband,
geen horizon of zee, geen poovre korrel zand
in ’t naamloos wel en wee der brandende woestijn.

ik voel de waatren stijgen in den nacht,
de angst rijst naar den mond en aan mijn lippen staan
vermoeienis en walg, ik heb mijn merg verdaan
in slaafse horigheid aan het roofzuchtig bloed.

niets rest mij dan mijn val, laat mij te pletter slaan
en kermen als een meeuw tussen het zwarte wier;
die eens als zon in ’t zenith heeft gestaan,
zal bijten in het zand als een kreperend dier".

Uit: Tempel en Kruis (1940)

 

MARNIX GIJSEN


MIJN VADERTJE


Mijn vadertje, hij was rechtvaardigheid.
Hij had den zwaren last op zich geladen,
Een eerlijk man te zijn
In woord en daad.
Dat is het schone dwaze kwaad
Waar, na ons Here Jezus Christus,
De sterkste man aan ondergaat.

Zijn oog was rustig blauw; een verre zee.
Zijn woord van blijheid soms plotse fuseé
In stalen nacht.
Hij lachte rood en zoende onverwacht
Zijn dwaze haren en mijn jong gedacht.

De hoge schepen die de Schelde droeg,
Hij wist hun laden vast en schoon te sturen.
Hij had hun namen lief,
Om mee te spelen, - als een kind naïef -:
Karatschi, Bantos, Calcutta,
Lijk schoon koralen.

Hij wist de haven, heimwee en verdriet,
Bij vroege morgenmist,
En in de avond onder luid en rauw sirenenlied.

Hij heeft de bossen van zijn jeugd bemind.
Hij kende bomen lijk wij mensen kennen.
Hij wist de winden en den oogst
En wou mijn handen aan ’t ruw bedrijf des jagers wennen.

Mijn vadertje, hij was rechtvaardigheid.
Hij had de goede liefde tot de still’ en ware dingen.

Onder de schaduw van een dorpse kerk
ligt zijn sobere zerk.
Ik weet hoe zijn gedenken mij gelijk een lichte wolk behoedt
Zijn rode bange handen hield hij stervend Christus tegemoet.

Uit de bundel: Het Huis (1925)

 

MARTINUS NIJHOFF

DE WOLKEN

Ik droeg nog kleine kleren, en ik lag
Lang-uit met moeder in de warme hei,
De wolken schoven boven ons voorbij
En moeder vroeg wat ‘k in de wolken zag.

En ik riep: Scandinavië, en: eenden,
Daar gaat een dame, schapen met een herder –
De wond’ren werden woord en dreven verder,
Maar ‘k zag dat moeder met een glimlach weende.
Toen kwam de tijd dat ‘k niet naar boven keek,

Ofschoon de hemel vol van wolken hing,
Ik greep niet naar de vlucht van ’t vreemde ding
Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.
Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide
En wijst mij wat hij in de wolken zier,

Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet
De verre wolken waarom moeder schreide –

Uit: Vormen (1924)


HET TUINFEEST

De juni-avond opent een hoog licht
Boven de vijver, maar rond om de helle
Lamp-lichte tafel in het grasveld zwellen
De bomen langzaam hun groen donker licht.

Wij aan ’t dessert, eenzelvige rebellen,
Ontveinzen ’t in ons mijmerend gedicht,
Om niet, nu ’t uur eind’lijk naar weemoed zwicht,
Elkanders kort geluk teleur te stellen.

Ginds, aan de overkant, gaan reeds gitaren,
En lampions, en zacht-plassende riemen,
Langzaam over verdronken sterren varen –

Zij zingen, nijgen naar elkaar en kussen,
Geenszins om liefde, maar om de sublieme
Momenten en het sentiment daartussen.


HET KIND EN IK

Ik zou een dag uit vissen,
ik voelde mij moedeloos
ik maakte tussen de lissen
met de hand en wak in het kroos.

Er steeg licht op van beneden
uit de zwarte spiegelgrond.
Ik zag een tuin onbetreden
en een kind dat daar stond.

Het stond aan mijn schrijftafel
te schrijven op een lei.
Het woord onder de griffel
herkende ik, was van mij.

Maar toen heeft het geschreven,
zonder haast en zonder schroom,
al wat ik van mijn leven
nog ooit te schrijven droom.

En telkens als ik even
knikte dat ik het wist,
liet hij het water beven
en het werd uitgewist.

Uit: Nieuwe Gedichten (1934)

 

GERRIT ACHTERBERG

 

ACHTER HET EINDE

De wind en haar kleren lagen nog saam
Maar het was al over;
Ergens tegen de sterren aan
Sloeg het raadsel uiteen maar wie gelooft er
Dat het hiermee eindigt, wat zo begon
Dat het de elementen verzamelen kon
In énen greep, binnen één bloed?
Wat zo begon
Dat ik het zelf niet geloven kon,
Dat ik niet wist waarom het begon
Dan dat het niet anders eindigen kon
Dan in de eeuwigheid.

 

HET NAMELOZE

Het nameloze, doelverlatenen van dit:
Tussen de mensen in te zijn als een
Tussen de stenen van de straat verloren steen;
O dood getal in lege som alleen.

Herfst neem mij bij uw blaren,
Deze September is te wit
Om alleen in te dwalen
En ik ben als een blad alleen.
Laat mij weer worden aarde
Met aarde over mij heen;
De ene vorm die mij bewaarde
Is heén.

 

DROOMSCHUIM

Terug naar studiewijzer

 

Droomschuim was deze nacht
Een gaaf gezicht en warme kleren
Wij spraken veel en vlug
Omdat het niet kon duren.

Je was hertrouwd, hij zag
Onze intimiteiten.
Hij sloeg zijn ogen neer
Zonder verwijten.

Je sloeg op hem geen acht:
Herroepelijk ontstonden
De oude plattegronden
In vogelvlucht. In vogelvlucht.

Je zei: nu moet ik terug.
Je mantel en haar werden stug.
Toen ben ik wakker geschrokken:
Op de scharnieren der eeuwigheid
Draaide de tijd
Dicht als een deur achter je rokken.

 

 

JAN ENGELMAN

 

MOERBEI

De zwarte moerbei zwelt in ’t groen
De toppen hellen over –
Hier beneden in het koel plantsoen
Zo wil zij naar een oud fatsoen
De vriendelijke dingen doen
Te rollen door het lover.

Ver boven zinnen is verdriet
En dansen der planeten –
Alleen de moerbei weet het niet
Terwijl zij zinloos sappen schiet
En Orpheus met zijn smalle riet
Zal ’t nimmer meer vergeten

O moerbei moerbei mirabel
En haren in cascade –
Waar is een vogel even snel
Een ziel van vuur zo wit en fel
Een dichter minder meer in tel
Dan onder uw bravade?

 

VERA JANACOPOULOS

Ambrosia, wat vloeit mij aan?
Uw schedelveld is koeler maan
en alle appels blozen

de klankgazelle die ik vond
hoe zoete zoele kindermond
van zeeschuim en van rozen

o muze in het morgenlicht
o minnares en slank gedicht
er is een god verscholen

violen vlagen op het mos
elysium, de vlinders los
en duizendjarig dolen

 

                                                      

EN RADE

Vocalise voor Cavalcanti

Groen is de gong
groen is de watergong
groen is de gong van de zee

Sulina, Braïla
Sulina, Brest
Sulina, Signapore
achter de vest

stem die mijn slaap doorzong
waterklok, watertong
koperen long van de ree

Sulina, Braïla
Sulina, Brest
Sulina, Senegal
wijd van het nest

hang die mijn ziel doordrong
waterdroom, watersprong
loeiende gong neem mij mee

Sulina, Braïla
Sulina, Brest
Sulina, Zanzibar
buiten is best

groen is de gong
groen is de watergong
waterwee, watergong
groen is de gong van de zee

Jan Engelman
(uit:
Verzamelde gedichten, Amsterdam, 1972)

 

 

 

 

 

HUGO CLAUS

 

WEST-VLAANDEREN

Dun lied donkere draad
Land als een wit laken
Dat zinkt

Lenteland van hoeven blauwe melk
En kinderen van wilgenhout

Koorts en zomerland wanneer de zon
Haar jongen in het koren maakt

Blonde omheining
Met de doofstomme boeren bij de dode haarden
Die bidden " dat god ons vergeve
Wat hij ons heeft aangedaan "

Met de rode vissers die op hun boten branden
Met de gevlekte dieren de schuimende vrouwen
Die zinken

Land gij breekt mij aan mijn ogen zijn scherven
Ik in Wabash met gescheurde zolen
Ik in Ithaca met gaten in mijn vel
Ik leen uw lucht in mijn woorden
Uw struiken uw linden schuilen in mijn taal

Mijn letters zijn: West-Vlaanderen duin en polder

Ik verdrink in u
Land gij wordt een gong in mijn schedel en soms
Later in de havend
Een kinkhoorn: mei en kever Duistere lichte
Aarde.

Uit: Tancredo Infrasonic (1952)

 

IK SCHRIJF JE NEER


Mijn vrouw, mijn heidens altaar,
Dat ik met vingers van licht bespeel en streel,
Mijn jonge bos dat ik doorwinter,
Mijn zenuwziek, onkuis en teder teken,
Ik schrijf je adem en je lichaam neer
Op gelijnd muziekpapier.

En tegen je oor beloof ik je splinternieuwe horoscopen
En maak je weer voor wereldreizen klaar
En maak een oponthoud in een of ander Oostenrijk.

Maar bij goden en bij sterrenbeelden
Wordt het eeuwig geluk ook dodelijk vermoeid,
En ik heb geen huis, ik heb geen bed,
Ik heb niet eens verjaardagsbloemen voor je over.

Ik schrijf je neer op papier
Terwijl je als een boomgaard in juli zwelt en bloeit.

 

 

DE VERWONDERING

De verwondering beschrijft de aarzelende pogingen van een leraar om het verloop van de gebeurtenissen die hem de jongste tijd overkomen zijn, te catalogiseren en op te schrijven. Dit loopt niet van een leien dakje en wel om diverse redenen: ten eerste geraakt hij verward in een kluwen van fanatici die een Vlaams S.S.-officier herdenken, anderzijds heeft hij moeite om de identiteit van een raadselachtig meisje te achterhalen. Daarenboven is het vrij lastig om in het rusthuis, waar hij zich bevindt, een en ander op te schrijven, omdat hij er alles stiekem moet doen.

Hier volgt de hallucinante beschrijving van zijn prefect. Merk op hoe ze in een lange innerlijke en onuitgesproken monoloog vervat zit en hoe we alles door het brein van leraar De Rijckel zien. Het lijkt wel een legpuzzel, waar je steeds naar het enige en verhelderende stukje op zoek bent.

 

De prefect - (is glad. veel hoor ik spreken over zijn voorganger, een zekere Normand, die last heeft gehad na de bevrijding en o zo braaf en zo rechtvaardig was geweest, beweren de leraars. Maar toch ben ik in mijn schik met deze heerser. Misschien wel omdat hij mij te glad af is.
Zijn haar, grijzend al, gladgelakt als in de jaren twintig de bioscoopvedettes. Zijn wat al te ver vooruitgeschoven kinnebak, zijn adamsappel. De kalfslederen handschoenen die hij aanhoudt, nu hij mijn uitgestoken hand vatten moet. Schoenen die kraken, een gesteven hemd, o wat een nobele jager!
Soms behaagt het hem les te geven. Geschiedenis en solfège. Als hij de maat slaat, heft hij zich wat op de tenen. Doredo. Redo. Mifamido. Sollasido. En geschiedenis is zijn hobby, zijn postzegels, zijn duivenmelkerij. Zo is het niet verwonderlijk dat hij zich actief bezighoudt met de jeugdbeweging der Partij. Evident. Hij heeft ook een koor gesticht op de school. Gekweel. Zaligheid. De kleine zangers van de houten Galg. langzaam krijgen de contra-tenors gezwellen in de keel, dons onder de neus en worden er uitgetrapt. Orde moet er heersen. de Prefect is de gladste man die ik ken. Daarom is hij Prefect. Zoveel beheersing, mensenkennis, zoveel wiggelwaggel in het domein van de mogelijkheden, zoveel vormelijk volmaakte diplomatie moet worden beloond. Ah, nu tikt hij vlak onder mijn sleutelbeen met zijn naakte vinger. Hoewel niemand anders hem kan zien, want de jongens staan in de gang en wij zijn alleen in de klas, poseert hij, haalt diep adem zoals T.V.-commentators doen vlak voor de eerste zin, en knipoogt, buigt half):
- "de Rijckel!"
Ik - ...
De Prefect - (ingekapseld in zijn houding als een larve in zijn cocon. Nooit zal een beleefdheid wreder zijn dan de zijne! Hoe keurig koud en kittelorig afstandelijk houdt hij het hoofd naar voren alsof hij luisterde naar het deinende leven in de gang waar de jongens rumoerig worden. Hij heft het hoofd dan, ruikt iets, hij snuift, de nabijheid van mensen ruikt hij, iets ranzigs; wij, mensen, behoren wel tot zijn ras, maar onvolkomen. O, de ronde, door geen nicotine besmette top van zijn vinger met de gewelfde, matte nagel waarvan het maantje aandachtig blootgeduwd, gevijld en opgewreven werd door een van zijn drie dochters, glijdt nu langs de geschoren wang en zoekt er naar een stoppel, een plooi en aarzelt, glijdt terug, een met hoorn bewapend lidje dat zijn weg zoekt, zoals zijn stem een vertrouwde weg neemt en zegt) - "de Rijckel."
De hand bij de wang hield - nu pas zie ik het - een grijze, gestroopte hand vast; een trosje opgebruikte vingers, een stukgebeten duim, een lederen hand buiten dienst - (haar dienst: mij openbaar vernederen) - vlakbij het gezicht van de Man.
Hij slaat met zijn handschoen tegen zijn dij, wakkert het paard in hem aan, bedwingt onmiddellijk de steigering en kijkt naar mijn linkeroor, de lel weerhoudt al zijn aandacht. Hij ruikt naar amandelhout, te sterk verbrande koffie en naar iets in metaal. Het vindelig blad van zijn voorhoofd plooit niet open. Alles is moeilijk in het bedreigde rijk van een Prefect, want Wij, Prefect van een spiegelgladde speelplaats, een domein waarop men rolschaatsen zou in de verstrooiing, waren Wij er niet, Wij heerser en temmer, aanmoediger van het talent en de discipline onder de onmondige leraars. Wij kennen de dagelijkse kwalen en één daarvan, één tussen de stapels die voor
Ons klaar liggen elke dag, een last op de maag, formulieren op het bureau, wel, de eerste kwaal vandaag - ofschoon Wij al een hele tijd op de bres stonden, gepijnigd en vervroren in de ijskast van Onze ijzeren wil, de eerste werkelijke kwaal die Wij moeten bevechten vandaag, heel gauw, voor zij zich als longpest verspreidt, is deze de Rijckel hier, voor Ons, en de Prefect zegt:
"Beste de Rijckel, vergeef mij als ik uw onderricht onderbreek, het is namelijk van belang nietwaar, nietwaar, ik had mij voorgesteld, stel u voor, dat jij misschien de vergadering van vanavond over het hoofd zou gezien hebben, nietwaar. dat zou op zijn minst genomen, gesproken, nietwaar, jammer zijn, want ik heb heel wat voor jou op het oog, overigens, je weet dat, nietwaar, beste de Rijckel, dat ik heel veel voor je over heb en ik zou je wel iets aan de hand kunnen doen dat je ten goede zou kunnen komen maar beroepshalve kan ik hier nog niet over uitweiden. Ik spreek, niet? vanavond dus over, na de dagorde en de communicatie van het bestuur omtrent de deelneming aan de jaarlijkse reis die naar Salzburg gaat dit jaar, eerst een paar woorden over het gewestelijk Comité en daarna over Wat betekent Mozart eigenlijk voor onze jeugd? En ik dacht dat jouw inleiding misschien mijn intense belangstelling voor de jeugdzorg in het licht zou kunnen stellen. Natuurlijk laat ik je vrij om te spreken waarover jij..."
Verder? Ik weiger. Verder. Zijn tanden die de -s moeilijk doorlaten. de ouderwetse a, een a uit de tijd van het Schoon-Vlaams. De kilte van zijn blik, de ogen die helder zijn als beken waarin een middeleeuwse heldin verdrinkt, jawel , en vervriest. de gemelijke mond die duiven uit een kwaad kot loslaat, woorden als "nietwaar, niet, is het niet zo," die hunkeren naar deelneming, nietwaar? Niet? Is het niet zo? Steeds verongelijkt. En overal duidelijk; de kanker die overspoeld wordt door de woorden: nietwaar? is het niet zo? niet? die een geheimzinnig medeleven moeten doen veronderstellen. Alsof zijn etter melodieus ware! En zijn genre fin-de siècle! iets van: deze heer heeft betere tijden gezien en behoudt daarvan nog de allure! Schichtige twijfel, armoedige wanhoop beroeren deze Lebemann, niet, nietwaar? Ja, voorwaar, een geheim druipt over deze onbeweeglijke, volmaakt volwassen gelaatstrekken als een saus. En is de saus niet de ziel van het gerecht?
Wat is hij machtig! Hij is de voornaamste wervel in het geraamte van de school, de onontbeerlijkste schroefbout in de mechaniek van het heelal, zonder hem zouden de meridianen ratelen, en de as van de wereld is: zijn aarzelend pulkende hand met de levenloze handschoen die langs zijn gezicht wandelt, vertraagt. Hij zegt:
"De Rijckel, heb je een ogenblik? Luister. vanavond word je ietsje eerder verwacht dan gewoonlijk. Want onmiddellijk na de voorzitter moet ik spreken. Zo, maak ook je inleiding wat kort. En wees er om acht uur. goed? We rekenen op je."
De Prefect (is voor de ontvoogding, voor de her-opstanding, voor het samenhouden, voor het gezondmaken van alle lagen, voor de eenheid met wat ons zo na aan het hart ligt, voor de verbondenheid met, in het kader van, in de huidige constellatie, op het algemeen menselijk vlak, nietwaar?
Ik ben een kind als hij mij aankijkt, een snotaap. Ik wacht op straf. Geen vuurklapper zal ik ooit in zijn bureau durven bergen want ongedeerd, nonchalant, kraakhelder na de ontploffing zou hij mij tegen mijn kop slaan met zijn droge, geurende handpalm als een harde zegening). Hij zegt:
"de Rijckel. Een moment. Een ogenblik, alstublieft.
Onze stad, mijn beste, heeft kopmannen nodig. Ik ben er een geworden door volharding en energie. Volg mijn spoor en je zal er wel bij varen. De inleiding, ietsje na acht uur, zal je met je gewoon brio volbrengen. Ik ben zeker dat je mij en de Partij niet in de steek zult laten. Er is nog veel te doen, beste en vanavond is het voor de culturele sector van de Partij een krachtproef. men heeft het oog op ons gericht. Tot straks dus. Nietwaar?"

 

 

JAN WOLKERS

 

Een vroege wintermorgen. Daniël, gescheiden, denkt terug aan zijn jeugd, zijn vrouw Sonja en hun dochtertje, dat stierf toen het twee jaar was. Om al die beelden te kunnen vergeten heeft hij dringend behoefte aan frisse lucht.

Buiten de huizen is de wind minder hevig, omdat hij nu niet meer door de straten tot een tweesnijdend zwaard wordt samengeperst.
Daniël steekt de verkeersweg over en loopt het opgespoten land op dat vol dichtgevroren plassen ligt. Waar de wind de sneeuw heeft weggeblazen verschijnt voor zijn voeten een sombere plantenwereld, in zwart ijs vastgeklonken. De bomen van het kerkhof glimmen mat in het bleke zonlicht. Over de sloot die langs het kerkhof loopt gaat hij verder.
Ze liggen goed met sneeuw toegedekt, de kou kan ze niet bereiken. Ze liggen allemaal onder een smetteloos witte deken, want niemand loopt over een graf heen. Achter die taxushaag ligt ze. Twee jaar, godverdomme. Zestig jaar zon en leven te kort gekomen. En ijs en sneeuw en mist en alles wat er te zien is. Hoe lang is het geleden. Al meer dan tien jaar.
Hij blijft staan met opgetrokken schouders, zijn handen in zijn zakken. Zijn bovenlichaam zwaait bijna onmerkbaar van voor naar achter alsof hij moeite heeft zijn evenwicht te bewaren.
Het water is altijd kokendheet op zondagochtend omdat dan iedereen gaat douchen. Het was toen zondag. Ja, zondag was het toen.
Die kamer is weer om hem vol ruzie en bitterheid. En het water komt weer door het plafond langs de muren stromen. Sonja rent naar boven toe. Haar wanhopige stem. Het is geen stem meer, het is het gekreun van een gewond dier.
Wat heeft ze allemaal doorgemaakt daarboven. Ze heeft het meisje uit de wastafel met heet water getild en het in een teil met koud water in de douche gezet. Toen ze met het kindje in een deken gewikkeld met de ziekenauto vertrokken was vond ik op de vloer van de douche het vel van haar handje.
Hij vloekt een paar keer heftig om dat beeld uit zijn hoofd te krijgen. Dan haalt hij een doosje lucifers uit zijn zak en gaat op zijn hurken zitten. Met een lucifer steekt hij een gaatje in het ijs boven een gasbel. Daarna houdt hij een brandende lucifer bij het ontsnappende moerasgas. Er komt een ijle blauwe vlam op het ijs te staan.
De grond zit hier natuurlijk vol gas. Dat hele kerkhof is een terp vol verrotting. Daar ligt vlees van mijn vlees. Maar het is tien jaar geleden. Er is geen vlees meer over, alleen een klein skeletje. Maar als je er verstand van had zou je aan bepaalde kentekenen kunnen zien dat het van ons geweest is. Misschien is haar lichaampje al lang met regenwater door de grond heen naar de sloot gesijpeld. Misschien is dit kleine vlammetje wel haar ziel, het laatste dat er van haar over is.
Het gas is opgebrand, het vlammetje dooft uit. Daniël komt overeind en strekt zijn lichaam. Dan loopt hij verder over het gedeeltelijk door sneeuw bedekte ijs. Bij een dichtgevroren wak zit een waterhoen in elkaar gedoken. Als hij er naar toe loopt heft het dier even zijn kopje op maar het doet geen poging om weg te lopen. Wanneer hij het wil optillen voelt hij dat het vastgevroren zit. Hij duwt de veren opzij. De lange gele poten zitten tot aan het kniegewricht in het ijs. Hij steekt zijn vingers tussen de veren van de vogel en tast voorzichtig met zijn vingertoppen over de ruwe koude huid.
"Jij gaat sterven, kleine vogel," zegt hij zacht. "Je hebt geen vlees meer op je lijf, je bent zo mager als een hout. Je voelt aan als een in elkaar getrapt sigarenkistje. Maar ik zal je niet aan je lot overlaten."
Hij haalt zijn zakmes uit zijn achterzak en gaat op zijn knieën bij de vogel liggen. Dan knipt hij het mes open en steekt ermee in het ijs rond de poten. Waar het lemmet in het ijs verdwijnt ontstaat een nagel van melkglas. Er springen kleine scherven in het rond die op de veren en zijn broek blijven liggen als stukjes glas. Maar op zijn broek smelten ze na verloop van tijd.
"Je hebt geen lichaamswarmte meer," zegt hij. "De kou is al tot op je botten doorgedrongen."
Het waterhoentje strekt zijn hals, maar het is te zwak om zijn kopje omhoog te houden. Het valt in de sneeuw met de snavel open.
"Je opent je bek maar je brengt geen geluid voort," mompelt hij.
Zij deed haar mondje open maar ze zei niets. Ze kon misschien niets meer zeggen. Dat lieve hoofdje van haar, diep weggezakt in het kussen. Het was zo wit als het beddengoed. Alleen haar ogen lagen in donkere doorschijnende schaduwen waar ze in leken weg te zakken. De dokter kwam zeggen dat ze binnen een paar uur dood zou gaan. We konden niet langer blijven. Ik liep van haar bed weg en ze riep mijn naam. Heel zwak. Sonja heeft het misschien niet eens gehoord. Ik heb het haar nooit durven vragen. Dat is het verschrikkelijkste, dat we haar alleen hebben laten doodgaan. Onbegrijpelijk, onbegrijpelijk.
Daniël schudt zachtjes zijn hoofd. De poten van de waterhoen liggen nu los tussen de ijsscherven als dorre gele rietstengels zonder leven. De stukjes die er nog aan zitten tikt hij eraf met het handvat van het zakmes. Er blijven stukjes geschubde huid aan het ijs zitten. Waar de huid van de poten heeft losgelaten in het bleke bot zichtbaar. Hij probeert de vogel overeind te zetten, maar het dier valt hulpeloos om met de poten stijf naar achteren. Zijn kop beweegt heen en weer. Zijn snavel krast een bevend lijntje in de sneeuw.
Daniël staat op en opent zijn jas. Hij stopt zijn trui in zijn broek en laat dan de vogel door de halsopening tegen zijn lichaam glijden. Daarna loopt hij verder over de sloot die links afbuigt naar de dijk. Zijn jas kan hij niet sluiten. De scherpe oostenwind blaast door zijn trui heen. Voor de plaats waar de vogel eronder zit houdt hij beschermend zijn hand.
"Ik zal alles doen wat in mijn vermogen ligt om je in leven te houden," zegt hij bijna onhoorbaar tegen de vogel. "Maar er is geen hoop voor je. Al zou je blijven leven, wat zou er dan van je moeten worden. Je poten zijn al dood. Als ze ontdooid zijn vallen ze misschien wel zo van je lijf. Dan kan je niet meer zwemmen. En het zijn van die mooie lange gele poten waarmee je zo behendig over leliebladeren kon lopen. Maar als je niet meer zwemmen kan ga je toch dood. Dan kan je alleen nog maar een beetje dobberen. Als ik moedig was en ik hield meer van jou dan van mezelf zou ik je doodmaken zonder dat je er iets van zou voelen. Ik zou je kop strelen en je nek en ineens toeknijpen. Dan was je dood voor je begreep wat ik je aandeed. Maar ik heb de moed niet om je ziel van je lichaam te scheiden."
Hij is nu aan de dijk gekomen die een grimmige gletsjerwand lijkt. Met moeite, zich soms vastgrijpend aan dorre planten, klimt hij ertegenop. Als hij boven is gekomen breekt hij door de hoge ligusterheg heen. De polder aan de andere kant van de dijk is een witte oneindigheid die alleen hier en daar onderbroken wordt door de sombere grijze blokken van flats in aanbouw. Op een dichtgevroren plas zitten meeuwen met hun kop naar het oosten. Als Daniël schreeuwt komt er geen leven in ze. Het blijven vogels uit een ondergesneeuwd diorama. Hij wil zijn handen omhoogsteken om de vogels op te jagen en zo een beetje leven in de barheid te brengen, maar dan voelt hij de snavel van het waterhoen door zijn hemd heen in zijn buik prikken, vlak boven zijn riem. Hij trekt zijn trui uit zijn broek en laat de vogel voorzichtig op zijn hand vallen. Hij beweegt niet meer. Het kopje hangt tussen zijn duim en wijsvinger naar beneden.
"Je hebt het niet vol kunnen houden, klein dier," zegt hij. "Misschien ben je wel aan mijn medelijden doodgegaan. Was het te veel voor je, die warmte ineens."
Hij legt zijn andere hand over de vogel heen en staart in de verte waar de sneeuw onmerkbaar overgaat in de grijze wolkenbank die op de horizon staat.
Toen we besloten te scheiden liepen we daar langs de rivier. haar ogen waren vochtig van tranen. We spraken niet. Ik kon niets zeggen om haar te troosten. Halverwege keerden we terug. We gingen naar een film. Jour de fête van Jacques Tati. Wel toepasselijk. Aan het eind toen dat kind achter die kermiswagen huppelde legde ze ineens haar hand op mijn been. Haar vingers krampten samen in mijn broekspijp. Ze huilde. Voor de film afgelopen was gingen we weg. Ik moest haar vasthouden alsof ze blind was want ze liep tegen de zijkanten van de stoelen aan.
Hij veegt een paar ijskoude strepen weg die over zijn wangen lopen. Dan gaat hij op zijn hurken zitten en legt de vogel naast zich in de sneeuw. Met beide handen begint hij een gat te graven. Wanneer hij het gele gras bereikt heeft vindt hij een scherf van een grammofoonplaat. Het is een scherf uit het midden van de plaat met het gat erin. Het ronde papier met de titel zit er aan beide kanten nog op. Hij legt de scherf naast de vogel. Dan probeert hij met zijn vingers de aarde los te wroeten, maar het is of de grond uit gesteente bestaat.
"Je wordt alleen maar in de sneeuw begraven," zegt hij. "Dit is een voorlopig graf. Maar ik beloof je dat ik van het voorjaar terugkom. Zodra de vorst uit de grond is begraaf ik je in de aarde. Maar misschien is het dan niet meer nodig. Misschien ben je dan al helemaal vergaan. Je veren zijn dan al weggewaaid en je botten zijn door een jongetje meegenomen om bij zijn verzameling te zetten."
Hij legt de vogel in het gat en gooit het met sneeuw dicht, die hij met zijn vlakke hand aanslaat zodat er een plat vlak ontstaat als een marmeren plaat. "Het is bijna een officiële begrafenis," zegt hij. "Ik moet alleen nog een teken voor je oprichten."
Hij pakt een takje en steekt dat in de sneeuw. Dan probeert hij de scherf van de grammofoonplaat door het gat langs het takje op de sneeuw te laten zakken, maar het takje is te dik. Hij veegt het vuil en de sneeuw van de scherf af en leest de titel. Op de ene kant staat: One good tune deserves another | foxtrot. Op de andere kant leest hij: Tiny litle finger-prints | foxtrot. Tanz Orchester mit Englischem Gesang.
Zijn linkerooglid gaat ineens trillen. Hij trekt zijn schouders op en duwt met een plotselinge beweging de scherf onder de sneeuw. Dan staat hij op en loopt over de dijk naar de rivier.
Godverdomme, ja, tiny little finger-prints. Het was van chocoladepasta. Ze had allebei haar handjes tegen de muur gedrukt. Misschien heb ik er haar wel een standje voor gegeven. Ik probeerde ze weg te wassen nadat ze was doodgegaan. Het ging niet. Ik zette er een schot voor zodat Sonja het niet steeds zou zien. Toen de muur later gewit werd verdwenen ze. Alleen als ik met mijn gezicht heel dicht bij de muur kom zie ik ze nog vaag door de kalk heen. Maar je moet wel weten waar ze gezeten hebben. Misschien is het wel verbeelding. Rechts in de hoek. Ik kan in het donker mijn hand precies op die plek leggen.
"Ja, ja," mompelt hij, " tiny little finger-prints. Tanz Orchester mit englischem Gesang. Dat moet een vrolijk nummertje geweest zijn."

Jan Wolkers: Een roos van vlees

In de loop van diezelfde dag behandelt Wolkers via Daniël alle levensproblemen zoals b.v. liefde, dood, godsdienst, euthanasie, abortus, rassendiscriminatie, intermenselijke relaties, oude mensen, reclame, leven na de dood. In de namiddag krijgt Daniël het bezoek van Emmy. Zij ontdekken dat ze heel wat gemeenschappelijks hebben.

 

WARD RUYSLINCK

 

Basile Jonas, leraar aan een meisjeslyceum, werd op overheidsbevel naar Paalberg gebracht. De aanleiding hiertoe is dat hij Martha Simons, een van zijn leerlingen, geherbergd heeft om haar te beschermen tegen Johan Drexeler, de al te opdringere vriend van haar moeder. De werkelijke reden is dat er in de maatschappij, uitsluitend gebaseerd op nut en winst, geen plaats is voor een gevoelige man als Basile. Enkele maanden later brengen Martha en Johan, onwetend betreffende Basiles lot, een bezoek aan Paalberg.

Martha had zich vergist: de grote attractie van Paalberg bleken niet de levende fossielen in de kamertjes boven te zijn, maar de dode fossielen in het aangebouwde paviljoen. Dit werd haar tenminste door meneer Puck verzekerd terwijl ze om het huis heen naar het achtergebouw liepen. Meneer Puck had een slap verwelkt gezicht, maar levendige brutale ogen; hij was heel lief voor haar en probeerde, tussen de wetenschappelijke bedrijven door, een beetje te flirten.
"Dode fossielen?" vroeg ze verbaasd. "Bedoelt u dat er dode... mensen te zien zijn?"
"Ja. Na hun dood worden onze gasten gemummificeerd en bijgezet in het paviljoen. Dat is van enorm veel belang voor de wetenschap," zei hij. Martha haatte dit zinnetje: van enorm veel belang voor de wetenschap. Zij had steeds gedacht dat de wetenschap de kroon was op het hoofd van de mens, maar het was blijkbaar heel anders: de mens was aardig op weg om een van de afvalproducten van de wetenschap te worden.
"Eeuwen lang heeft men de gelukkige voorzorg genomen om de interessantste exemplaren van de levende fauna en flora voor het nageslacht te bewaren, maar het is onbegrijpelijk dat men er nooit aan gedacht heeft hetzelfde te doen voor de mens," legde de verpleger uit. "Paalberg is zonder enige twijfel een eerste stap in die richting."
Martha gruwde.
"Dit paviljoen is dus zoiets als... als een museum voor menselijke fossielen?"
"Inderdaad. Een museum, of een permanente tentoonstelling als u dat liever hoort. Kijk, we zijn er al. Ik hoop dat u niet van uw stokje zult vallen. Dat gebeurt in deze afdeling wel vaker, en het zijn heus niet alleen teergevoelige jonge meisjes wie dit overkomt."
Hij wil me alleen maar bang maken, dacht Martha, maar toch voelde ze zich beklemd om haar hart toen ze na Johan en de directeur de koepelvormige uitbouw betrad. Ze had ooit maar één dode van dichtbij gezien, haar grootmoeder, maar die had er bij leven al als een verschrompelde mummie uit gezien en die eerste confrontatie met het grote levensmysterie was haar dan ook niet zo hard gevallen.
"... de kern van een unieke verzameling. Ere wie ere toekomt, het idee is in feite afkomstig van iemand die u waarschijnlijk kent, of gekend hebt: professor Adams. een man met een feilloze intuïtie, die vijftien jaar geleden al gewezen heeft op de mogelijkheden..."
Een ogenblik had Martha de indruk dat de stem uit een verborgen luidspreker kwam, maar toen merkte ze opeens dat de woorden die ze hoorde gevormd werden door de mond van dr Faes, die Johan toelichtingen verschafte; zijn stem klonk in de gewelfde rotonde helemaal anders dan zoëven. Johan en de directeur draaiden zich bijna gelijktijdig naar haar om en schenen haar door die beweging uit te nodigen, wat dichterbij te komen. Weifelend gaf ze aan die uitnodiging gevolg en toen ze naast hen stond en de verlichte vitrines zag, schrok ze. De verpleger had haar omzichtig voorbereid op wat ze te zien zou krijgen, maar toch ging er nog een schok door haar heen. Langs de buitenmuur van de rotonde - de muur waarachter de vogels in het park vrolijk kwetterden - waren, in een wijde halve cirkel, een dozijn of wat grote glazen kasten opgesteld, en in die kasten lagen, zaten of stonden de menselijke fossielen, de interessantste en zeldzaamste exemplaren van een verschemerende generatie, opgezet als voorhistorische dieren: onbekende naakte mannen zonder leeftijd, ongezwachtelde mummies met wasgele huid en blinde ogen. Hun geslacht was onbedekt en instinctief, terwijl haar ontsteltenis overging in mistige verbazing, werd Martha's aandacht daarnaar getrokken. Gefascineerd keek ze ernaar, want ze was op de leeftijd waarop ongezonde nieuwsgierigheid gemakkelijk alle andere gevoelens verdringt. Het was of ze eerst alleen door een klein gaatje keek, door een sleutelgat dat haar gezichtsveld begrensde rond de gestorven genitaliën. Pas na enkele seconden duwde iemand de deur van haar bewustzijn open en omvatte haar blik de volledige werkelijkheid. Zij huiverde en verdronk in een wirwar van stormachtige en tegenstrijdige gevoelens. Zoiets vreselijks had ze nog nooit gezien, ze kreeg er kippenvel van. EEN VERZAMELING DODE MENSEN. Jezus Christus, hoe bestond het? Waren het wel echt dode MENSEN? Ze was maar half overtuigd, vooral toen ze ging letten op enkele bijzonderheden die haar in haar aanvankelijke verwarring ontgaan waren: de blauwige vinger- en teennagels, en het vreemde vlossige hoofd- en schaamhaar, dat deed denken aan postiches, aan pluizig poppenhaar. Zou het soms bedrog zijn, vulgair kermisbedrog? Had men hen voor de grap een panopticum binnengeloodst, of hoe heette zo'n verzameling wassen poppen ook weer? Maar neen, dit kon onmogelijk een grap zijn. Toch zeker niet om haar te verbazen. Een grap waarbij zoveel mensen betrokken waren... Ze schoof schuw haar arm onder die van Johan en terwijl ze met z'n allen van vitrine naar vitrine wandelden om de verschillende "objecten" van nabij te bekijken, kwamen in haar herinnering plots de woorden boven die ze de dag tevoren uit de mond van de minister had gehoord, onvolledig en uit hun logisch verband gerukt: " de belangen van de enkeling worden opgeofferd aan de belangen van de gemeenschap" en "de natuur dicteert de wetenschappelijke wetten, en omdat de natuur onrechtvaardig is zijn ook die wetten onrechtvaardig". Als een blinde vlek zweefde het woord voor haar oog mee, van kast tot kast: O N R E C H T V A A R D I G. Degenen die de touwtjes in handen hadden wisten het dus zelf, dat ze onrechtvaardig waren - waarom maakten ze er dan geen einde aan? Omdat de ongerechtigheden niet aan henzelf bedreven werden en ze niet genoeg verbeelding hadden om zich te kunnen voorstellen wat het betekende, vernederd en verworpen te worden?
"De laatste romanticus," zei de directeur en tikte zacht met zijn vinger tegen het glas. "Een mooie replica, zo goed als onbeschadigd..."
"Er worden er dus wel eens beschadigd bij het opzetten?" vroeg Johan ingetogen.
"Dat komt vrij regelmatig voor," beaamde dr. Faes. "Meestal is dit een gevolg van transsudaat, doorsijpeling van weefselvocht. Ook voortijdige verstijving kan ons heel wat last bezorgen, dan moeten we gaan kneden of breken en dat valt heus niet mee. Kijk, deze homo humilis bijvoorbeeld heeft verschillende fracturen opgelopen. Maar dokter Ryckhoven is een echte goochelaar, hij heeft hem heel handig opgeknapt. Alleen een geoefend oog kan de beschadigingen opmerken."
"Merkwaardig," zei Johan en boog zich een weinig voorover om wat beter de enkele suggestieve persoonlijke bezittingen te kunnen bekijken die, als de attributen van een heilige, aan de voeten van de homo humilis lagen uitgestald: een ouderwets stalen brilletje, een medaillonportret en een vel handschrift. "Een brede marge," mompelde hij, het handschrift bestuderend. Dat duidt zeker op regressieve neigingen."
Martha voelde zich wee worden onder de starre glazige blik van de dode man in de kast. Het hoofd lichtjes gezonken, heel nederig zoals het hem paste, zat hij op een primitief bankje, de benen gespreid. Zijn linkerhand rustte op zijn knie en met de rechter bedekte hij kuis zijn geslacht. Zijn dijen stonden vol pukkeltjes en een van zijn kuiten was door paarse littekens geschonden. Waarschijnlijk was ook hij, kort voor zijn dood, " door de honden gegrepen ". Martha dwong zichzelf de ogen neer te slaan. Haar knieën knikten en onwillekeurig omklemde ze wat steviger Johans arm. Niet kijken, hield ze zichzelf voor. Maar ze keek toch. Ze moest kijken. haar nieuwsgierigheid en zucht naar sensatie waren sterker dan alle andere gevoelens.
"Dit is een typus ingenuus, een ingénu..." zei dr. Faes, hen meetronend naar de voorlaatste vitrine.
"Voelt u zich goed?" fluisterde meneer Puck bezorgd bij Martha's oor.
"Het gaat wel," zei ze met een flauwe glimlach.
Ze was vastbesloten niet toe te geven aan haar zwakheid, maar hoe ze zich ook vermande, het hete drukkende gevoel in haar maag ging niet over. Integendeel, het werd voortdurend erger; het zweet brak haar uit en ze deed nauwelijks nog moeite om aandachtig te blijven. Toen ze zag dat de laatste vitrine leeg was, verademde ze.
Op Johans vraag, of deze laatste kast al voor iemand bestemd was, antwoordde de directeur bevestigend. "Toevallig," zei hij, "is een van onze gasten vorige donderdag bezweken aan de gevolgen van een latente, maar onstuitbare levercirrose. De dokter en meneer Puck hebben hem vrijdag samen opgewerkt, nietwaar meneer Puck? Op het ogenblik ligt hij op de balsemtafel, in het laboratorium, in afwachting van de finishing touch die hij - ja, laat eens kijken, wanneer zal hij die krijgen? Dinsdag, denkt u niet, meneer Puck?"
"Vermoedelijk volgende dinsdag, overmorgen dus," zei meneer Puck. "De dag van de bijzetting."
"Ik zou hem wel graag even zien, als dat mag." gaf Johan met een vage verontschuldigende glimlach te kennen.
"Natuurlijk," zei dr. Faes. "We kunnen van hier uit direct de balsemkamer in. Meneer Puck heeft de sleutel." De verpleger haalde een sleutel te voorschijn en ging hen voor naar een deur achterin. "Natuurlijk mag u hem zien. U moet hem zien. Het is een van de prachtigste voorbeelden van een homo mollis die men zich kan voorstellen: de weke, sterk introverte gevoelsmens, die zijn ontroeringen cultiveert en er liever aan ten onder gaat dan zich zelfs maar in de geringste mate aan te passen aan zijn omgeving."
De korte tijd, die nodig was om zich van het paviljoen naar de balsemkamer te begeven, was voldoende voor Martha om zichzelf weer min of meer in de hand te krijgen. De vitrines met de afschuwelijke mummies weken terug tot op de rand van haar gezichtsveld, en ze schakelde al haar natuurlijke afweervermogens in om ze nog verder terug te dringen, tot op de rand van haar bewustzijn. Met een duizelig gevoel in haar hoofd en zonder Johans arm los te laten, betrad ze samen met de anderen het laboratorium, waarvan een gedeelte was afgescheiden en ingericht tot balsemkamer. Er hing een scherpe, doordringende lucht, die bij Martha onmiddellijk weer een begin van misselijkheid veroorzaakte.
Meneer Puck, die hier op vertrouwd terrein was, nam ingevolge een stilzwijgende afspraak dadelijk de leiding over. Hij wees onder meer de glazen kolven, de gummislangen en de wasgoot aan en lichtte de betekenis ervan toe. Hij was klaarblijkelijk in zijn element. Aan zijn stem ( want ze keek niet naar hem, ze keek nergens naar) kon Martha horen dat hij helemaal opleefde. Terwijl hij Johan vertelde dat de lijken werden ingespoten met een formaline-oplossing en dat daarna de buik- en borstingewanden werden verwijderd, zag zij vol ontzetting het ogenblik dichterbij komen waarop ze de inhoud van haar ingewanden over zijn mooi gepoetste schoenen zou uitbraken. Om dit ogenblik zo lang mogelijk uit te stellen, staarde ze kokhalzend naar de stenen vloer vol grote donkere vlekken en naar de ondiepe afvoergeultjes die erdoorheen liepen. De geultjes, die eerst recht schenen te lopen, begonnen na een tijdje zacht te slingeren, en tussen die golvende lijnen bewogen onwerkelijk traag de voeten van de verpleger, alsof hij op een veld van elektrische ontladingen stond. Toen ze zijn zwarte glimmende schoenen niet meer zag en alleen nog zijn stem hoorde, een heel eind van haar weg ( zijn stem die zei: en dit is dan de homo mollis..."), wist ze waarachtig niet meer waarheen ze moest kijken. Opzien was al even erg als omlaag zien, de golvende lijnen verenigden zich tot cirkels, vlammende hoepels die haar aan alle kanten omsloten, en ze was bang dat ze er doorheen zou moeten springen, op goed geluk af, wilde ze aan dit alles ontkomen. "We zullen hem liggend moeten bijzetten, want zijn rug is een weinig beschadigd..." ging de stem voort, en andere stemmen ondersteunden hem met vreemde ongearticuleerde klanken, woorden die over haar heen wapperden en sissend in de vlammende hoepels opbrandden: "hooomooo mollisss... orgaaaniesss... deezzzze... aaze... eeeze..."
"Johan," fluisterde ze.
Hij hoorde haar niet. Ze leunde tegen hem aan en probeerde door de gloeiende hoepels naar de Homo Mollis te kijken. Ze concentreerde zich wanhopig en bijna lukte het haar; ze zag twee naakte voeten en dunne onbehaarde benen, in een horizontale positie, maar het beeld zakte telkens uit haar waarnemingsveld weg en ze gaf het op.
"Dat gezicht... bekend voor..." (de stem van Johan, vlakbij)" ... is die man... ooit ergens ontmoet..."
Ik moet het horen, dacht zij, het is belangrijk. Aan die gedachte klampte zij zich vast, als aan een handvat, om overeind te blijven. De hoepels doofden uit, lieten zwarte verkoolde ringen achter en door die ringen zweefden woorden als rode ballonnetjes op haar af; sommige spatten uiteen voordat ze haar bereikten, maar andere drongen tot bij haar door: leraar... geschorst... schandaal... proces" Een van de hoepels flakkerde nog even op en voordat ze het bewustzijn verloor zag ze, in het zwakke schijnsel van haar herinnering, ontstellend duidelijk het gezicht dat bij de twee naakte voeten en dunne onbehaarde benen hoorde.

Ward Ruyslinck: Het reservaat

 

 

JEF GEERAERTS

Reserve-Luitenant van de para-commando's Jef Geeraerts krijgt de opdracht om met een speciaal getrainde Mobiele Compagnie de vrede te bewerkstelligen tussen de Lulua's en de Baluba, want deze laatsten trachten na de opstand van 1959 het grondgebied van de Lulua in handen te krijgen. Hun pogingen daartoe zijn zeer efficiënt, want ze beschikken over de nodige wapens en over een bekwame afdeling zwarten die een goede opleiding genoten hebben dank zij collaboratie met de voormalige kolonisten.

De administratie wenst nu een enorm niemandsland te maken om de Baluba te beletten hun moordpartijen voort te zetten. Dit blijkt een moeilijke taak te zijn.

Ik ontbood snel de Lulua die ons was komen alarmeren en ik vroeg hem of de Baluba met geweren hadden geschoten tijdens hun overval, jawel, maar niet veel, zei hij, ze hadden het dorp omsingeld en het was niet nodig geweest de geweren vaak te gebruiken, iedereen zat in de val, ze hadden meer met machetes en speren gewerkt, en ik vroeg hem ook of ze met de vrachtwagen gekomen waren, neen, ze hij, ze waren te voet en ze zijn ook te voet weer weggegaan, meer wist de Lulua niet, behalve dat ze een hoop geiten hadden doodgeschoten en de beste stukken ervan hadden meegenomen, ook hadden ze stukken uit de billen van vele bewoners gesneden, maar dat had ik ook gezien, de hele familie van de jongeman was uitgemoord, hij was doodop en had een absoluut lege blik, we gaven hem een k-rantsoen, maar hij kon geen beet door zijn keel krijgen, hij zou met ons meegaan, hij had toch niets anders meer te doen, ik stuurde enkele mannen uit om de voetsporen van de Baluba te zoeken en het duurde geen minuut of we hadden ze gevonden, diepe verse sporen, het had veel geregend, de meeste waren blote voeten maar er waren ook enkele sporen van schoenen, en toen toonde hij me een groot schoenspoor met de afdruk van geribde zolen zoals wij er onder onze laarzen hadden, nu was er geen twijfel meer mogelijk, dàt was het dus, ik had al van het begin het voorgevoel gehad dat het boven ons hoofd hing, maar toen ik zekerheid had, voelde ik me opeens moe, niet de goede fysieke moeheid van een harde kompasmars die verdwijnt na een bad en een stevige maaltijd, het was alsof mijn bloeddruk opeens pijlsnel de laagte in ging en ik moest enkele malen diep ademen om de beklemming uit mijn borst weg te krijgen, ik denk dat een echtgenoot zich zo moet voelen, die wel vermoedt dat zijn vrouw hem bedriegt, maar nooit zeker is geweest, en dan doet hij opeens de slaapkamerdeur open en hij ziet het, ik liet verzameling fluiten en liep langs de gelederen, ik toonde niet dat ik kapot was van binnen, ik vroeg of iedereen okee was, of ze hun rantsoenen bij zich hadden, de zoutpillen, en of de wapens in orde waren en de ammunitiezakjes gevuld, dat was eigenlijk overbodig, maar ik wist hoe belangrijk zoiets is voor het moreel van de troep, ze voelden natuurlijk dat er iets op til was, ik hield een korte briefing met Mwembu en de peletonscommandanten, het was een ultrakorte briefing zoals we dat gewend waren, de peletonscommandanten antwoordden instemmend met een klikkend keelgeluid, ze hadden godnogaantoe hun amuletten zomaar bloot om hun nek hangen, hun ogen zagen rood van de hennep, ze waren buiten zichzelf van bloeddorst, Lisangi was toen al een kwartier doende met drie kurken zwart te branden, en voordat de groep vertrok, overhandigde hij ze en ik maakte vlug mijn gezicht en armen zwart, straks als het warm werd, zou het zwart er in min of meer verticale strepen aflopen, en die godverdommese jeuk in de smeerboel als je per ongeluk een mug doodsloeg, wegens het regenseizoen waren ze met miljoenen komen aanzetten, en de lucht zag wit van de vlinders, die in de plassen op de weg zaten te azen, we hadden en duizenden platgereden maar ze bleven in wolken voorbijvliegen, en toen begonnen we in ingehouden speedmars het spoor te volgen, de groep Baluba had zes, hooguit zeven uur voorsprong, en dat was niet weinig, de mannen waren hitsig als een meute jachthonden die een bloedspoor hebben gevonden, maar ik controleerde strikt het tempo, want we hadden vijf- B zevenentwintig kilogram op onze nek, we didn't travel light, My, maar er was geen alternatief, de Baluba hadden twee aanzienlijke voordelen, hun voorsprong en het feit dat ze geen rugzakken droegen, één nadeel hadden ze echter en dat was kapitaal: ze wisten niet dat we hen op het spoor waren en dus zouden ze wel de een of andere stommiteit aanvangen, tegen de peletonscommandanten had ik tot besluit gezegd: schieten en doden, allemaal, begrepen?!, op dat ogenblik wilde ik vooral de belediging wreken die de Mwata Yamvu me had aangedaan door me gedroogd mensenvlees te laten eten, ik had het aan Mwembu verteld, die had tien minuten aan één stuk staan te vloeken als een razende, en gezworen dat we de Mwata Yamvu een vrachtwagen vol gedroogde Balubapenissen op zijn dak zouden sturen, waarmee hij zijn dikke pens-zonder-makw^l^ zou kunnen volproppen tot hij crepeerde, en hij had in opperste minachting op de grond gespuwd, nou dat was het dan, en het vervolg is een aaneenschakeling van uren en uren beestachtig ploeteren door de natgeregende savanne, we kregen een zware regenbui en in een ommezien waren we drijfnat, en toen de zon er weer doorkwam begon alles te dampen met nevelslierten, heel mooi maar heel rot, je kleren plakken aan je lijf dat je er de stuipen van krijgt en de riemen van je rugzak snijden door je vel en je voeten doen vreselijk pijn in de natte sokken, maar er is gewoon geen tijd om alles te laten drogen, alleen doorbijten, op dat moment zie je duidelijk het resultaat van de training, de k-rantsoenen lopend uit elkaars rugzak pulken en ze uit de vuist opvreten, en drinken, drinken, en als de veldflessen leeg zijn, ze vullen in een rivier en als er geen rivier is, gewoon uit een plas, en die avond rustten we enkele uren, we droogden de kleren zo goed en zo kwaad als het ging, ik waakte er alleen streng op dat iedereen verse sokken aandeed, het moest wel want ze waren te afgestompt om het uit eigen beweging te doen, we waren in enkele uren tijd een smerige, nerveuze, opgehitste bende struikrovers geworden en de sporen waren nog altijd even vers of even oud, de Lulua die ons vergezelde , zei dat ze waarschijnlijk op weg waren naar een grote clandestiene nederzetting op ongeveer een dag en een nacht lopen van de rijksweg, en God weet wat ze van plan zijn, zei de Lulua die een diep gelovige jongen bleek want hij maakte een kruisteken terwijl hij dat zei, ik replikeerde dat God hier niet veel mee te maken had, maar wel onze benen en onze adem en met een beetje geluk de kogels uit onze geweren en als God ons genadig wilde zijn, dan moest hij de Baluba de cholera maar geven, en die hele nacht liepen we als maf.

Jef Geeraerts: Gangreen 2

 

WILLEM FREDERIK HERMANS

Bij het begin van de oorlog krijgt het burgermannetje Osewoudt op toevallige wijze van luitenant Dorbeck de opdracht illegale arbeid te verrichten. Zijn werk wordt steeds gevaarlijker en gewelddadiger en wanneer hij tenslotte moet onderduiken, leert hij de jodin Marianne Sondaar kennen. Hij wordt gearresteerd, weet te ontsnappen, maar blijft in verzet gebied. Als in het najaar van 1944 de zuidelijke provincies bevrijd zijn, wil Dorbeck Osewoudt helpen ontsnappen. Dan verneemt hij dat Marianne bevallen is. Als verpleegster vermomd gaat Osewoudt haar opzoeken.

De hyacinten in een wit papieren servetje gewikkeld,heel netjes dus toch nog, liep Osewoudt naar de Oranje Nassaulaan.
- Is het een jongetje of een meisje? dacht hij. Misschien was het kind al geboren, misschien ook kwam het juist op dit ogenblik ter wereld. Hij hoopte dat het een jongetje zou zijn. Hij zou tegen Marianne zeggen dat het Filip moest genoemd worden. Of nee, misschien nog liever Henri. Maar wat zou Marianne het liefst willen? Hij zou de keus aan haar overlaten.
Toen zag hij de geweldige prikkeldraadbarricades, die een deel van de Oranje Nassaulaan afsloten, het deel waar villa's stonden die door de Duitsers waren gevorderd.
Hij had pijn aan zijn voeten, want de schoenen pasten hem eigenlijk niet goed, zij knelden over zijn dikke judowreven en hij kon de schoenen niet min of meer los dragen, doordat ze niet met veters gesloten werden, maar met een gesp. Maar hij zag in dat Dorbeck hem onmogelijk het maatwerk had kunnen leveren waar hij aan gewend was. Bovendien maakte hij kleinere stappen dan anders in deze knellende schoenen en dat zou, dacht hij, zijn gang nog meer op die van een vrouw doen lijken. Hij had moeite zijn lachen te bedwingen, omdat hij bedacht hoe hij hier, hij, Osewoudt, 500 gulden beloning, onder de neus van de Duitsers bloemen ging brengen aan zijn uit een jodin geboren kind. Ik heb ze goed te pakken, dacht hij. Aangenomen dat het kind al geboren was, zou hij straks aan de wieg staan. Alleen je moeder wist dat ik het was, jongen, zou hij later vertellen, iedereen hield mij voor een verpleegster. De vader van het kind vermomd als verpleegster!
Hij stak zijn neus in de bloemen en snoof de hyacintengeur diep op. Rotzakken, dacht hij en hij keek weer naar de barricades van de Duitsers, jullie uur heeft geslagen. Hier sta ik in het geheiligde kostuum van de liefdezuster, een bosje bloemen in mijn hand, dezelfde hand waarmee ik Lagendaal heb doodgeschoten, dezelfde hand waarmee ik Ebernuss vergif in zijn borrel heb geschud, die vuile flikker. Nee, verdomd, je zou het niet aan mij zeggen, maar ik heb meer gedurfd dan al die mannelijke mannen die mij beschermend hebben toegesproken of minachtend behandeld. Ik heb meer gedurfd dan oom Bart met al zijn filosofische boeken, die mij een lafaard heeft durven noemen omdat ik mij niet ben gaan melden toen jullie mijn moeder hebben opgepakt. Rotzakken, ik heb het jullie ingepeperd. Ik heb meer gedurfd dan de huilebalken in Londen die veilig achter hun microfoon zitten, die hun agenten niet eens een behoorlijk persoonsbewijs meegeven en zilveren guldens die allang uit de circulatie zijn, ik heb meer gedurfd dan al die jammeraars over de Duitse bestialiteit, de fascistische moordenaars, enzovoorts, enzovoorts. Hier sta ik rotzakken, kom eens achter je prikkeldraad vandaan en doe mij eens iets!
Hij beklom de hardstenen treden van de Emmakliniek.
Het weliswaar monumentale huis was oorspronkelijk niet als ziekeninrichting gebouwd, zodat hij in de vestibule een ogenblik vergeefs uitkeek naar een portiersloge. Maar een jonge leerling-verpleegster vertoonde zich in de gang en hij liep op haar toe en vroeg:

- Kunt u mij ook zeggen waar mevrouw Sondaar ligt?
- Mevrouw Sondaar. Wilt u hier een ogenblik wachten?

Zij wees naar de vestibule, waar een eikenhouten balk tegen de muur stond. Osewoudt liep gehoorzaam terug en ging zitten op de bank. Zijn benen sloeg hij over elkaar, zijn rechterhand met de bloemen erin rustte op zijn knie, zijn linkerhand gleed langs zijn rechterdij op zoek naar sigaretten. Verdomme, mompelde hij en stak zijn linkerduim een ogenblik in zijn mond. Aan de muur recht tegenover hem hing een kaart waarop het volgende opschrift was gedrukt: - Aangifte behoort te geschieden door de vader op het bureau "Bevolking", binnen 3 x 24 uur.
Toen een oudere verpleegster in grijs uniform naar hem toekwam, stond hij onmiddellijk op, maar hij kreeg geen gelegenheid iets te zeggen. Deze vrouw was ongetwijfeld de hoofdverpleegster en niet gewend naar de bekende weg te vragen.

- Wilde u mevrouw Sondaar bezoeken, zuster? Dat zal moeilijk gaan, zij slaapt juist een beetje. Haar toestand is verre van goed. Sneu hé, zo'n jong meisje.
- Ja, heel sneu. Maar...
- Wilt u het kindje nog zien? Wacht u dan nog even.

De hoofdverpleegster draaide zich om en ging de lange gang weer in. Zij vindt het sneu dat het kind geen vader heeft, dacht Osewoudt. Wat een krankzinnige toestand. Maar waarom mag ik Marianne niet zien? Hij begreep niet waardoor het kwam dat hij staan bleef, de bloemetjes op een idiote manier uitgestrekt naar de rug van de hoofdverpleegster; waardoor hij haar niet terugriep, niet om nadere uitleg vroeg, of voor het minst de bloemen afgaf.
Hij ging weer zitten op de eikenhouten bank, denkend: Het is misschien maar beter niet te veel te praten tegen een echte verpleegster, in mijn positie... Plotseling voelde hij dat hij klappertandde, dacht erover weg te gaan, de bloemen achter te laten bij de leerling-verpleegster, morgen terug te komen. Maar hij ging niet weg.
Na een minuut of tien kwam een sombere huisknecht in een wit en roze gestreept jasje naar hem toe en zei:

- U wilde even meekomen om het kindje Sondaar te zien?

De man droeg twee volle, uitpuilende asemmers.
Osewoudt stond op en liep de knecht achterna de gang in. Aan het eind van de gang ging hij een hardstenen trap af, zo nu en dan botsten de vuilnisemmers met een echoênd geluid tegen de stenen treden.
Beneden aan de trap zette de huisknecht de vuilnisemmers neer. Zij stonden in een klein portaal, dat enig zwak licht ontving uit een vierkant van dik glas in het plafond.
De knecht haalde een sleutel uit zijn broekzak en zei: Sneu hé. Hij keek Osewoudt een ogenblik aan, opende daarna een deur. Achter het huis was het donker. De knecht stak zijn hand naar binnen om de deurpost heen en er begon een zwakstroomlampje te branden dat aan een dunne draad was opgehangen.
Samen gingen zij door de deur. Zij kwamen in een smalle lichtgrijs geverfde kelderruimte. Aan de muur waren brede tafels van donkerblauwe hardsteen aangebracht en op die tafels stonden achter elkaar drie doodskisten, een grote en een kleine.
De knecht deed nog een stap naar voren. Op de deksels van de kisten lagen kleine visitekaartjes waarop namen geschreven waren met vulpeninkt. De knecht pakte het kaartje dat op een van de twee kleine kistjes lag. Osewoudt stak zijn hoofd naar voren om mee te kunnen lezen. Hij las: Baby Sondaar, 4 april 1945. Toen nam de knecht het deksel van het kistje af. Het kindje lag onder een dun dekentje. Het had een hemdje aan met halflange mouwtjes. De handjes lagen over elkaar. De nageltjes aan de vingers waren donkerbruin, zoals de nagels van iemand die zijn vinger gekneld heeft tussen een deur.
Het gezicht van het kind deed denken aan een jong vogeltje: de bovenlip hing ver over de onderlip heen, waardoor de mond op een onvolgroeide snavel leek. Aan de mondhoeken zat een beetje opgedroogd bloed. Denkelijk om het mondje gesloten te houden, lag er een hoog kussentje onder het hoofd, zodat het letterlijk was of het kind op zijn neus lag te kijken. De ogen waren gesloten in een uitdrukking van peilloze treurigheid, alsof het kind nog juist in de gelegenheid was geweest er verdriet van te hebben dat het niet zou leven.
Het hoofd was puntvormig en bij de oren ver ingedeukt. Een onderhuidse bloeduitstorting kleurde het voorhoofd al grotendeels zwart.
Osewoudts ogen schoten vol tranen, de omgeving werd onzichtbaar of er een dikke plaat ijsglas voor zijn hoofd werd gehouden. Op de tast vond hij het koude steen van de tafel, legde de bloemetjes neer en zonder naar de knecht om te zien ging hij de trap op en rende de gang door. De tranen bleven uit zijn ogen stromen, zonder dat hij eigenlijk het gevoel had te huilen.

Willem Frederik Hermans: de donkere kamer van Damocles

 

HERMAN DE KONINCK

 

Je truitjes en je witte en rode
sjerpen en je kousen en je directoirtjes
(met liefde gemaakt, zei de reklame)
en je brassières ( er steekt poëzie in
die dingen, vooral als jij ze draagt) –
ze slingeren rond in dit gedicht
als op je kamer

kom er maar in, lezer, maak het je
gemakkelijk, struikel niet over de
zinsbouw en over de uitgeschopte schoenen,
gaat u zitten.

(intussen zoenen we even in deze
zin tussen haakjes, zo ziet de lezer
ons niet) hoe vindt u het,
dit is een raam om naar de werkelijkheid
te kijken, alles wat u daar ziet
bestaat. Is het niet helemaal
als in een gedicht?

 

LENIG ALS LIEFDE

 

Ik kom van ver,
van waar jij mooi was tussen je haren
als een eiland tussen het riet.
En je mond viel traag, traag
over mijn gezicht als avond
over de landen, als stilte
over dit gedicht.

Hoe zijn mijn handen wit
Sindsdien, als om te leggen in een schrijn:

In de droom dat wij nog samenzijn.

 

 

Zoals je binnenkwam en dag zei,
En uit je kleren en je woorden stapte

(het voorlaatste wat je voor me uit-
deed was het woord "lieveling"
en het laatste een glimlach; toen
opende je de haakjes en ik kwam erin
en je sloot ze)

zo ging je ook weer weg, trok
enkele veel te dunne woorden
van afscheid om je heen
en rilde.

Uit: de lenige liefde (1969)

 

Middenin de vlakte van juli
kwam ik je tegen, ik woon hier, zei je.
ik keek naar de bloemen. ja , dat zie ik,
zei ik, en waar leerde je de kunst
om niet lang te duren? ook hier, zei je.

Je was lenig; en je woorden waren zo
doorschijnend, ik kon je er helemaal
door zien.
en daar lag ik al in het gras
en wat hield ik in mijn hand?
een oortje, waarin ik het lange woord
"lieveling" uitgoot, zonder morden.

Uit: idem

 

TOM LANOYE

KARTONNEN DOZEN

In het laatste jaar kregen we Nederlands van Mussolini. Mussolini gaf Nederlands aan alle laatstejaars. Een ander vak doceerde hij niet. Geen godsdienst, geen esthetica. Hij as het monument van de school. Een korte, brede man van bijna zestig. In weerwil van zijn bijnaam had hij niets autoritairs of agressiefs. Hij verhief nooit zijn stem, sprak zonder gesticuleren en rookte met zuinige trekjes van cigarillo’s die hij uit een versleten etui te voorschijn had gehaald. Het enige Romeinse aan hem was zijn massieve kop, waarvan de hardheid werd geneutraliseerd door zijn melancholische ogen.
Hij was een van de grootste nog levende dichters van het land, met evenveel gedichten op zijn naam als Guido Gezelle. Hij schreef ook de belangrijkste liederenteksten voor de Metaalprocessie, een jaarlijkse bijeenkomst van Vlaams-nationalisten in het Westen van het land. Het leeuwendeel van de tienduizenden Processiegangers bestond uit goedige burgerlui, met kinderen die Wouter of Nele heetten. Hun hoogste streven was te wonen in een omgebouwde hoeve genaamd "Huize Isengrim" of "Den Blauwvoet", dat laatste naar de vogel die symbool stond voor de ontvoogdingsstrijd van het Vlaamse volk. Ze waren pacifistisch, snel gekwetst en ze zongen graag. Als het Vlaamse verleden glorieus werd genoemd, kregen ze een krop in de keel. Als het schandelijk werd genoemd vanwege de eeuwenlange onderdrukking van het Vlaamse volk, stonden ze evengoed te janken.
Ze vertelden aan hun kinderen de verhalen door die zij zelf van hun ouders hadden gehoord: dat de koningin van Frankrijk op bezoek kwam in het welvarende Brugge en dat ze vanaf haar paard de rijkelijk uitgedoste matrones zag en dat ze uitriep: Parbleu! Ik dacht dat ik de koningin was maar ik zie er hier een paar honderd. En dat een Vlaamslegertje van keuterboeren en wevers, beenhouwers en kloefkappers, in 1302 het Frans leger versloeg met de steun van god en slijk en slagregens, en niet te vergeten de zwaartekracht, die de franse ridders met harnas en vergulde sporen en heel de santenkraam van hun struikelend paard deed donderen, nadat ze eerst nog uit hoogmoed hun eigen voetvolk overhoop hadden gereden, de smeerlappen. En dat de fransman niet lang daarna weerwraak had genomen en de Vlaam opnieuw onderwierp, en dat na de Fransoos de een na de ander hier de baas was komen spelen, van Spanjool over Oostenrijker tot Engelsman en Ollander en Duits enzoverder, tot en met de Belgische Staat, de enige die in de rij ontbraken waren godverdomme de Eskimo’s en de Zoeloes geweest, en dat ze allemaal hetzelfde deden, plunderen en roven en moorden zoals de Vikingen vroeger al hadden gedaan, en dat ons volk leerde te overleven door te zwijgen en te werken en er het zijne van te denken. En dat ons schoon landje aldus maar één bijnaam verdiende, helaas. De dweil van Europa, dedju.

………………………………………………………………………………………………….

Dat waren de verhalen die de goedige processiegangers vertelden aan hun kinderen die Pieter of Machteld heetten. En ze voegden eraan toe dat elk van de Twee Wereldoorlogen zijn eigen Les blijvend in de banier van iedere Vlaming had geschreven. Een: Nooit Meer Oorlog, wat er ook gebeurt. Twee: Blijf Bereid Voor De Vlaamse Strijd. In dat eerste geloofden ze heilig, en hun kinderen die Albrecht of Goedele heetten ook. En in het tweede geloofden ze nog veel meer, en hun kinderen ook, zelfs lang nadat de Vlaamse Strijd gestreden was. Want Vlaanderen wàs nu zelfstandig geworden en zie, almeteen was het pafferig van welvaart geworden en overgeleverd aan de betonbaronnen en volgebouwd met veel gekonkelfoes en doofpotten, dus nog altijd op zijn Belgisch tiens, en het stond volgepropt met autostrades en fabriekskes en sluikstortputten en mottige fermettes die "Huize Canteclaer" of "het Ros Beiaard" heetten. En daar waar de weide die het verzamelpunt was van de Metaalprocessie vroeger ieder jaar zwart zag van de brave Vlaminkskes, stonden nu dikkenekken en arrivés op elkaars tenen te trappen en te nagelbijten tot de Processie gedaan was zodat ze in hun nieuwe Mercedes konden springen met heel de familie om naar een nieuw restaurant te rijden om het nieuw gastronomisch menu te proberen, gestoomde zeetongrepen op een bed van slijmerwten en ossenhaas met moes van spruiten en oesterzwammen met krentenpitten, en de enige keer dat ze nog protesteerden was als de wijngaardslakken escargots werden genoemd. Ze waren zo lang de underdog geweest dat ze niet anders meer konden dan de underdog te spelen, en om zichzelf te doen helpen geloven in die maskerade kwamen ze één keer per jaar allemaal samen staan zwaaien met gezwollen woorden en versleten vaandels, en hun knapen en hun meiden die Gerolf en Godelieve heetten, schreden over het podium naar voren en evokeerden door middel van houterig ballet de Slag der Gulden Sporen ( zeshonderd jaar geleden), de Boerenkrijg (tweehonderd jaar geleden), La Grande Guerre (vijfenzeventig jaar geleden), en iedereen zong met tranen in de ogen het Vlaams Volkslied, en ook dat van de volken waarvan men beweerde dat het onze bloedbroeders waren, de Hollanders en de Zuid-Afrikaanse Boeren. Ja, die laatsten ook, akkoord, dat lag een beetje moeilijk met de problemen die er ginder zijn met de negers, maar de laatste tijd kwam daar toch al veel verandering in, en per slot van rekening: wat kunnen wij Vlamingen eraan verhelpen, en van de andere kant: als de blanken daar niet zijn, ontstaat daar direct een burgeroorlog en is dat dan zoveel beter? Enzoverder, enzovoort.
Voor deze Processie schreef Mussolini de teksten. En het ongekunstelde dat zijn persoon en de elegische toon die zijn poëzie sierde, waren daar in de verste verte niet in terug te vinden. Het waren sloganeske lofdichten met veel hoofdletters en een dwingend ritme. Ze galmden vanzelf al, en ze werden ook nog eens voor echoënde microfoons ten gehore gebracht door voordrachtkunstenaars die stonde te bulderen alsof de elektrische geluidsversterking nog moest worden uitgevonden. Het bracht Mussolini weinig geld en veel waardering op. Hij was een onbetwist boegbeeld van de Beweging.
Op school dwong hij nog meer ontzag af door zich niet op zijn ontzagwekkende status te beroepen. Hij kwam onze klas binnengewandeld alsof hij een huiskamer betrad, groette ons met een nuchtere hoofdknik en begon op verontschuldigende toon te vertellen over literatuur. Liever dan ons te overbluffen met argumenten en data, liet hij ons zelf oordelen over een tekst. Hij diepte uit zijn propvolle boekentas een dichtbundel op en las eruit voor. Zelf was hij door de natuur bedeeld met een lelijke stem. Hoog, hees, hortend. Hij lispelde zelfs een beetje en sprak eerder stil dan te luid. Hij had alles tegen om zijn publiek te boeien. Maar het duurde geen minuut of hij had ons in zijn ban. Voor het eerst was een tekst geen opeenvolging van woorden meer. Het was een vuur, het zoog je naar zich toe en het verzengde je prachtig. Hees, hortend of lispelend, dat speelde allemaal geen rol. Deze kleine man, deze bejaarde in zwart pak, met zijn stem van Marlon Brando uit het Waasland, met zijn cigarillo’s en zijn spraakgebrekje, deze Demosthenes van de Vlaamse literatuur was een ontwapenende gezant. Hij belichaamde het verlangen de wereld zodanig in woorden te vangen dat zij zichzelf overtrof. Incarnatie en begin van alle schrijven.
Hij las gedichten voor van Lucebert, Hans Lodeizen en Paul Snoeck. Hans Andreus: De sonnetten van de kleine waanzin. Hugo Claus: het moedergedicht, West-Vlaanderen, De Oostakkerse gedichten. Je huiverde. Hij las verzen voor van Hugues C. Pernath zoals ik ze later nooit meer heb gehoord. Andere leraren verwensten het laatste lesuur van de week, vrijdagmiddag van tien over drie tot vier, vanwege de onrust onder de leerlingen die met hun gedachten al bij het weekend waren. Uitgerekend dat laatste uur besteedde Mussolini aan het voorlezen van proza, iedere week weer. We werden bezworen. Het weekend kon wachten. Je zakte onderuit en luisterde en brandde als een blad. Er passeerden hele hoofdstukken uit Het slot van Kafka, Schuld en Boete van Dostojewski, Hoe het groeide van Knut Hamsun, Het leven en de dood in den ast van Stijn Streuvels, De neus en Dagboek van een gek van Gogol. De verwondering van Hugo Claus noemde Mussolini een tijdloos meesterwerk. Hij las er de eerste twintig en de laatste twintig bladzijden uit voor. Je snapte er geen bal van maar het sloeg je ondersteboven. Je ging ’s anderendaags al naar de bibliotheek maar het boek was uitgeleend. Je ging het dan maar kopen in een winkel, het lag beschadigd op een onderste plank, je las het en je snapte er nog steeds niets van, maar je bleef voortlezen tot ook het laatste blad was omgeslagen. Het was mooi als een perfecte hamerslag. Het zong, het was hard, het was waar. Hier bestond iets wat daarvoor niet had bestaan. Niet in deze vorm, niet in deze taal, niet in deze beelden. Het bestond niet dan in dit boek. En niets van wat buiten dit boek bestond, was even overweldigend.

 

INHOUDSTAFEL

 

 

 



1. Multatuli: Max Havelaar: slotopdracht: pag *

2. Guido Gezelle: 

  • Vol naalden vliegt de lucht: pag *
  • Moederken

3. Willem Kloos: Zoals daarginds: pag *
4. F. Van Eeden: De kleine Johannes: pag *
5. Herman Gorter: 

  • Mei: pag *
  • De lente komt van ver:

6. Albert Verwey: 

  • De Lijster: pag *
  • Noachs duif

7. A. Vermeylen: De wandelende Jood: pag *
8. Streuvels: Leven en dood in den ast: pag *
9. Van de Woestijne: 

  • Wijding aan mijn vader: pag *
  • Koortsdeun:

10.P. Van Ostayen: 

  • Vers 6: pag *
  • Melopee:
  • Polonaise:

11. H. Marsman: 

  • Heimwee: pag *
  • Paradise Regained:
  • Lex barbarorum:
  • Ik die bij de sterren sliep:

12. M. Gijsen: Mijn vadertje: pag *
13. M. Nijhoff: 

  • De wolken: pag *
  • Het tuinfeest:
  • Het kind en ik:

14. G. Achterberg: 

  • Achter het einde: pag *
  • Het nameloze:
  • Droomschuim:

15. J. Engelman: 

  • Moerbei: pag *
  • Vera Janacopoulos:

16. H. Claus: 

  • West- Vlaanderen: pag *
  • Ik schrijf je neer:
  • De verwondering:

17. J. Wolkers: Een roos van vlees: pag *
18. W. Ruyslinck: Het reservaat: pag *
19. J. Geeraerts: Gangreen 2: pag *
20. W. F. Hermans: De donkere kamer van Damocles: pag *
21. H. De Coninck: 4 gedichten: pag *
22. T. Lanoye: Kartonnen dozen: pag *