LEESVAARDIGHEID

 

Terug naar inhoudstafel

 

1. Epiek: ………………………………………………………………………….

Pag 

2. Beeldspraak: …………………………………………………………………..

Pag 

3. Het rijm: ……………………………………………………………………….

Pag 

4. Lyriek: …………………………………………………………………………

Pag 

5. Dramatiek: ………………..…………………………………………………….

Pag 

6. Inleiding op literaire stromingen: ……...…………………………………………

Pag 

7. Humor: …………………………………………………………………………

Pag 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

I.  Epiek: terug naar inhoudstafel

HB: p256-258; p262; WB: p248-249; 251 p264-266; p266-270 p266-279: lezen p274-275 p284-293;306-309 p325-328

 

A. Soorten: eenvoudige vormen.

  1. de sage: een meestal oud, uit de volksfantasie ontstaan verhaal; gebonden aan bepaalde namen, plaatsen of gebeurtenissen. 
    Men maakt een onderscheid tussen heldensagen, spook- en toversagen, historische sagen, heraldische of wapensagen en duivelssagen. (Lancelot, Merlijn, Karel de Grote, Excalibur, Geeraerdt de Duivel.)
  2. de mythe: een verhaal uit de mythologie. Voor ons zijn vooral de Griekse, Romeinse en Germaanse sagen van belang ( Prometheus de zuilen van Hercules. Nu ook moderne mythen: Elvis- Bermudadriehoek.
  3. de legende: een christelijk verhaal meestal over echte of fictieve heiligen.(Beatrijs) Nu ook: urban legend.
  4. het sprookje: naïeve verhalen waarin het wonderbaarlijke als vanzelfsprekend wordt aangenomen. Zwart-wit tekening tussen goed en kwaad. Happy end. Onderscheid tussen volks- en cultuursprookjes.
  5. het raadsel: een beknopt verhaal over iets of iemand met de bedoeling de lezer te laten ontdekken waarop gezinspeeld wordt.
    Soorten: beschrijvende, rechtstreeks- vragende, raadselsprookjes, kwelraadsels
  6. de spreuk: uiterst gecomprimeerd verhaal, dat een praktische levenswijsheid bevat.
  7. de parabel: een uit het oosten afkomstige verhaalvorm in plechtige taal. Vol levenswijsheid. ( Uit Bijbel - Koran - De Japanse steenhouwer.)
  8. de fabel: kort verhaal waarin vooral dieren en soms ook planten sprekend en handelend optreden. De moraal wordt gewoonlijk
    beknopt geformuleerd. Afkomstig van Indië; drna Griekenland: Esopos; drna Rome: Phaedrus. Tenslotte in onze streken: La Fontaine.

Moderne vormen

1.    Het epos of heldendicht: een uitvoerig, breed-schilderend gedicht, in een verheven taal, rond grootse figuren
        en belangrijke gebeurtenissen.
       Men onderscheidt:

2.    De ballade: een episch-lyrisch gedicht met een tragische afloop. Vb: Twee konings kinderen. Heer
         Halewijn.

3.    De romance: episch-lyrisch gedicht zonder tragische afloop. Nogal sentimenteel ( natuur, herders en
         herderinnetjes.)

4.     Vertelling, schets, short-story, novelle:

5.     De roman: uitgebreid prozaverhaal, waarin het leven van een aantal mensen wordt beschreven. Over de
         gewone mens ( tegenstelling met epos)

Voorlopers: 

B. De roman : enkele kenmerken

Verteltijd en vertelde tijd

  • vertelde tijd: tijd die gebeurtenissen in werkelijkheid nodig hebben.
    verteltijd: tijdsduur die het lezen van het stuk in beslag neemt.
  • verteltijd is langer als vertelde tijd

    zeldzaam

  • verteltijd is even lang als vertelde tijd

    zeldzaam:vb: dialogen

  • verteltijd is korter dan vertelde tijd: meestal tijdverdichting: tijd tussen 2 momenten wordt niet beschreven tijdversnelling: door tijdverdichting volgen de gebeurtenissen elkaar sneller op. Tijdvertraging: bij zeer belangrijke gebeurtenissen. = close-up: kan spanning in de hand werken.

Vertelsituatie

auctoriële verteller:
De verteller is niet de auteur zelf. Iemand geeft vanop afstand commentaar, maar neemt geen deel. Hij is heel machtig. Hij kent de gedachten van de hoofd-personages, weet wat er op verschillende plaatsen gebeurt; kent de afloop. Hij werkt panoramisch.

personale verteller:
De lezer weet niet wie het verhaal vertelt: auteur of persoon. De auteur verschuilt zich als het ware achter het masker van een hoofdfiguur die het gebeuren beleeft.
De lezer weet dus alleen wat die hoofdfiguur weet en niets meer.

ik - verteller:
de ik-figuur is ofwel getuige van de gebeurtenissen of is de hoofdfiguur zelf.

Spanningwekkende technieken

De auteur gaat van een algemeen beeld naar een detail.

informatieverdeling: kennisvoorsprong: de lezer weet zaken die de personages niet weten - kennisachterstand: met verlangen uitzien naar de ontknoping - vertraging: door dialogen of innerlijke bespiegelingen.

lege plekken in het verhaal: de schrijver vertelt niet alles, maar laat lezer nadenken of de kans om zelf in te vullen. Indien zoiets op het einde van een verhaal voorkomt spreken we van een open einde. Indien alles netjes wordt uitgelegd: een gesloten einde.

Vergelijk ook met spanningwekkende technieken in de film:

  1. camerabewegingen: inzoomen op een bepaalde persoon of voorwerp. ( zie punt 1 in literatuur)
  2. muziek: niet in literatuur
  3. camerastandpunten: oa: subjectieve camera - kikkerperspectief - vogelperspectief.
  4. slowmotion: tijdverdichting.

C. Soorten roman

De historische roman: Conscience - Filip de Pillecyn - Sir Walter Scott - Alexandre Dumas.

De toekomstroman: SF-roman: 1984 (Orwell) Brave new World ( A Huxley ) De wereld gaat aan vlijt ten onder. (Max Dendermonde) Ray Bradbury (Fahrenheit 451) - Heinlein - A.E. Van Vogt.

De avonturenroman: Schatteneiland ( Stevenson) - Robinson Crusoë (Daniël Defoe) - Frederick Forsyth - Alistair Mc Lean.

De detectiveroman: Sir Arthur Conan Doyle (Sherlock Holmes) - Simenon (Maigret) - Dashiel Hammett - Agatha Christie (Hercule Poirot) - Ellery Queen - Jef Geeraerts.

De regionale roman: gebonden aan een bepaalde streek - ook streekroman - heimatroman: Ernest Claes.

De psychologische roman: Frederik van Eeden ( Van de koele meren des doods - Maurice Roelants ( Komen en Gaan - Maria Danneels ) Maurice Gilliams (Elias) - De gebroeders Karamasov.

De zedenroman: houdt zich bezig met de analyse van zeden en gewoonten van een bepaalde klasse. Couperus: Eline Vere.

De reportageroman: Karel Jonckheere ( per cargo naar de Tierra Caliente) Jan Cremer: de Hunnen Adriaan Van Dis ( In Afrika)

De sociale roman: houdt zich bezig met de sociale toestand van (meestal ellendig) van een bepaalde klasse. Lode Zielens: Moeder waarom leven wij) Louis Paul Boon: De Kapellekensbaan - Piet van Aken ( Klinkaart)

De ideeënroman: probeert via een verhaal een bepaalde filosofie of maatschappelijk idee ingang te doen vinden. August Vermeylen: de Wandelende Jood. - Animal Farm ( G. Orwell)

De oorlogsroman: E.M. Remarque: Van het Westelijk front geen nieuws - HH Kirst (De wolven) - Oorlog en Vrede: Tolstoi

De griezelroman: Mary Shelley (Frankensteinà - Bram Stoker (Dracula) - EA Poe - John Flanders: Malpertuus - Stephen King

De sleutelroman: Waarin personen verwijzen naar bestaande personen en toestanden: Remco Campert: het leven is vurukkuluk - Geeraerts: Dood in Bourgondië - Max Havelaar.

De liefdesroman: Wuthering Heights ( Emily Brontë) - Jane Eyre

De autobiografische roman: over eigen leven Jan Cremer - Multatuli

De familieroman: The Forsythe Saga (Galsworthy)

De briefroman: Betje Wolff en Aagje Deken: Sara Burgerhart. Choderlos de Laclos: (Liaisons Dangereuses) - Richardson

De koloniale roman: Jef Geeraerts - H.S.Haasse.

De strekkings-of tendensroman: vb: Max Havelaar

 

 

 

    II Beeldspraak    terug naar inhoudstafel

HB: p231-234; WB: p216-220
WB: pag 317: 2 gedichtjes.

Wat?:     De verbinding van vroegere waarnemingen door associatie .
               Vb: een kerel - een boom : een boom van een kerel
                     een zangeres - een nachtegaal: ze zingt als een nachtegaal.

Soorten.

A. De vergelijking.

vb: Het ijs is zo glad als een spiegel.
kenmerken: twee voorstellingen worden naast elkaar geplaatst, meestal verbonden door het woordje "als".

Opmerking: De Homerische vergelijking.

En zoals op een eenzame vlakte
Rijklijk door water besproeid, een man een olijventak opkweekt,
Welig ontluikend, gewiegd door den adem van allerlei winden,
't Blanke gebloemte overdekt hem...maar plotseling nadert een stormwind,
Wringt hem al gierend den kuil uit en legt hem gestrekt over d'aarde...
Zo werd ook Panthohs' zoon Euforbus, de dappere lansknecht,
door Menelaos gedood,...

kenmerken: brede epische vergelijking waarbij voorstelling a enorm is uitgebreid.
Oorspronkelijk afkomstig van Homeros, was de Homerische vergelijking ook enorm populair in het sonnet: Kloos en Henriette- Roland Holst.

B. De metafoor

Kolonel A vocht zo dapper als een leeuw (1)
Kolonel A was zo dapper als een leeuw (2)
Kolonel A. vocht als een leeuw (3)
Kolonel A was als een leeuw (4)
Kolonel A was een leeuw (5)
Kolonel A, de leeuw van Afrika,... (6)
Deze leeuw.... (7)

Kenmerken: Van (1) tot (4) kan men nog spreken van een vergelijking. (5) en (6) zijn overgangsvormen. Vanaf (7) kan men spreken van een metafoor. Men kan derhalve zeggen dat een metafoor een vergelijking is waarbij element b ( = het beeld) element a heeft vervangen. Een metafoor is echter nooit eerst een vergelijking geweest.

Andere voorbeelden: de woorden kwetsten haar; ze werd afgeblaft. De bomen torenden omhoog.

Opmerking: de verbleekte metafoor.

De vorige voorbeelden zijn eigenlijk verbleekte metaforen omdat niemand hier echt nog denkt aan het beeld: de woorden deden haar zoveel pijn alsof ze door een mes gestoken werd.

C. Kleuroverdracht.

Eigenlijk is kleuroverdracht ook een soort metafoor.

vb: Het gouden woord van vrijheid. rode woede. zwarte haat.

kenmerken: het toekennen van gevoelens aan kleuren en die kleuren vervolgens bij zaken plaatsen die normaal geen kleur hebben.
Men zegt derhalve dat kleuren gevoelswaarde hebben.

vbn: wit: onschuld, tederheid,maar ook kou en dood. ( zie lyriek: de waterlelie van Frederik van Eeden) rood: woede, hartstocht, agressiviteit, liefde, gevaar. zwart: dood, eenzaamheid, droefenis - geel: vrolijk, opgewekt maar ook nijd en jaloezie, warmte.

D. Synesthesie

vb: zoete tonen, schreeuwende kleuren, harde woorden, scherp licht.

kenmerken: eveneens een soort metafoor.Het mengen van zintuiglijke indrukken. Zoete tonen ( smaak en gehoor); schreeuwende kleuren (gehoor en gezicht); harde woorden ( gevoel en gehoor); scherp licht ( gevoel en gezicht)vgl het gedicht van Baudelaire: Correspondances:

Comme de longs échos qui de loin se confondent
dans une ténebreuse et profonde unité, Vaste
comme la nuit et comme la clarté,
Les parfums, les couleurs et les sons se répondent,

Andere voorbeelden: geschater van de zon, de aanplakbiljetten schreeuwden in de straten, een fontein van licht.

E. De personificatie: zie ook hier

Schaduw slaapt langs de bergen, het basalt
is droevig en de bleke bergbeek schalt;
Nachtwolken varen van den hemel heen,
Daar is het stil, op aarde weent alleen
Die éne berg, de lucht is zwaar en moe.
Rondom staan andre bergen en zien toe,

kenmerken: het toekennen van leven aan onbezielde dingen.

 

F. metonymia: zie ook "Witboek handboek en Werkboek." En zie ook hier 

OEFENINGEN OP BEELDSPRAAK

Sportjournalist en humorist Piet Theys verwijst in dit stukje naar de typische clichématige en vaak uit de hand lopende beeldspraak in de sportberichtgeving.

Hieronder volgen enkele typische voobeelden waarin de beeldspraak duidelijk mislukt en komisch wordt. Probeer de beeldspraak wat te milderen, zodat de teksten aanvaardbaar worden, of vervang ze door gewone, beeldarme taaluitingen.

  1. Wat Beerschot vooraan mankeert, dat is ruggegraat.
  2. De Keers verloor het noorden en werd door de oosterling buiten westen geslagen.
  3. Opgejut kwam het Oostenrijkse elftal in het veld; het zou in een korte spanne tijds het Nederlandse elftal als een pannenkoek oprollen en met boter en suiker oppeuzelen.
  4. Toen Spakenburg (= ploeg) de kat uit de boom gekeken had, wist het wat voor vlees het in de kuip had.
  5. "Het ging hard", lachte hij tegen de beide tijdwaarnemers, die op dat ogenblik bezig waren de ogen, die hen bij het zien van de tijd uit de kassen waren gevallen, terug te drukken.
  6. De achterspeler van Beerschot had zich een ontsteking in de buik op de hals gehaald.
  7. Meld u aan voor onze bokslessen. We hebben nieuw bloed nodig.
  8. Tot voor kort had Walter Godefroot een lintworm. Maar nu heeft men er een mouw weten aan te passen.
  9. Na Parijs-Roubaix staan de journalisten in de kleedkamers van de renners bij een klaagmuur waar die van de joden maar klein bier bij moet zijn geweest.
  10. De Pakistaanse badmintonners die op bezoek kwamen, hadden geen sportieve houding. Maar steken we de hand in eigen boezem, dan vinden we daar ook nattigheid.
  11. Japan werd opgeschud door een verschrikkelijke aardbeving.

 

Geef aan de hand van de volgende twee voorbeelden 2 redenen voor het uit de hand lopen van de beeldspraak.

 

  1. In de honderd meter rugslag evenwel toonde de zwemster zich van haar beste zijde.
  2. We hadden de moed niet nog verder met onze nieuwsgierigheid in de wonde van zijn ontgoocheling te peuteren.

III. Het rijm: kenmerken en soorten    terug naar inhoudstafel

1. Soorten: algemeen

  1. stafrijm of alliteratie: witte water-lelie lief.
  2. halfrijm of assonantie of klinkerrijm: lief en diep, bos en trots: alleen de klinker wordt herhaald.
  3. volrijm of zuiver rijm: gaan staan, stond vond.
  4. blanke verzen: geen eindrijmen.

2. Indeling naar de plaats in de versregel

a. eindrijm: zie hierboven.
b. binnenrijm: vb uit "Iris" van J. Perk.

Ik ben geboren uit zonnegloren
En een zucht van de ziedende zee,
Die omhoog is gestegen, op wieken van regen

vgl Engelse versie van Shelley: The Cloud:

I bring fresh showers for the thirsting flowers
From the seas and the streams
I bear light shade for the leaves when laid

c. voorrijm: rederijkersperiode: weinig gebruikelijk

vb: Betamelic vreese ick u, schepper almachtich
Warachtig eeuwich woort geboren lichamelijc
Blamelijc gegeeselt gecroont onsachtich,
Gedachtich weest ons verlosser namelijc

3. Andere verdelingen

rijmcombinaties

* gepaard rijm: aa bb cc dd ee ( vooral gebruikelijk in de middelnederlandse letterkunde. )
* gekruist rijm: ( alternerend): abab: zie sonnet Kloos
* omarmend rijm: abba (veel sonnetten in de renaissance)
* gebroken rijm: abcb. ( veel minder gebruikelijk )

IV Lyriek: Soorten Lyriek. terug naar inhoudstafel

HB: p400-402; 408-409 p411-413; 420-430
WB: p311-313; 315;319 p322; 327-331; p339-341

1. Dichtvormen

a. hymne,ode: lofzangen

hymne: aan een god(heid)
ode: wereldlijke lofzang

b. sonnet:

ontstaan in de RenaissancePetrarca ( en hier). Gedicht bestaande uit 14 regels verdeeld in een octaaf bestaande uit 2 kwatrijnen en een sextet bestaande uit 2 terzines. Tussenin ligt doorgaans de ommekeer of volta waarin de inhoud van het voorgaande betrokken wordt op de dichter
Daarnaast bestaat ook het sonnet van Shakespeare:  3 kwatrijnen van 4 regels gevolgd door een tweeregelige strofe met een epigrammatisch effect. 

c. het rondeel:

oorspronkelijk een danslied: komt uit de Middeleeuwen. Bestaat uit 13 regels, slechts 2 rijmklanken en een herhaling van 1 of meer verzen. Vb: Egidius.

d. het refrein: of rederijkersballade.

alle strofen hebben eenzelfde eindvers: " stok " genoemd De laatste strofe begint meestal met " Prince ". Het refrein is een genre uit de rederijkersperiode :15de eeuw.
De " Prince " uit het gedicht was de weldoener van de rederijkerskamer aan wie het gedicht werd opgedragen.

e. satire: hekeldicht

f. epigram

puntdicht of sneldicht: kort gedicht: slechts enkele regels waarin een levenswijsheid kernachtig wordt uitgedrukt.

g. elegie

treurdicht opmerking: een gedicht kan tot 2 dichtvormen behoren. vb: een elegisch sonnet.

h. ballade

episch-lyrisch; vaak met tragische afloop; uit vroege Middeleeuwen: aanvankelijk een verhalend (dans)lied.Daarnaast ook moderne versies.

i. limerick - haiku (5-7-5) limerick: aabba

 

2. Thematische indeling:

a. religieuze lyriek: vb: Guido Gezelle. (1830-1899) 
b. natuurlyriek: vb: Guido Gezelle - Jacques Perk
c. liefdeslyriek

* vriendschaps-en verwantschapslyriek: W. Elsschot. 
* minnelyriek: 2 koningskinderen
* sociale lyriek: A. Demedts

d. gedachtenlyriek: een uiting van een bepaald filosofisch idee: Martinus Nijhoff - Verwey

 

V. Dramatiek: Korte historische schets. Terug naar inhoudstafel

HB: p336-344; 362-370; p373-378; 395-396
WB: p288-296; 305

A. Ontstaan:

In het klassieke Griekenland: gegroeid uit godsdienstige plechtigheden; aanvankelijk in open lucht op een kar ( met een platform), later in amfitheaters. Hoogtepunt 5de eeuw voor Christus. Thema's: uit de Griekse mythologie.

Enkele figuren

kenmerken: geen vrouwen, gebruik van koren of reien, gebruik van maskers (reden: om mannen ook vrouwenfiguren te laten spelen, om de klank te versterken: immers in open lucht, om de typische uitdrukking op het gelaat van de goden duidelijker te laten uitkomen
Nu nog steeds opvoeringen van klassiek toneel in enkele van die antieke amfitheaters: oa te Athene, te Epidavros in Thasos en in Efese (Selçuk). Het Griekse toneel werd overgenomen door de Romeinen: oa. Plautus en Terentius voor het blijspel en Seneca voor de tragedie.(West-Romeinse rijk 476 - Oost-Romeinse rijk 1453)

1. Middeleeuwen:

Opnieuw ontstaan naar aanleiding van godsdienstige plechtigheden: eerst in de kerk zelf, daarna op een kar voor de kerk: uitbeelden van Bijbelse taferelen. Toen ook niet-religieuze stukken werden opgevoerd verhuisde het toneel buiten de kerk.

Indeling:

  • religieuze stukken: mysteriespelen ( uit de bijbel) - mirakelspelen: vb: Beatrijs.
  • profane stukken: abele spelen: ernstig,; avonturen van de hoge adel. clute/sotternie/: platte humor

In de rederijkerstijd: moraliteit/ spel van sinne/ allegorie: ernstige stukken.
esbatementen: boertige kluchten.

Eerste theater: "The Swan" in Londen (1596)

2. Klassiek drama

renaissance (17de eeuw): navolging van Griekse en Latijnse dramaturgen: vooral Seneca. Vaste wetten:

* De drie eenheden:     

eenheid van plaats: één decor.
eenheid van tijd: 24h.
eenheid van handeling: chronologische volgorde ( nu zijn bvb flashbacks mogelijk)

* 5 bedrijven:     - expositie: voorstellen situatie en personages (= uiteenzetting)
                          - intrige: wat is het probleem (=de verwikkeling)
                          - climax: hoogtepunt van het probleem
                          - peripetie: afloop
                          - catastrofe

* reien of koren:

Aangezien er maar één decor was, vervingen de reien datgene wat buiten het decor gebeurde ( vb: een veldslag die door de koren gezongen werd)

* deus ex machina

letterlijk: god uit de machine: het opperwezen dat op het einde van het stuk de oplossing bracht: via een mechanisch toestel dat met een katrol op het toneel werd neergelaten.

* geen vermenging van ernst en lach: een tragikomedie was onmogelijk.

vbn: Vondel - HooftCorneille en Racine.
Naast het klassiek toneel bestond in de Renaissance ook volkstoneel. Dit toneel was veel populairder en trok zich van die vaste wetten niets aan.
Vbn: Shakespeare - Bredero Lope de Vega 

3. Modern toneel:

Geen vaste wetten meer; grote diversiteit: o.a. eenakters ( slechts 1 bedrijf) - experimenteel toneel - straattoneel - toneelstukken met slechts één akteur - musical ( = musical comedy)( belangrijke componisten van musicals: Irving Berlin, Leonard Bernstein, George Gershwin, Jerome Kern, Oscar Hammerstein, Rodgers en Hammerstein II) belangrijke musicals: Showboat (1927 Kern en Hammerstein), Porgy and Bess (1935 Gershwin) , Oklahoma (1943: Rodgers en Hammerstein), Annie get your gun (1946: Irving Berlin), Kiss me Kate (1948, Cole Porter), My Fair Lady (1956 ), West Side Story (1957 Bernstein), Hello Dolly (1964), Fiddler on the roof (1964, Stein), Sweet Charity (1967 ), Hair ( rock-musical: Ragno and Rado 1967), Jesus Christ Superstar (Andrew LLoyd Webber 1970) Evita (1976, Andrew LLoyd Webber), A chorus line (1975), Cats ( 1980 A.L.Webber)

In Nederland: oa: Annie M.G. Schmidt: Heerlijk duurt het langst, Met man en muis, En nu naar bed,O,wat een planeet, Foxtrot, Madam.

Moderne toneelauteurs oa: Claus  E. Ionesco , Harold Pinter.

 

B. Soorten toneel.

treurspel: tragedie: vb: Othello - Mc Beth - Hamlet - King Lear - Romeo en Juliet - Lucifer - Vrijdag - Oedipus Rex

blijspel: komedie: vb: Warenar  - Trijntje Cornelis - De Spaanse Brabander - De getemde feeks - L'avare - Le bourgeois gentilhomme - Tartuffe - Le misanthrope (Molière)( zedenkomedies) Alan Ayckbourn.

tragikomedie:

modern toneelspel: Claus - Lodewijk de Boer - D. F. Frank

klucht: kort stukje; meestal platvloers.

opera: vb: Madame Butterfly - La Bohème - Tosca (Puccini) - Aïda - Rigoletto - Il Trovatore (Verdi) - Faust (Gounod) - Carmen ( Bizet) - De barbier van Sevilla ( Rossini) - Boris Godoenov ( Moessorgski) - Cosi fan tutti - Die Entführung aus dem Serail - Le nozze di Figaro - Di Zauberflöte (Mozart) - Die Fledermaus (J. Strauss) - Lucia di Lammermoor (Donizetti) - Norma ( Bellini) Der Ring des Nibelungen ( Wagner) - Der Rosenkavalier ( R. Strauss)

operette: vb: Die lustige Witwe ( Franz Léhar) - Wiener Blut (Johan Strauss jr) - Der Bettelstudent ( Karl Millöcker) - Die Czardasfürstin ( Emmerich Kalman) - La vie Parisienne (Offenbach)

musical: My Fair Lady - Hair - Oklahoma - Chicago - Rocky horror picture show - West Side Story - Cats. Kenmerken: moderne muziek - dansen - gesproken stukken.

revue: afwisseling dans - muziek - sketches.

sketch: heel kort stukje; doorgaans komisch. Maakt vaak deel uit van een revue.

cabaret: lijkt veel op een revue: gesproken stukken, zang maar doorgaans door slechts één of twee personen. Vb: kabaret Ivo de Wijs - Jasperina de Jong en kabaret Lurelei.

rock-opera: Quadrophenia - Tommy

conference: grappige voordracht door 1 persoon: vb: Toon Hermans - Wim Sonneveld - Wim Kan - Paul van Vliet - Seth Gaaikema - Will Ferdy - Herman Van Veen - Geert Hoste - J. Vermeire - Urbanus - Joep van 't hek.- André Van Duin – Freek de Jonghe

 

VI  Inleiding op de literaire stromingen  terug naar inhoudstafel ( zie voor literaire stromingen in de 20ste eeuw ook: hier)

 

A. Elke mens, dus ook elke kunstenaar, wordt beïnvloed door de maatschappij waarin hij leeft. Het is dan ook bijna vanzelfsprekend dat kunstenaars in een bepaalde periode een aantal stijlkenmerken gemeen zullen hebben.

B. Op basis van die gelijkenissen: stijl - interesse of afkeer van een bepaald thema - kan men een aantal literaire stromingen onderscheiden.( Dit geldt evenzeer voor schilderkunst - bouwkunst - beeldhouwkunst en muziek ). Die stromingen zijn evenwel niet louter tijdsgebonden. Bepaalde stromingen die theoretisch verbonden worden met een bepaalde periode kunnen ook later nog opduiken bij bepaalde schrijvers ( vgl: neo-romantiek en nieuw realisme in de 20ste eeuw) Daarnaast moet men ook nog rekening houden met het feit dat bepaalde schrijvers boven hun tijd uitstijgen en zich niet gebonden voelen aan de heersende stroming ( vgl:Guido Gezelle - Multatuli: )

C. Doorgaans is er tussen de verschillende stromingen een wisselwerking rede - gevoel.Een nieuwe literaire stroming ontstaat doorgaans ofwel als reactie op een vorige of als een ten top drijven van een voorgaande stroming. Het moment van de reactie wordt meestal bepaald door veranderende maatschappelijke en/of politieke toestanden. ( Vb:Verlichtingsfilosofen en Franse Revolutie op het einde van de 18de eeuw - Industriële revolutie in de eerste helft van de 19de eeuw - WO I en WO II in de 20ste eeuw ).

D. De Nederlandse literatuur begint omstreeks 1100. Vanaf dat moment beschikt men over geschreven bronnen. Men spreekt evenwel slechts van literaire stromingen vanaf de 18de eeuw.

E. Overzicht tot de 18de eeuw:

* Middelnederlandse letterkunde: 1100 - 1400
* de rederijkers: 15de eeuw
* de renaissance: 16de en 17de eeuw.( schilderkunst: hier )

18de 19de en 20ste eeuw: ( zie voor literaire stromingen in de 20ste eeuw )

* classicisme ( schilderkunst: hier )
* romantiek ( en hier)( schilderkunst: hier )
* realisme  ( en hier)en naturalisme ( en hier)
* impressionisme en sensitivisme (schilderkunst: hier en hier)
* expressionisme ( schilderkunst: hier en hier)

Enkele literaire stromingen nader bekeken

1. Classicisme (2de helft 17de en 18de eeuw) 

Cfr muziek: 'Eine Kleine Nachtmusik' van Mozart.

In het classicisme wilde men terug naar de kunst van de klassieke Griekse en Romeinse periode. Vooral in Frankrijk was het classicisme de dominante styroming in de 17de eeuw. Met Lodewijk XIV als zonnekoning in Frankrijk werd een absolutistisch centraal gezag gevestigd. Zelfs de cultuur werd door hem georganiseerd: ales moest en zou de klassieken navolgen. Er werd gstreefd naar orde en evenwicht, naar rationaliteit en discipline en er was een dogma ( verplichting) van de imitatio qua vorm en inhoud.

In de literatuur streefden de auteurs naar volledige vormperfectie. Zij waren van mening dat kunst, mits veel ijver en toewijding, 'gemaakt' kon worden. Dat 'maken' van literatuur bestond uit het nauwkeurig volgen van richtlijnen die ze uit de klassieke meesterwerken konden puren. Bijvoorbeeld van het toneel: er moest eenheid zijn van handeling, tijd en plaats; er mochten alleen hooggeplaatste figuren in meedoen en het koor werd verboden.

Het gevolg van dit streven naar de perfecte vorm ws dat er niet veel hoogstaande literatuur werd geschreven: bijna alleen vertalingen van Franse treur- en blijspelen, ook proza en poëzie leden aan bloedarmoede.

Voorbeelden in de literatuur: toneel: Moliëre - Corneille en Racine.
Bij ons: Pieter van Langendijk: het wederzijds huwelijksbedrog.
Proza: Justus van Effen

2. Romantiek (19de eeuw)

Cfr muziek: R. Strauss: Also sprach Zarathustra
Schilderkunst: Delacroix ( en hier)

De Romantiek is ca 1800 ontstaan als reactie op een mij waarin het verstand, de rede centraal stond ( Classicisme en Verlichting)

Het optimisme van de Verlichting beantwoordde niet aan de werkelijkheid. Men il nu naar een cultuur waarin het gevoel en de fantasie het middelpunt zijn. De kunstenaars zijn niet tevreden over de wereld zoals hij is en ook niet over zichzelf: ze lijden onder de permanente onvolmaaktheid van het bestaan. Daarom vluchten ze: in de droom, de fantasie, in de natuur, in het heroïsche verleden, in de toekomst, in de godsdienst, in de humor, in de dood, in de jeugd …De nationalistische literauur steekt de kop op ( verheerlijking heroïsche verleden van het land; denk aan: Conscience: De Leeuw van Vlaanderen)

De Romantiek vond in de Nederlanden veel minder weerklank dan bvb in Duitsland (Goethe) Frankrijk ( V Hugo - Lamartine ) Engeland ( Wordworth - Scott - Shelley (en hier) - Keats - Byron( en hier)) Wel bij ons: Guido Gezelle ook: klik hier

3. Realisme

Cfr schilderkunst: Millet  ( en hier): de arenlezende vrouwen.

Het Realisme is rond 1850 ontstaan als reactie op de idealisering van de romantiek. De realistische auteurs brengen een objectieve observatie van de werkelijkheid zoals ze is en vluchten niet weg. Andere oorzaken voor de realistische stroming zijn de vordering van de natuurwetenschappen, de toenemende verstedelijking, de groeiende onverschilligheid tegenover de godsdienst en de moraal en ten slotte de uitvinding van de fotografie.

De auteurs schrijven een eenvoudige, sobere taal met alledaagse woorden en volkse uitdrukkingen.

Een uitloper van het realisme is het naturalisme: hierin wordt de rauwe, sombere werkelijkheid beschreven. Er is een oorkeur voor het lelijke, het afstotelijke; de mens wordt beschouwd als een wezen dat volledig bepaald wordt door zijn milieu, de tijdsomstandighden en erfelijkheidsfactoren. Dat leidt bij de naturalisten tot pessimisme en fatalisme.

In de literatuur: Dickens  ( realisme) - Thackery ( naturalisme) - – G. Flaubert  Zola  ( naturalisme) - : Buysse, Streuvels( realisme en naturalisme)

4. Impressionisme (en hier)

Cfr schilderkunst: Monet ( en hier) 'soleil levant'
Muziek: Ravel: Bolero

Het impressionisme is een reactie op het realisme; in het realisme ging het alleen om een objectieve weergave van de werkelijkheid; in het impressionisme wil men zijn eigen subjectieve interpretatie van de werkelijkheid schetsen.

In het impressionisme heeft de kunst als enige taak mooi te zijn. De kunstenaars hebben er genoeg van dat kunst een boodschap moet uitdragen. Vanaf nu mag je je levensvisie of je sociale bewogenheid niet meer in je kunst uitdrukken: het is kunst om de kunst. De kunstenaars willen op een sterk individuele manier hun gevoelens verwoorden. Het gaats steeds om het weergeven van een sfeer, stemming, door middel van een reeks indrukken. De schrijver doet hiervoor een beroep op zijn zintuigen.

Kenmerken van de taal: veel neologismen, schilderachtige adjectieven, vaak een minder verzorgde zinsbouw, belangstelling voor kleur- en lichtindrukken.

In de literatuur: vooral poëzie: de Tachtigers: Mei van Gorter en sonnetten van Kloos.

5. Expressionisme (en hier)

Cfr: Paul Van Ostayen . Schilderkunst: de Schreeuw ( Edvard Munch)( en hier) Permeke

Het expressionisme is een reactie op het impressionisme. Het is een protest tegen de schoonheidsroes en tegen de kunst die bedwelmt door de sfeer en de stemming. Begrijpelijk als we weten dat deze kunstenaars spreken vanuit hun ervaring van de 1ste Wereldoorlog. De kunstenaars zijn niet opgegroeid met 'schoonheid' maar met beelden van vernietiging en verwoesting. Ze wensen niet te spreken over de mooie natuur, maar over de ellende en de armoede van de steden voor en na de oorlog. Die totaal andere levenservaring uit zich in hun kunst: ze gebruiken een strakke taal met rake substantieven ( geen overvloed aan sfeerscheppende adjectieven meer) en willen juist door de soberheid hun gevoelens intensifiëren. Ze ontlenen hun beeldspraak vaan het leven in de stad en hun verzen zijn niet meer gebonden aan de wetten van lengte en rijm: het vrije vers primeert. De typografie van de gedichten is ook enorm belangrijk. De expressionistische kunst is niet zo vaak 'mooi' te noemen, maar eerder 'buitenissig, onsamenhangend, ongewoon, aanstootgevend'

 

VII Humor. Terug naar inhoudstafel         HB: p 213 WB: p 195 opg 8-20

A. Verschijningsvormen van het komische.

a. Dramatiek

- blijspel of komedie
- klucht: platter van humor; korter.
- sketch: heel kort, grappig stukje.
- conference: alleenspraa

b. Poëzie

- limerick: 5-regelig grappig gedichtje; pointe op het einde: rijmschema: aabba.
- koldergedichten: vb: Cees Buddingh
- epigram: heel kort gedichtje met een zedenles. vb: Huygens.

c. Proza

- cursiefje en kroniekje: zie verder
- groteske: kort prozaverhaal waarin onmogelijke zaken als reëel worden voorgesteld. Paul van Ostayen.
- citaten: vb: Gerd de Ley ( + aforismen )

 

B Het cursiefje.

1. Oorsprong van de term

De term is afgeleid van "cursief", het schuine lettertype, in tegenstelling met het " romein ", het recht opstaande lettertype. Een cursiefje is dan oorspronkelijk een stukje in de krant, gedrukt met zulk schuin lettertype, in tegenstelling tot het gewone nieuws. Daarnaast zijn er ondertussen ook reeds radiocursiefjes.

2. Inhoud en sfeer.

De onderwerpen zijn onbeperkt. Het cursiefje beeldt immers het leven van elke dag uit. Toch is het altijd gewoon, doodeenvoudig. Het staat diametraal tegenover het wereldgebeuren, tegenover plechtige taal, tegenover alles wat verheven is, tegenover stereotypie en clichés.

Vandaar taalhumor, verrassende inhoud, speelse wendingen.
Sfeer: weemoed, gelatenheid, clownerie, spot, verzet, ironie en zelfironie.

3. Vorm en stijl.

Kort en beknopt: met de deur in huis vallen. In de inleidende zin vaak:

= tijdsaanduidingen: Gisteren, morgen...
= plaatsaanduidingen: In het station, in de wachtzaal
= Vaak "ik " in de inleidende zin.

Stijl: eenvoudig, maar met een verfrissende originaliteit

4. Humor in het cursiefje.

Niet alle cursiefjes zijn humoristisch, maar de meeste wel.
Zelden evenwel treft men de uitbundige schaterlach aan, eerder verfijnde humor. Soorten:

  1. Humor van de situatie
  2. Typische benadering van de realiteit: opzettelijk overdrijven ( hyperbolen) of opzettelijk verheven dingen relativeren: tegen zelfoverschatting, schijngeleerdheid.
  3. Taalhumor: woordspeling, ongewoon woordgebruik, nieuwe woordvorming en plastische uitbeelding.

5. Teksten.

1. Het wonderkind. Godfried Bomans ( zie volgende blz )
2. Parkeren. Pierre Van Rompaey ( zie volgende blz )

 

HET WONDERKIND:   GODFRIED BOMANS

 

Daar lezen wij in de krant dat een Amerikaanse schooljongen van 10 jaar, de jongeheer Leonard Ross, op een zaterdagavond in een wedstrijd voor de televisie een prijs van honderdduizend dollar gewonnen heeft. Ook geen grijpstuiver. En waarmee? " Hij slaagde erin een moeilijke, uit vijf delen bestaande vraag over de effectenbeurs van New York foutloos te beantwoorden. " Ik vind dat maar een eng jongetje. Misschien komt dit uit afgunst voort. Want ik geef rondborstig toe, dat ik zelf nooit op de gedachte gekomen zou zijn om zulke dingen aan jongetjes van tien jaar te vragen. En toen ik zelf een jongetje van tien jaar was, verwachtte ik ook niet dat deze problemen mij werden voorgelegd. In mijn tijd werd de wetenschap, waar New York ergens lag, voor scholieren van tien jaar als de uiterste grens van algemene ontwikkeling beschouwd. Wie meer wist, bracht het onderwijzend personeel, dat slechts over een kleine reserve aan kennis beschikte, in de grootste verlegenheid. Het feit, dat daar bijvoorbeeld een effectenbeurs bestond, viel buiten dit surplus. En het uit het blote hoofd opzeggen van de aldaar genoteerde koersen was zo ver verwijderd van de destijds gebruikelijke leerstof, dat de dienstdoende onderwijzer in een toestand van zenuwachtige geprikkeldheid geraakt zou zijn. Wie dit in mijn tijd presteerde, had nog diezelfde avond en bekommerd schoolarts thuis gekregen, die een beloning van honderdduizend dollar met beslistheid zou hebben ontraden. Hij had zich bepaald tot het voorschrijven van volle melk, vroegtijdig ter ruste gaan en veel, zeer veel buitenlucht.

Dit is nu blijkbaar anders. Zulke jongetjes bestaan. En niet alleen bestaan zij, maar zij worden in één avond schatrijk. Zij worden door de kranten geïnterviewd en antwoorden op de vraag, wat zij graag zouden willen hebben: " Een abonnement op het Wall Street Journal. " Dit is het New Yorkse beursblad. En dit wekelijks te mogen lezen is de hartenwens van Leonard Ross, hij heeft het letterlijk zo gezegd. Een eng jongetje. En de tienjarige Leonard vertelt dan verder, dat hij drie jaar geleden voor het eerst een financieel jaarverslag van een petroleummaatschappij in handen kreeg en dat hij sindsdien aan deze lectuur verslaafd is. Een buitengewoon eng jongetje. En hij vertelt verder, dat hij de winst- en verliesrekening van tientallen vennootschappen ademloos doorleest en de conjuncturen van hun aandelen en obligaties op de voet volgt. Een bijzonder eng jongetje. Hij deelt voorts mee, dat de nieuwe emissie van Sherman & Wood hem met zorg vervult, omdat door de jongste politieke gebeurtenissen in Arabië de oliecurve naar een " baisse " loopt, tenzij natuurlijk de boringen in Argentinië dit compenseren, wat hij niet gelooft, omdat de Argentijnse regering tegen Amerikaanse investering is, hetgeen de noodzaak van mantel-organisaties in het leven roept. Wat vindt u van zo'n jongetje? Zoudt u het willen hebben? Ik niet.

Als ik zo'n jongetje had, zou ik hem een kwartje geven en zeggen: " Leonard, investeer dit in een zakje snoep, zoek het sufste jongetje op dat je vinden kunt en ga samen winkeltje-spelen. En als je niet minstens twee uur wegblijft met dit prachtige weer, zal ik je een emissie voor je baisse geven, dat je er de eerste drie dagen niet op kunt zitten, tenzij met een mantel-organisatie. " Maar die honderdduizend dollar zou ik uit zijn broekzakje futselen en er stilletjes mee naar een naburige tapperij gaan. Want zo'n vader komt wel een kleine investering toe.

 

PARKERENPIERRE VAN ROMPAEY

 

De man wou instappen, toen de agent hem verraste.
" Die wagen mag hier niet staan, meneer!"
De man knikte. "Ik zal hem wegzetten!"
"Rijdt u voor eigen rekening," vroeg de agent. Hij zocht naar zijn potlood. De man zuchtte berustend en haalde het sleuteltje weer uit de deurkruk.
"Ik rijd om zo te zeggen niet voor eigen rekening," legde hij uit.
"Het is nogal ingewikkeld. Moet ik helemaal verklaren hoe de zaak in elkaar zit,"
"Natuurlijk," zei de agent geprikkeld.
De man keek bekommerd. Een grote bruine hondeblik. "Ik wil niet nodeloos op uw kostbare tijd beslag leggen," sprak hij bedroefd.
"Maak u geen zorgen," nijdaste de agent. Hij had zijn potlood gevonden en drukte met de punt op zijn notitieboekje. "Van wie is die wagen?"
De man krabde achter zijn oor en vroeg: "Gaat u het helemaal noteren?"
"Vertel op," blafte de agent. "Wat ik met uw verhaal doe, is mijn zaak."
"Zolang u het niet publiceert," corrigeerde de man bedeesd.
"Wat bedoelt u?" De agent stampvoette ongeduldig.
"Excuseer," zei de man. "Natuurlijk bent u zoiets niet van plan."
Hij kuchte en begon te wachten.
"Wel?" vroeg de agent.
"O," zei de man. Hij schrok op uit een diepe droom. "U wil de naam van de eigenaar?"
"En een beetje gauw alstublieft! Of ik maak er smaad aan de politie van!"
"Heb ik u gesmaad?" vroeg de man verwonderd.
"Menèèr! Wilt u ja dan neen de naam van de eigenaar geven?" riep de agent.Enkele voorbijgangers hielden nieuwsgierig halt.
"Ja," zei de man met vaste stem. "Ja, ik wil."
"Voor de dag ermee dan!" bitste de agent. Er kwamen een paar zweetdruppels op zijn voorhoofd. "En doorlopen, jullie!" zei hij tot de omstanders. Een paar morden en gingen heen, maar er bleven er ook ter plaatse drentelen.
"Mag ik even naar deze etalage kijken, agent?" vroeg een loodgieter met valse onderdanigheid.
"Doorlopen!" beet de politieman.
"Spijtig," beweerde de loodgieter. "Ik had graag even een modelletje voor mijn vrouw uitgezocht." Hij wees naar het raam waarachter voluptueuze bustehouders aan een koordje hingen. "Maar nu kan het niet natuurlijk." Achter zijn rug hoorde de agent zacht lachen.
"Ik wil niet voor de gek gehouden worden," riep hij dreigend. "Door niemand!" Hij voelde hoe zijn gelaat rood en opgezwollen was. Iemand tikte hem op de schouders. Het was de man van de auto, die hem met zijn trouwe ogen dom aanstaarde.
"En door u ook niet!" schreeuwde de agent.
"het begint te regenen," zei de man stilletjes.
"dat zal mij niet beletten proces-verbaal tegen u op te stellen, meneer! Uw identiteitskaart alstublieft!" Hij hijgde heftig van drift.
"Zullen we samen in de wagen gaan zitten," stelde de man voor.
"Ik ben blootshoofds en helaas gevoelig voor griep."
"Goed!" riep de agent. Hij snokte ongeduldig aan de deurkruk.
"Dat moet met een sleuteltje," zei de loodgieter behulpzaam.
"Zwijg jij! Bemoei je met je... Hij vond het woord niet.
De man had ondertussen het portier geopend. "Wilt u maar plaats nemen?" verzocht hij.
De agent plofte in de kussens. Met een grimmig gebaar haalde hij zijn boekje weer te voorschijn.
"Hier zitten we lekker droog," zei de man. Hij was achter het stuur gekropen en startte de motor.
"Wat doet u," vroeg de agent wantrouwig.
"Ik rij weg," zei de chauffeur. "We staan hier te gevaarlijk. Vlakbij een hoek. Als er een auto met een flinke vaart de straat in rijdt, botst hij op ons."
"dat had u eerder mogen bedenken," vond de agent. Zijn toon was nog korzelig, maar toch iets verzacht, omdat het buiten nu goot, en omdat hij de loodgieter kwijt was.
Ze reden de straat uit, maar nergens was een parkeerplaats.
"Rechtsin," zei de agent.
Maar ook die straat stond vol.
"het is een probleem," gaf de agent toe.
"Och kom," zei de man. "Met een beetje geduld vinden we wel iets." Maar overal puilden de straten uit van de wagens.
"laat me hier maar uitstappen," zei de agent plots, toen ze voorbij het politiebureau kwamen. "We zullen het maar bij een verwittiging laten."
Hij zette zijn kraag op, want de regen kletterde op het trottoir.
"Dank u," zei de man. "U moet uw werk doen natuurlijk, en ik het mijne. Daardoor lopen onze belangen uiteen. Maar we zijn allebei werkende mensen."
"O.K." zei de agent. Verzoend met de mensheid betrad hij het kantoor.
"Er is daarnet getelefoneerd," zei de brigadier. "Alweer een wagen gestolen op jouw ronde, Jules."
"Kan ik het helpen?" vroeg de agent. "De dieven vragen niet of ik meerijd, hoor."