LITERATUURGESCHIEDENIS

Terug naar inhoudstafel

 

      1.Inleiding: de term Nederlands:      

     pag

      2.De wereld van de ridder

     pag

      3. De wereld van het geloof:

     pag

     4. De wereld van de burger:

     pag

     5. Lyriek: het middeleeuws lied:                               

     pag

     6. De Rederijkers:

     pag

     7. De Renaissance: 

     pag

     8. De Gouden Eeuw:

     pag

     9. De Romantiek: 

     pag

   10. Multatuli

     pag

   11. Guido Gezelle

     pag

   12. De Tachtigers:

     pag

   13. Van Nu en Straks:

     pag

   14. Het expressionisme

     pag

   15. Het interbellum: 

     pag

   16. Poëzie na WOII: 

     pag

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

I. INLEIDING

    1- De term Nederlands.

a. Oorsprong. Voor de geschiedenis van het Nederlands klik ook hier  en hier

Het Nederlands maakt deel uit van de grote taalfamilie van het Indogermaans. Het Indogermaans strekt zich uit van Indië tot IJsland. Volgende taalfamilies maken er o.a. deel van uit: Germaans, Romaans, Slavisch, Keltisch, Grieks, Indisch, Armeens. Die splitsing in de diverse taalgroepen vond reeds plaats lang voor onze jaartelling.

Het Oergermaans splitste zich vervolgens in drie groepen.

- Noordgermaans: Deens, Zweeds, Noors, IJslands.
- Oostgermaans: Gotisch (nu uitgestorven)
- Westgermaans: Anglo-Fries en Continentaalgermaans.

Het Continentaalgermaans splitste zich in drie groepen:

- Middel- en Opperduits: later het Hoogduits
- Nedersaksisch: later het Platduits
- Nederfrankisch: later het NEDERLANDS

b. Evolutie.

Men onderscheidt in het Nederlands 3 perioden:

* Het Oudnederlands: voor de 12de eeuw.

Slechts zeer weinig documenten zijn ons uit die periode overgeleverd: oa: een psalmvertaling en een vers uit de 11de eeuw: hebban olla vogala nestas bigunnan hinase hi(c) anda thu.

* Het Middelnederlands: tot einde 15de eeuw

Kenmerken: zie: Taalbeschouwing

* Het Nieuwnederlands: vanaf de l6de eeuw. Op alleterreinen overwicht van Holland.

c. Opmerking

In de Middeleeuwen gebruikte men niet de term Nederlands maar "diets" ( in Vlaanderen) en " duuts "in Brabant en Holland. Door diftongering ontstond dan uit "duuts" "duits". Omdat die laatste term verwarring kon brengen met het Duits in Duitsland begon men vanaf na l500 Nederlands en Nederduits als term te gebruiken. De term Nederduits verdween in de loop van de l9de eeuw.

    2- Socio-culturele en politieke achtergronden in de Middeleeuwen.

a - politiek:

De Middeleeuwen omvatten een periode van 10 eeuwen (500 tot 1500) maar voor de Nederlandse literatuur zijn alleen de laatste 5 eeuwen belangrijk. Vlaanderen is op dat moment een leen van Frankrijk maar stelt zich erg onafhankelijk op. Brabant maakt aanvankelijk nog deel uit van het Duitse rijk maar daar komt in 1288 een einde aan. ( slag bij Woeringen) Vlaanderen weerstaat lang aan de druk van Frankrijk maar moet tenslotte toch bezwijken voor de hertogen van Bourgondië die vanuit Brabant een nieuwe staatkundige eenheid scheppen die zal overgaan in het keizerrijk van Karel V.
Politiek staat derhalve tot de helft van de 14de eeuw Vlaanderen het sterkst; daarna komt Brabant aan de beurt.

b - sociaal:

Feodale samenleving: standenmaatschappij.

adel: in de vroege Middeleeuwen nog zeer machtig; maar weinig cultureel geïnteresseerd.

geestelijkheid: een diep gewortelde christelijke levensbeschouwing: gemeenschapsidealen. De gemeenschap, de samenleving komt voor het individu. Vandaar oa: bouwen van talrijke kathedralen. Tekenend voor de macht van de geestelijkheid zijn ook de kruistochten. Ook het cultureel leven is door de geestelijkheid bevorderd: kloosterscholen, schrijven en bewaren van handschriften. Later in de Middeleeuwen zal de grote macht van de geestelijkheid aanleiding geven tot misbruiken, verlies van vertrouwen en uiteindelijk leiden tot de grote scheuringen in de kerk.(zie ook hervorming  )

burgerij: in de vroege Middeleeuwen nog tamelijk onbeduidend, maar vanaf het midden van de 11de eeuw steeg de macht van de steden aanzienlijk. Oorzaken: meer zekerheid en veiligheid binnen de stadsmuren - steun van de adel: oa. steun van de graaf van Vlaanderen in zijn streven naar onafhankelijkheid tov. van Frankrijk. Vandaar ook meer vrijheden en rechten. Omstreeks 1200 waren Gent, Brugge en Ieper echte machtsblokken in de mij.

c - cultureel:

adel: troubadours en minstrelen vervaardigen ridderromans op rijm en droegen die met veel succes voor aan de adellijke hoven in Europa. De ridderromans stammen uit Frankrijk en onze Nederlandse ridderromans zijn dus hoofdzakelijk navolgingen. Naar gelang van de behandelde stof onderscheiden we verschillende soorten.( zie ook 'wereld van de ridder' )

geestelijkheid: de middeleeuwse devotie leidde tot verhalen over het leven van Maria, Christus en allerlei heiligen. Daarnaast ontstond in de 13de eeuw de mystiek en bloeide parallel met bloei van het kloosterleven.

burgerij: de literatuur van de burgerij komt pas later op het voorplan ( zie ook 'wereld van de burger') en is veel realistischer en zakelijker van aard. Hier vinden we vooral het dierenverhaal, de didactiek en later de volksboeken.

 

 

MIDDELEEUWEN

 

I. De wereld van de ridder: epiek. Terug naar inhoudstafel

    De ridderroman.

a) De begrippen voorhoofs en hoofs.

Aanvankelijk gold in de ME in de ridderromans het ridderideaal als het hoogste ideaal: de ridder in dienst van zijn heer - vriendschap met andere ridders - riddertrouw primeren. De vrouw is in de voorhoofse epiek totaal onbelangrijk en ondergeschikt.

Hoofse epiek: cultuur die zich vanaf de 12de eeuw vanuit de Provence naar het Noorden uitbreidt (= Provençaalse minnelyriek. De riddereer en riddertrouw worden hier ten dienste gesteld van onschuldigen en zwakken. Ridderlijke liefde wordt vrouwenverering. Nota: ridderroman mag hier niet gezien worden als modern proza maar als een min of meer lang episch gedicht.(rijm- en strofevorm als mnemotechnisch middel)

b) Soorten: ( voorhoofs en hoofs: zie ook Lemma 5 pag 30-31: een kunstmatige scheidingslijn  

- voorhoofs

Frankische of Karelromans: vb: Karel ende Elegast ( = tekst) (zie ook Lemma pag 24: het godsoordeel. Verder ook: Reinout van Montalbaen, ( =  tekst) het Roelandslied. ( =tekst)

- hoofs:  

Keltisch-Britse romans: stof ontleend aan Keltische verhalen; figuren: oa  Arthur en de ridders van de tafelronde: Lancelot, Gawain, Parcifal,
Tristan... vb bij  ons: Walewein, Ferguut.

Klassieke romans: stof ontleend aan de geschiedenis van de oudheid ( Troje- Alexander) kenmerk: vol historische onjuistheden en anachronismen. Vb bij ons: Eneit, Historie van Troyen. Belangrijk schrijver: Jacob van Maerlant.

Oosterse romans: stof ontleend aan het Oosten ( via oa de kruistochten) vb bij ons: Floris ende Blancefloer.

Opmerking: epische concentratie: het toeschrijven van gebeurtenissen aan 1 bepaald persoon, alhoewel die reeds vroeger bij andere personen gebeurd waren. Vb bij ons: Reinout van Montalbaen.

TEKSTEN

Karel ende Elegast: Lemma 5 – pag 19 (= voor kenmerken Mndls)

pag 21- 24: 2de fragment.

 

II. De wereld van het geloof   inhoudstafel

    1- Inleiding: De invloed die van de kerk uitging was toen erg groot

= op religieus vlak: beweging van Cluny (10de eeuw) en Cister (l2de eeuw)

= cultureel: lezen en schrijven in kloosterscholen ( zie ook inleiding pag 2)

= politiek: Investituurstrijd: 12de eeuw: strijd tussen het keizerlijk gezag (keizer van het H. Roomse
    rijk ) en het pauselijk gezag.

Vandaar het ontstaan van een specifieke religieuze lit.

    2- Indeling:

Epiek:

heiligenlevens (hagiografie) verhalen van zendelingen en de mirakels die ze verricht hebben bij de christianisering van Europa. Vb:Hendrik van Veldeke: Sinte Servaes. De reis van Sinte Brandaen.

Legenden: vnl Marialegenden. vb bij ons: Beatrijs - Theophilus.
kenmerken: - didactisch- moraliserend
parallellen tussen vrouwenverering uit de Provence en Mariaverering.

Lyriek:  Mystiek:

Ontstaan: Beweging uit de 12de eeuw die ernaar streefde een eenheid met God tot stand te brengen nog voor de dood. Vgl ook: het ontstaan van de begijnhoven.

 

Teksten: Beatrijs: Lemma 5 pag34-38

 

III. De wereld van de burger terug naar inhoudstafel terug naar toets Reinaert terug naar studiewijzer

    1) Inleiding: Vanaf de 13de eeuw kennen de steden hun grootste bloei en zullen een steeds groter wordende
         invloed op de letterkunde uitoefenen. Het is ook vanuit die hoek dat in de letterkunde de samenleving voor
         het eerst maatschappij-kritisch wordt bekeken. Allerlei misbruiken bij kerk en adel worden aangeklaagd.

    2) Epiek: dierenepiek:

a) Ontstaan: in de klassieke oudheid: Aesopos (Griekenland) Phaedrus (Romeinen):
    dierenfabels.Vandaar in onze streken: magister Nivardus.Schreef Isengrimus in het Latijn
    omstreeks 1150.
    Voorbeelden in het Middelnederlands:

= Esopet: dierenfabels (Calfstaf en Noydekin)
= Van den vos Reynaerde: dierenepos (Willem die Madoc maekte)

b) Van den vos Reynaerde: ca 1200 door Willem die Madoc maekte

Madoc is een verdwenen werk van Willem. Hij was een Oost-Vlaming. Het zwaartepunt van de literatuur lag toen inderdaad nog in Vlaanderen.

Kenmerken: satire op de maatschappij uit die tijd en meer in het bijzonder op adel , geestelijkheid en volk. Niet zozeer op de poorters: Willem was waarschijnlijk zelf een poorter.

=     adel: Nobel (leeuw) : hebzucht.
       Bruun (beer): roofridder: profiterende adel.
       Isengrim (wolf): roofridder.
       Courtoys (hondje): hoveling: aanval op de invloed v/h Frans op het Ndls 
       Tibeert (kater): intrigerende hoveling.

=    geestelijkheid: Belijn (ram): hofpredikant: dom en goedgelovig. Verder worden
      geestelijken afgeschilderd als smulpapen, profiteurs en wellustelingen.

=     volk: hoofdzakelijk dom: vb: de meute die Bruun afranselt.   Bronnen:     

* Isengrimus.
* Le plaid: uit Franse literatuur (=het rechtsgeding) maar de Dietse
   versie is veel oorspronkelijker. De Dietse versie is later herwerkt en
   door talloze schrijvers nagevolgd en bewerkt ( tot in de 20ste eeuw).

 

TEKSTEN:

Van den vos Reynaerde : Lemma 5 – pag 39-41 + volledige verhaal
Amsterdam University Press

 

IV. Lyriek: Het Middeleeuws Lied. Terug naar inhoudstafel

   1. Inleiding:

Men maakt een onderscheid tussen het volkslied: eerst mondeling overgeleverd, pas later opgetekend; en het cultuurlied: door een kunstenaar bewust geschreven. Zeer populair in de ME. Immers: voor de boekdrukkunst moest alles gememoriseerd worden. Vandaar het belang van rijm en melodie.

Onderscheid tussen wereldse en rel. liederen. Wereldse liederen zijn de oudste, maar ze werden vaak verboden door de kerk omwille van hun heidense thematiek..

  2. Wereldse liederen:

a) soorten: rondeel: l3 regels - 2 rijmklanken - 1 of 2 terugkerende regels. Vb: Egidius (Jan
    Moritoen).
    clausulen: strofische dichtvorm van 13 regels oa. gebruikt door Jacob van Maerlant.

b) vormen: minneliederen: invloed van de Provençaalse minnelyriek.
    elegie: klaaglied: vb: Egidius.
    ballade: episch-lyrisch; doorgaans tragisch, vb: Heer Halewijn - Van twee conincskinderen
    oudste vorm van het lied: met heidense elementen.
    romance: episch-lyrisch; doorgaans goede afloop en sentimenteler.
    verder nog: drinklied, danslied, (zeg kwezelke) historisch lied,
    slaaplied, wachterliederen ..

 

 3. Handschriften: Aangezien veel liederen eerst mondeling werden overgeleverd dateren de handschriften van
     veel later.

Het Gruuthuuse handschrift: genoemd naar een van de eerste bezitters ervan: bevat vrome en amoureuze liederen oa. van Jan Moritoen (late ME)

Het Antwerps Liedboec: en hier ( alle teksten)(1544) bevat veel hervormingsgezinde liederen. geuzenliederen 

 

DE REDERIJKERS.

I. Achtergronden.   Terug naar inhoudstafel

De renaissancistische invloeden vanuit Italië: meer vertrouwen in de mens, het individu (tegenover de gemeenschapskunst in de ME) Vandaar meer aards gericht ( vgl oa. de leergierigheid in Marieken van Niemeghen).

Invloed van het Bourgondisch hof te Brussel: eigenlijk begin van de Franse invloed in onze taal. Het Brabants voert nu de boventoon in de Nederlandse literatuur. Vanuit Brabant verspreidt zich dan ook de diftongering: van [u] naar [y] naar [oe.y] van [i] naar [ei]

De culturele hegemonie van Brabant heeft ook een economische oorzaak: de toenemende rol van A'pen oa. door de verzanding van het Zwin.

Liquidatie van het feodaal stelsel: kennismaking met andere landen en culturen ( oa. door de ontdekkingsreizen )Vandaar ook verbetering van de economische toestand. De adel verliest sterk aan invloed.

Uitvinding van de boekdrukkunst: ca 1450 door Gutenberg. ( Plantyn: A'pen) (Coster: Haarlem). Ideeën kunnen voortaan beter en sneller verspreid worden.

II. Ontstaan rederijkerskamers.

1. Ontstaan: Een gedeelte van de stedelijke burgerij verenigt zich om zich gezamenlijk te oefenen in
    het dichten, voordragen, toneelspelen.
    De term rederijker komt van het Frans "rhétoriqueur" en is door volksetymologie ontstaan.

2. Indeling:  

Er was een patroonheilige (+ een kenspreuk) een voorzitter (= prince) en een factor (= de eigenlijke leider van de werkzaamheden: dichter en regisseur)
Kenmerkend voor de rederijkerskamers waren verder "ommegangen" grote stoeten en "landjuwelen" : toneelwedstrijden. Van dat laatste zijn er 7 geweest met als laatste het   landjuweel van A'pen uit 1561

    In Gent waren bvb op het einde van de 15de eeuw 3 rederijkerkamers werkzaam:

  • De Fonteine
  • De Kamer van de H. Barbara
  • Marien Theeren: bestaat nog steeds.

3. Opvattingen en genres:
    Letterkunde is iets dat men kan aanleren: vandaar grote aandacht voor de techniek: schrijven 
    van handleidingen vol regels. Vandaar ook ontstaan van veel knutselvormen in de poëzie:
    soorten: 

        genrespoëzie:  

* refreinen: strofisch gedicht- laatste regel van elke strofe is telkens dezelfde: de "stok"
   genoemd. De laatste strofe begint vaak met "prince" ( opgedragen aan de prince=
   voorzitter en geldschieter van de rederijkerskamer.)

* rondelen: zie pag.

* ballades: zie pag.

       Indeling: poëzie in het vroede (= ernstige gedichten); boertige (= zotte) ; amoureuze.
       Auteur: Anthonis de Roovere ( gedicht in het sotte)

 

TEKSTEN:

Ballade van het concours te Blois: François Villon Lemma 5 – pag 77-78
Ballade des pendus

 

DE RENAISSANCE.

I. Achtergronden en begrip. Terug naar inhoudstafel   studiewijzer

1- Wedergeboorte van de Grieks-Latijnse cultuur in Europa.

Dit gebeurde in Italië reeds in de l4de eeuw (met Dante - Petrarca  -Boccaccio ( en hier ) De term Renaissance komt trouwens van het Italiaans: "rinascita - rinascimento" van Vasari; wat zoveel betekent als wedergeboorte. Vanuit Italië verspreidde de idee zich over Frankrijk, Engeland (15de eeuw) naar de Nederlanden (16de eeuw) en tenslotte Duitsland (17de eeuw). Overal ging men Oudgriekse en Latijnse helden- en Godenepen navolgen. Vandaar ook de verlatijnsing van veel namen (zie ook "Naamgeving")

2- Aardse gerichtheid.

Reeds ingezet bij de rederijkers. Alle bindingen met de middeleeuwse maatschappij worden langzamerhand doorbroken: het gildenwezen als organisatie van arbeid- de kerk als geestelijk centrum van de mij - de feodaliteit. Het gemeenschapsgevoel van de ME verzwakt aanzienlijk. De rechten van het individu kwamen op de voorgrond. (vgl ook : Machiavelli: Il Principe). Op kunstvlak komt dit tot uiting door het ondertekenen van literaire werken en schilderijen: men is trots op individuele prestaties. Men staat ook veel kritischer tegenover kerk en mij.

3- Het humanisme.

Humanisten waren geleerden en denkers die in het Latijn schreven invloed:- propageren van verdraagzaamheid op alle vlakken: politiek en religieus. Vergelijk dit bijvoorbeeld met de houding van de officiële instanties tegenover Giordano Bruno - Galileï en  het protestantisme.

- Door de studie van Griekse en Latijnse teksten verbreidden ze de
   ideeën van de antieke cultuur.
- Transplantatie van de kenmerken van de antieke cultuur in de
   volkstaal: vandaar verfijning ( oa. zuivering ) en verheerlijking van de
   volkstaal.

Frankrijk: Pleiade: Du Bellay ( en hier: poëzie van Du Bellay en nog poëzie)- Ronsard.

Nederlanden: Simon Stevin: taalpurist en Kiliaan: Dictionarium (1574): eersten wetenschappelijke beschrijving van de Nederlandse taal. Erasmus : ( en hier)Laus Stultitiae: Lof der Zotheid.

4- De Hervorming.

a-Oorzaken:

  • Verzet tegen ME ongenadige onderdrukking (Jan Hus)
  • Verzet tegen kerkelijke misbruiken: aflaten- simonie - corruptie- te grote rijkdom van de kerk bemoeienissen met politieke gebeurtenissen ( zie ook punt 2)
  • Aftakeling van het prestige van de kerk: vb: Op een bepaald moment waren er twee pausen: 1378-1417: Avignon en Rome.

b-Hervorming:

  • anabaptisten ( wederdopers): stonden een soort van communevorm voor: gezinsstructuur kwam op de helling: uiteraard fel vervolgd en onderdrukt door het gezag.
  • Lutheranen: tegen aflaten ; zie 1517: bul van Wittenberg.
  • Calvinisten: Calvijn vanuit Geneve: predestinatieleer.

Dit alles lokte een felle reactie van de gezagdragers uit: vervolgingen - brandstapel. Op literair vlak ontstond een polemische literatuur in verband hiermee: o.a.:

de geuzenliederen. ( zie ook : Geuzenliedboek) Belangrijke schrijver: Marnix van St.-Aldegonde: ( psalm 22) auteur van het Wilhelmus. In veel gevallen is de Hervorming ook de basis geweest van het ontstaan van een eenheidstaal. Vb: de Statenbijbel: 1645: vertaling in het Nederlands van de Bijbel (veel gelezen, vandaar veel invloed).

5- Grote ontdekkingsreizen.

Vasco Da Gama - Columbus - Magelhaes: ontdekking en exploitatie van Amerika. Ook: de "reconquista" in Spanje: Spanje herovert de gebiedsdelen die tot dan toe in Moorse handen waren gebleven. Via de Moren kwam men ook in contact met de oude Griekse cultuur.
De ontdekking van Amerika zal op allerlei gebieden schokkende gevolgen hebben: verbrokkeling van het feodaal stelsel ( zie ook punt 2) : stijgende economische welvaart.( zie ook punt 6)

6- Stijgende economische welvaart.

Oorzaken: Stijgende macht van de burgerij ( handelaars: als gevolg van oa. de ontdekkingsreizen.) Vandaar internationale handel: exploiteren van Zuid-Amerika en andere landen. Oprichten later van de Oost-Indische Compagnie.

7- Vooruitgang van het wetenschappelijk denken.

Hangt eveneens nauw samen met punt 2.
In de Renaissance ontstaat het wetenschappelijk denken ( ook als gevolg van de herontdekking van de Klassieke Oudheid)
Oa.Copernicus en Galileï ( astronomie) - Da Vinci ( laatste der "huomo universale" )- Vesalius (anatomie) - Simon Stevin ( wiskundige en taalpurist )- Dodoens ( plantkunde )- Mercator ( aardrijkskunde) Christiaan Huygens (optica).

8- Uitvinding van de boekdrukkunst.

Gutenberg- Plantyn. Dit had een grote invloed op de verspreiding van de nieuwe ideeën (humanisten) en op het ontstaan van een eenheidstaal (zie ook punt 4).

 

TEKSTEN:

Shakespeare: Sonnet CXXX: My mistress’ eyes

 

De gouden Eeuw

Terug naar inhoudstafel

    

A- Algemene Kenmerken:

* Ontspanning op militair en politiek vlak: Door het 12-jarig bestand (1609-1621) met
   Albrecht en Isabella krijgt het Noorden een adempauze. Daarna zal het nooit meer ernstig
   bedreigd worden. Vanaf 1648 wordt de republiek officieel erkend ( verdrag van Munster )

* Stijging van de welvaart: Door de koloniale handel en macht op zee. oa.: oprichten van de
   Oost-Indische Compagnie. Die welvaart komt vooral de burgerij ten goede die de heersende
   stand wordt. Gecentraliseerd in Holland. (vgl met het burgerlijk realisme in de Hollandse
   schilderkunst). De macht op zee komt vooral tot uiting door de oorlogen met Engeland en de
   figuren: De Ruyter en Tromp.

* Culturele en wetenschappelijke bloei: Door die stijgende welvaart en de vlucht uit het
   Zuiden.

Verder bloei van de rederijkerskamers: Egelantier - Het Wit Lavendel - De Nederduytsche Academie (1617).

    B. Voornaamste vertegenwoordigers

    C. Barok, maniërisme en marinisme: zie Lemma 5 pag 109

 

TEKSTEN

Hooft: sonnet: Geswinde Grijsart - Lemma 5 pag 99-100
Bredero: sonnet: Vroegh in den dageraedt - Lemma 5 pag 104
Vondel: Kinder-lijck - Lemma 5 pag 106
Huygens: sonnet: Op de dood van Sterre – Lemma 5 pag 110( klik op jaartal 1638 en ga naar gedicht 009

 

 

DE ROMANTIEK

 

A. Achtergronden en kenmerken  inhoudstafel    studiewijzer

1.Ontstaan: reactie tegen het verstarde classicisme  en de verlichtingsfilosofieën met hun rationalisme. De term komt van het Engelse " romance " ( = dichterlijke vertelling, roman) en " romantic " (= poëtisch, afwijkend van de realiteit)

2.Invloeden:

J.J.Rousseau:  aanprijzen van een terugkeer naar de natuur als remedie voor alle cultuurziektes.
Opkomst van de derde stand. (burgerstand): die droomde van vrijheid en ontvoogding. Vandaar aanvankelijk bewondering voor de vroege Franse republiek (égalité- fraternité- liberté) maar later diepe ontgoocheling met de dictatuur van het schrikbewind en Napoleon.
Dit leidt tot een soort dualisme bij romantici: enerzijds het willen verbeteren van de mij. anderzijds onvrede en het willen ontvluchten van diezelfde mij. Vgl in de muziek: Beethoven: de Eroïca = lofzang, tegenover later de Pastorale = liefde voor de natuur.

3. Kenmerken: algemeen: een gevoel van onvrede met zichzelf en de maatschappij waarin de romanticus leeft; termen: Weltschmerz - Sehnsucht - Spleen - Mal du siècle - Sturm und Drang

Hyperindividualisme: de eigen gedachten en gevoelens komen in de literaire werken aan de orde.

De kunstenaar wordt opstandig: gericht tegen: de onvrijheid van de bourgeoismaatschappij; tegen beschaving en cultuur; tegen de ideaalloze omgeving (de stad); tegen conventies: oa. ook op literair vlak: tegen de scheiding der genres.

Sterke nadruk op het gevoel: Dit zal evenwel bij sommigen(vooral in de vroege romantiek in de Nederlanden ) snel overslaan naar sentimentaliteit, pathos (luidruchtige hartstocht), bombast (valse hartstocht) en retoriek (hoogdravende taal).

escapisme: een evasie, ontvluchten van de werkelijkheid. Ontvluchten in:

(1) Het verleden: nl het grootse verleden van de natie (tegenover de maatschappij nu).(= historische romantiek) Vergelijk daarmee de opkomende nationalistische stromingen in Europa: eenmaking Duitsland en Italië; ontstaan België en Griekenland; opkomende Vlaamse Beweging .Dit is ook verbonden met het geloof van romantici in een "volksziel" ( Herder). Vandaar interesse voor de middeleeuwse tijd van de Reformatie - Gouden Eeuw - legenden - sprookjes. Aanleiding: de bundel oude Engelse en Schotse ballades: Reliques of Ancient English poetry (Percy) en de vervalste bundel Ossian Songs.

bij ons: terugkeer naar de heroïsche ME: Conscience: De leeuw van Vlaanderen.
Nederland: De Gouden Eeuw: Potgieter – Drost
Engeland: Middeleeuwen: Scott:  Ivanhoe .
Frankrijk: Alexandre Dumas: Les trois mousquetaires.

Ontstaan van de historische roman - belangstelling voor eigen jeugdjaren.

(2) Het exotische: vgl Rousseau: Le noble sauvage. Interesse voor primitieve en exotische volkeren en culturen: Indianen - Indië ( vgl later met de romans van Karl May)

(3) De natuur: zie ook Rousseau: de natuur was ongerept, onbedorven, puur: vinden van geluk en rust in de natuur. Vandaar oa. in Engeland: The Lake poets Wordsworth  en Coleridge. Frankrijk: Lamartine - Bij ons: Guido Gezelle. ook: klik hier

(4) De godsdienst: aandacht voor het bovenzinnelijke, het mysterieuze, het irrationele: hunkering naar de eeuwigheid; reiken naar het onbekende.oa. bij ons: Gezelle.

(5) De zuivere fantasie: scheppen van een totaal eigen wereld. Verzamelen van sagen - legenden- sprookjes - volksliedjes. + schrijven van nieuwe sprookjes.
Vandaar: sprookjes: Grimm- Hoffmann - volksliedjes: H. Van Peene en Karel Miry: De Vlaamse leeuw.
ontstaan griezelverhalen: " The Gothic novel"oa. Mary Shelley: Frankenstein- E.A.Poe. Voorlopers van de SF:Verne - Wells 
vgl 1928: crash Wallstreet - 1929: Ontstaan Amazing SF door Gernsbach: ook gevoel van onvrede en ontvluchten van de mij.

 

B. Indeling.

1.De pre-romantiek: Nog revolutionaire ideeën, overdreven gevoeligheid en nog pseudo-classicistische schrijfstijl. Belangstelling voor de roman in briefvorm. oa.: Chateaubriand- Schiller- Goethe - Richardson - Blake.

2.De romantiek in de Nederlanden

In het Zuiden wordt de complexe ervaringswereld van de romantiek slechts gedeeltelijk geassimileerd. De grondtoon van de romantiek is gematigdheid, vaak ook retorisch en bombastisch.
Het enige wat de romantiek kan redden is het Zuiden is het verzet tegen de Franse overheersing. Via de letterkunde zullen een aantal jongeren het volk proberen wakker te schudden.
Vandaar de toon van de romantiek: volksnationalistisch, ethisch verheffend, moraliserend en didactisch-belerend. Éen uitzondering: Gezelle, maar die stijgt dan ook boven zijn tijd uit.
In het Noorden is de situatie zo mogelijk nog dramatischer: de romantiek blijft burgerlijk, benepen met nog steeds classicistische en rationaliserende invloeden.
Éen uitzondering: Multatuli, maar ook die stijgt boven zijn tijd uit en kan niet louter als romantisch schrijver beschouwd worden.

C. Twee belangrijke figuren.

1. Multatuli: hier) Edward Douwes Dekker: (1820-1887)  inhoudstafel

    a- Leven en achtergronden:

Ging al van jongsaf aan naar het toenmalige Oost-Indië (Indonesië) waar hij al snel carrière maakte, mede door de relaties van zijn echtgenote Everdine van Wijnbergen.

In 1856 werd Multatuli (= Latijn: multa tuli: Ik heb veel verdragen) assistent-resident van de provincie Lebak op Java. (= soort assistent-gouverneur). Hij ondervond al vlug dat er heel wat misbruiken waren bij de inlandse hoofden. De inlandse regenten en de districtshoofden persten de boeren veel meer geld en vee af dan wettelijk toegelaten was. ( ook omdat hun loon veel te laag was) Toen bleek dat de resident daar weinig wou aan doen reageerde Multatuli zelf. Hij richtte zich rechtstreeks tot de gouverneur-generaal met het verzoek de regent te ontbieden en diens trawanten te arresteren. Dit verzoek werd evenwel niet ingewilligd en Multatuli kreeg zelfs een blaam. Verontwaardigd nam Multatuli ontslag.

Door middel van de " Max Havelaar " wou Multatuli de aandacht vestigen op de wantoestanden in Indonesië en tegelijkertijd eerherstel voor zichzelf opeisen. Er verandert echter niets aan de situatie voor Multatuli die als een verbitterd man door Europa begint te reizen, meestal in Duitsland verblijft en daar in 1887 ook overlijdt.

    b- De Max Havelaar:

* kaderroman: in feite bestaande uit drie delen

(1) de geschiedenis van Batavus Droogstoppel.
(2) de geschiedenis van M.Havelaar (verteld door Ernest Stern )
(3) de geschiedenis van Multatuli (door hemzelf: slot)

* constructie: verdere kenmerken

naast het verhalende gedeelte omvat het boek allerlei andere elementen: een autobiografie - een redevoering - gedichten - parabels - afschriften van brieven.
Het boek begint met een sketch: Barbertje moet hangen: wijst op een vooroordeel of een bij voorbaat onrechtvaardige stelling: Multatuli verdedigt hier zichzelf.

* personages:

  • Droogstoppel: bekrompen, fantasieloze, materialistisch ingestelde Hollandse burgerman - koffiehandelaar.
  • Sjaalman: verarmde, ontgoochelde ambtenaar (=Douwes Dekker)
  • Ernest Stern: zoon van een bevriend koffiemakelaar die vrijwillig in de koffiezaak werkt.
  • Slotering: (= Carolus) Dekkers voorganger als assistent-resident.
  • Slijmering: (= Brest van Kempen): de resident.
  • Raden Adipati: echte naam van de regent.
  • Tine: Everdine Van Wijnbergen

 

2.Guido Gezelle   ( en hier) (1830-1899) terug naar inhoudstafel 

a Leven en achtergronden.

° Brugge. Liep school aan het kleinseminarie te Roeselare (1846-49). Daar kwam hij in contact met Engelse internaatsleerlingen. Leerde daar ook Frans: voertaal aan het seminarie. Na veel innerlijke strijd besluit hij priester te worden. Hij studeert verder te Roeselare en Brugge (1849-1855)
Hij wordt leraar aan het kleinseminarie te Roeselare tot 1859 (= Roeselaarse jaren) Moeilijkheden i.v.m. zijn te persoonlijke opvoedingsmethodes leiden tot zijn verwijdering uit Roeselare. Hij gaat naar Brugge waar hij eerst leraar aan het Engels missieseminarie wordt en vanaf 1865 kapelaan van de St.-Walburgisparochie. (=Brugse jaren) Moeilijkheden van huishoudelijke en (klein)politieke aard verplichten hem naar Kortrijk te gaan waar hij zich opwerkt van kapelaan tot rector (1899) (=Kortrijkse jaren) In 1899 wordt hij nog rector van een Engels klooster te Brugge. In hetzelfde jaar overlijdt hij.

b Kenmerken:

* Origineel taalgebruik: hij gebruikt een levendige volkstaal met neologismen, archaïsmen, dialectwoorden, muzikaliteit in klank, beeld en ritme. Hij is onze eerste experimentele dichter. In dit verband kunnen we verwijzen naar zijn vriendschap met De Bo ( auteur van het West-Vlaams idioticon in 1873) en zijn medewerking aan het tijdschrift Loquela (dialecttijdschrift). Hij is de exponent van het West-Vlaams taalparticularisme.

* eenvoud: aandacht voor mensen en dingen uit zijn onmiddellijke omgeving ( schreef talloze gelegenheidsgedichtjes) en voor de geringste verschijnselen in de natuur ( vb: Avondmuggen - steenrat- blad- bij...) Hij was ook een romantisch dichter.

* zeer persoonlijke symboliek: oa.: nachtegaal- zon -wind -water. Symbolisch dichter.

* zijn vermogen tot herschepping: waardoor de realiteit boven haarzelf wordt opgetild en hertekend tot een nieuwe en grotere werkelijkheid. Dikwijls vinden we bovennatuurlijke en religieuze aspecten van de mens in zijn wereld die echt doorvoeld is. Hij is eveneens een impressionistisch dichter.

* thema's: het bovennatuurlijke ( soms was er bijna een mystieke drang in hem ) - de natuur - de dood - het land het volk - taal - kinderjaren - dichterlijk besef - weemoed.

 

TEKSTEN:

Wordsworth : Lucy poem
Byron : She walks in beauty – Lemma 5 pag 121
Multatuli: Max Havelaar: Slothoofdstuk: Lemma 5 pag 145-146
Guido Gezelle: De navond komt zo stil – Lemma 5 pag 150
Guido Gezelle: Bonte abelen – Lemma 5 pag 156

 

DE VERNIEUWING IN HET NOORDEN: DE BEWEGING VAN TACHTIG.

A. Achtergronden. Terug naar inhoudstafel

B. Kenmerken:

1.Algemeen: een reactie tegen de predikantenliteratuur van de 19de eeuw .

2.Specifiek:

    a- een vermenging van allerlei stromingen:

romantiek: bij Jacques Perk, Kloos,( en hier) Van Eeden.
realisme en naturalisme: bij Van Deyssel, Gorter, Emants, Couperus,
impressionisme: bij Van Deyssel, Verwey, Gorter, Couperus, Van Looy
symbolisme: bij Van Eeden, Verwey, Van Deyssel, Kloos
decadentisme: nauw verwant met naturalisme en symbolisme: pessimisme, onverschilligheid, schoonheidscultus, levensgenietingen, amoreel (interesse voor perverse aspecten), "wit" oa. bij Kloos, Couperus ( vgl in Engeland: Oscar Wilde  in Frankrijk Baudelaire ( en hier), Rimbaud, ( les fleurs du mal ) , Huysmans.)

    b- Ontstaan van twee tendensen: zullen uiteindelijk tot een breuk tussen de verschillende
         medewerkers leiden.

de esthetische richting: leider: Willem Kloos: ideeën verwoord in het Poëtisch Manifest van de beweging van 80. Verschenen als voorbericht in de uitgave door Kloos van de Mathildecyclus van Jacques Perk (voorloper): principes

  • Kunst om de kunst: kunst heeft niets te maken met moraal, traditie of conventie: elke dienstbaarheid wordt afgewezen.
  • Kunst is van weinigen voor weinigen
  • Kunst is passie.
  • Kunst is de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie.
  • Vorm en inhoud zijn één.

Vooral bij Kloos en Van Deyssel ( aanvankelijk ook bij Gorter- Van Eeden- Verwey. )
Die opvattingen klinken origineel maar zijn het eigenlijk niet. Het vnste principe "Kunst om de Kunst" is eigenlijk ontstaan in de Duitse romantiek ( Novalis, Hölderlin) en leidt in 1850 in Frankrijk tot een literaire stroming met oa– G. Flaubert en Baudelaire. De 80ers hebben het overgenomen van de Engelse romantici Shelley, Keats en Wordsworth. Verder ondergingen ze invloed van de Franse realisten en naturalisten (Flaubert- de Maupassant- Zola ) en van Multatuli: 

de ethische richting: geloof kunst = gemeenschapskunst.
Kunst moet in dienst staan van de gemeenschap: sociaal geëngageerde kunst ( waarbij evenwel het esthetische aspect nooit uit het oog verloren wordt.) Hier kan men nog een onderscheid maken tussen twee richtingen één meer filosofisch gericht: Verwey en Van Eeden; één meer politiek gericht: Gorter, H. Roland-Holst.

    c- Feitelijk ontstaan: oprichting van een literair genootschap: " Flanor " dat uitgroeide tot het
         tijdschrift: "De Nieuwe Gids". 1ste nummer: 1885. Bloeiperiode tot 1894. Is blijven bestaan
         tot 1943.

 

DE VERNIEUWING IN HET ZUIDEN: VAN NU EN STRAKS.

A. Achtergronden. terug naar inhoudstafel

    1. Niet-literaire achtergronden.

Het impressionisme  ( Monet) in de schilderkunst; Wagner op toneelgebied; De nieuwe architectuur: Art Nouveau   ( en hier) (Victor Horta ) Stakingen en anarchistische gewelddaden in binnen- en buitenland: het socialisme en het opkomende Marxisme.
Democratiseren van de Belgische grondwet na heel wat verwikkelingen: algemeen meervoudig kiesrecht in 1893.

    2. Literaire achtergronden

Brussel als centrum waar nieuwe stromingen uit het buitenland werden opgevangen: tijdschrift in 1881 te Brussel: La jeune Belgique: streefde naar vernieuwing in de Franstalige literatuur: invloed naturalisme - l'art pour l'art : met oa. Maeterlinck en Verhaeren. Kunstgroep: les vingts ( zoek naar 'Vingt, Les)

Invloed van de 80ers : Perk, Kloos, Van Deyssel : hun invloed was kleiner dan de Franse invloed. Men zag namelijk het failliet van het esthetisch individualisme in Nederland.

Invloed van oudere schrijvers door de Van Nu en Straksers opnieuw ontdekt: vooral Guido Gezelle ook: klik hier ( woordkunst) en Hugo Verriest, Rodenbach. (alle poëzie van Rodenbach)

B.Kenmerken.

    1. Algemeen:  

een krachtige behoefte aan gelijkwaardigheid met de Nederlandse letterkunde en met de vreemde letterkunde.

    2. Specifiek:

eveneens een vermenging van allerlei stromingen:

= naturalisme en realisme: Buysse, Streuvels
= impressionisme: Streuvels, Van De Woestijne,( poëzie) Teirlinck.
= symbolisme: Van de Woestijne
= decadentisme: Van de Woestijne.

een gemeenschappelijke opvatting over het leven komt tot uiting: men is voorstander van een synthetische levensvisie: de gehele mens, het gehele leven.
Een gemeenschappelijke opvatting over kunst: de kunst heeft geen doel op zichzelf: kunst om de kunst wordt verworpen.
Kunst is een vorm van leven, ze groeit uit de gemeenschap en staat ten dienste van de gemeenschap.
Het esthetische aspect wordt evenwel niet uit het oog verloren: de belangrijkste scheppende kunstenaars bij de Van Nu en Straksers waren individualisten, impressionisten, woordkunstenaars. De eigenlijke gemeenschapskunst komt bij hen niet echt van de grond ( wel bij de meer cerebraal gerichte Vermeylen).

    Het tijdschrift.

Van Nu en Straks: opgericht in 1893: 1ste reeks met Vermeylen ( leider), Van Langendonck, : Buysse, E. De Bom. Prachtige uitgave met om. buitentekstplaten door Van Gogh, ( en hier) Minne, Jugendstil ( zie Art nouveau) + medewerking van plastische kunstenaars en architecten: oa. Henry Van de Velde. Onderbreking tussen 1894-96.

Nieuwe reeks: 1896-1901: gewone uitgave: daarnaast nieuwe medewerkers: Streuvels, Hegenscheidt, Teirlinck, Van de Woestijne.

 

 

EXPRESSIONISME ( en  hier ) EN VITALISME

A. Achtergronden. Terug naar inhoudstafel

    Historische achtergronden en invloeden

De maatschappij van kort na de eeuwwisseling verkeert in een soort euforiestemming. Europa is het politieke centrum van de wereld, de sociale situatie van het proletariaat is beter dan enkele decennia daarvoor, de wetenschap creëert grote verwachtingen. Ook de kunst deelt in dat optimisme: het pessimistische naturalisme heeft uitgediend, decadentie en fin de siècle lijken achterhaald. Populair is impressionisme, een luchtig symbolisme en Jugendstil. Rond 1910 ontstaat in Italië bovendien het futurisme ( en hier) dat het moderne leven verheerlijkt.

Dit beate optimisme wordt brutaal verstoord door WO I. in 1914. Vier jaar later zullen vooral de jongeren de vroegere waarden verwerpen. Ze willen tabula rasa maken met de oude burgerlijke cultuur en gaan op zoek naar nieuwe waarden. Zo ontstaat het expressionisme en het vitalisme.

    Specifieke invloeden

Duitse expressionisten: oa. Georg Trakl - August Schramm.

Schilderkunst: expressionisme: Kandinsky ( en hier ), Klee,( en hier ): Edvard Munch ( en hier) hevige kleuren, felle contouren, deformeren van natuurvoorbeelden, geen harmonie van vorm lijn en kleur maar een directe uitbeelding van de emoties. Bij ons : De Latemse school (2): Servaes, Permeke, Gustaaf de Smet, F. Van den Berghe.

Dadaïsme: ( en hier) ultraradicale kunstvorm: opgericht door een aantal kunstenaars in Zürich in 1915: Tristan Tzara, Hugo Ball, Richard Hülsenbeck, Hans Arp: schrijvers, schilders , beeldhouwers. Zij waren zo ontgoocheld door WO.I dat ze wilden afrekenen met het verleden op een kwetsende manier. Vandaar ook later: nihilisme, futurisme, kubisme:( en hier) invloed op Mondriaan  (en hier), Theo van Doesburgh.

Vandaar ook verschillende houding bij sommige kunstenaars tijdens de oorlog ( humanitair expressionisme ) en na de oorlog: invloed Dada.

Innige band tussen literatuur en andere kunsten ( beeldhouwkunst - schilderkunst )

    B. Stilistische Kenmerken

  1. Nieuwe dynamische stijl die brak met alle conventies.
  2. Autonomie van het woord: vnl kernwoorden: wilden immers alleen het essentiële weergeven: vnl substantieven en werkwoorden.
  3. Associatief taalgebruik: tegenover het causale denken: zie verder bij Paul van Ostayen.
  4. Vrijere versvorm met een heftig en snel ritme en met een flitsende beeldentaal
  5. Typografische experimenten ( oa Van Ostayen en H. Van den Bergh )
  6. Thema's: grote stadsleven - moderne techniek - creatieve vitaliteit maar ook cultuurontbinding en nihilisme.

    C. Het Vitalisme.

Nederlandse versie van het expressionisme. Karakteristiek is de cultus van het leven.
Het lichaam is belangrijker dan de ziel, de ervaring belangrijker dan de beschouwing; de "vent" belangrijker dan "de vorm". De waarde van een kunstwerk zal worden bepaald door de mate waarin intens leven in intense poëzie is omgezet.

    D. Tijdschriften.

Vlaanderen: expressionisme: tijdschrift " Ruimte " 1920-21

Paul Van Ostayen (  en hier)- Gaston Burssens - Wies Moens -Marnix Gijsen.en
hier - Karel van den Oever.

Nederland: vitalisme: tijdschrift " Het Getij " 1916-1924
Herman van den Bergh - Hendrik Marsman ( en hier) en hier )- Slauerhoff - Edgar du Perron - Menno ter Braak. 

    E. Vertegenwoordigers.

Paul Van Ostayen. (1896 - 1928)

Leven en achtergronden.

° A'pen, stadsbediende. Flamingant. Werd in 1917 tot 3 maanden cel veroordeeld ( uitfluiten kardinaal Mercier). Week daarom na de
vijandelijkheden uit naar Berlijn. Daar kwam hij in contact met de Duitse expressionisten en het dadaïsme: Trakl, Hülsenbeck; Komt in
1923 naar België terug en krijgt amnestie. Krijgt longtuberculose en wordt verpleegd te Miavoye-Antheé waar hij in 1928 overlijdt.

Werk.

Is van enorm belang geweest voor de Zuid-Nederlandse literatuur; invloed die nog steeds voortduurt. Zijn werk kan onderverdeeld worden in 4 groepen.

a. Music-hall: (1916): nog unanimistisch: invloed van Jules Romains

b. Sienjaal: (1918): humanitair expressionisme: verlangen naar goedheid, broederschap.

c. Feesten van angst en pijn en Bezette Stad (1920-21)

Berlijnse tijd: typografische expressionisme: drukt teleurstelling en ontgoocheling uit op een "dadaïstische manier ":kleuren, verschillende lettertypes, citaten, diverse talen, slogans, advertenties, schlagers, affiches.

d. Nagelaten gedichten: (1928): 

organisch expressionisme: zoeken naar absolute lyriek: la poësie pure (Abbé 
Bremond ). Het gedicht is en legt niet uit.

Daarnaast schreef hij ook nog proza: grotesken - kritisch proza - satirisch proza: De bende van de stronk ( tegen de Belgische politiek ).

 

TEKSTEN

Paul van Ostayen: BOEM Paukeslag en Vers 6 – Lemma 5 pag 187 –188
Paul van Ostayen: Polonaise - Lemma 5 pag 190
Hendrik Marsman: Lex barbarorum en Vlam – Lemma 5 pag 194-195

 

 

DE LITERATUUR TUSSEN DE WERELDOORLOGEN.

A. Achtergronden. Terug naar inhoudstafel

De " Wallstreet crash " op 24 oktober 1929: ineenstorting van de beurs: gevolg: massale werkloosheid. Vanaf 1930 ook in West-Europa.
Dit zal indirect een oorzaak zijn van het opkomende fascisme in Duitsland - Italië - Spanje.
Het dreigende fascisme vanaf 1933 in Duitsland: de brand van de Reichstag.

Poëzie:

 

TEKSTEN:

Martinus Nijhoff: De wolken – Lemma 5 pag 199
Gerrit Achterberg: 3 gedichten op stencil
Jan Engelman: En rade - Lemma 5 pag 200

 

POËZIE NA WO II

A. De jaren 50 en beginjaren 60: de experimentelen. Terug naar inhoudstafel

    1. Inhoudelijk.

De jongere generatie na WO II wil breken met alle wetten van de traditionele kunst. In hun uitlatingen van teleurstelling en ontgoocheling grijpen ze terug naar de avant-gardestromingen uit de jaren 20: expressionisme , dadaïsme en surrealisme.( en hier)

Daarnaast wil men ook openstaan voor de snel veranderende wereld, waar wetenschap en techniek tot ongekende mogelijkheden leiden en die ook vol dreiging zit. De poëzie van na WO II wordt experimentele poëzie genoemd of de poëzie der avant-garde. Periode: jaren 50 en navolgers in de 60er jaren. Verenigd in verscheidene tijdschriften: oa. Podium (1944) met oa. Kouwenaar ( en hier), Hans Andreus (en hier en hier  )Remco Campert ( en hier en hier) (Noord-Nederland). De groep Cobra (1948) (= Beginletters van Kopenhagen Brussel en Amsterdam) met oa. beeldende kunstenaars: Karel Appel ( en hier) Alechinsky en de dichters Gerrit Kouwenaar, Jan Elburg, ( en hier) Lucebert.( en hier en hier en hier). Het tijdschrift Braak van Remco Campert; het tijdschrift Blurb van Simon Vinkenoog.

    2. Vormelijk.

  • Democratisering van de poëzie: alle woorden kunnen poëtisch zijn ( zie ook reeds bij Van Ostayen). Geen beperkingen meer ( zoals bij het symbolisme en reeds bij Achterberg ).

  • Verabsolutering van beeld: elk begrip (= gevoel of zintuiglijke sensatie ) kan metaforisch staan voor elk ander begrip. Dus: zeer zintuiglijk en veel gebruik maken van synesthesie. vb: kneedbaar smeltpunt - zoete cellulose (= hier beeld voor vrouw). Veel gebruik  van synesthesie. Als men nog verder gaat hoeft de metaforische verwijzing niet meer ( zoals bij de dadaïsten ) en krijgen we een
    autonoom beeld. Gevolg: vaak zeer duistere poëzie.

  • Verabsolutering van klank: het woord/beeld wordt gebruikt om zijn klankwaarde en niet om zijn intrinsieke betekenis. ( zie ook bij Van Ostayen - Jan Engelman). Een stap verder is de atomisering van de taal: louter klanken vb:  (Jan Hanlo en hier).

  • Doorbreken van de grammaticale structuur van de taal: geen persoonsvorm neologismen ; contaminatie ; geen voorzetsels - typografische experimenten.

B. De jaren zestig

Inhoudelijk

Stilaan verdwijnen de gevoelens van onlust en angst die typerend waren voor de 50er jaren. In de welvarende consumptiemij van de jaren 60 begint men meer rondom zich te kijken en te reageren tegen het onrecht in de wereld: Vietnam – inval in Praag. Aan de universiteiten wordt gecontesteerd ( mei 68). Een feministische golf breekt door ( de dolle mina’s). De flowerpowerbeweging ( make love not war) Hoogtepunt van de contestatie- en rockcultuur van de jaren 60 vormt het Woodstockfestival (augustus 1969) (450.000 deelnemers) Protestsongs zijn zeer populair. In het zog hiervan zullen ook dichters het publiek willen laten meeleven met de poëzie: vandaar: Undergroundpoëzie – happenings en poëzie die de maatschappijke onvrede reflecteert: de nieuwrealisten. (en hier )Zij zullen de alledaagse werkelijkheid portretteren en zo herkenbaar mogelijk wergeven.. Vandaar ook de techniek van de readymade ( en hier ) bij de beeldende kunstenaars.

In Noord-Nederland:

ts Barbarber. Auteurs: J. Bernlef ( ook hier en hier )- K Schippers  ( en hier) - C. Buddingh (en ook hier  en hier)- Armando( en hier) en ook de vroegere experimentelen Jan Hanlo en Remco Campert.

In Vlaanderen:

ts De Nieuwe Stijl. Auteurs: H. de Coninck ( en hier)- Patricia Lasoen.

C. De jaren zeventig

De jaren 70 luiden weer een nieuwe generatie in. De tijd van de studentenrevoltes en de zachte flowerpower is voorbij. Wat de nieuwe "lost generation" in een tijd van economische crisis res, zijn onzekerheid en scepticisme.

Vandaar terugkeer naar de eeuwige romantische thema’s om de pessimistische tijdsgeest te vertolken: de nieuwe romantiek ( vanaf 1975) Vertegenwoordigers oa: Luk Gruwez en Miriam van Hee in Vlaanderen Gerrit Komrij ( en hier), Weemoedt in Noord-Nederland.

 

TEKSTEN

Hans Lodeizen: (vooral hier)oneerlijk zeemansgraf:
Jotie T’Hooft: en wat dan? ( zie ook: klik hier)
Paul Snoeck ( en hier): Een zwemmer is een ruiter:
Herman de Coninck: Je truitjes:
Luuk Gruwez: Sourdine