LEESVAARDIGHEID

 

Terug naar inhoudstafel

DE ROMAN
 
Inleiding: tot de 18de eeuw
   pag  
Realisme en naturalisme
   pag  
Het interbellum
   pag  
De roman na WO II
   pag  
Het postmodernisme
   pag  
DRAMATIEK
 
Ontstaan: Het Griekse drama
   pag  
Het middeleeuwse drama
   pag  
De Renaissance
   pag  
De 18de en 19de eeuw
   pag  
De 20ste eeuw
   pag  
AANVULLENDE TEKSTEN
 
De naam van de roos
   pag  
De vijand: Jacques Hamelinck
   pag  
Oefeningen op literaire stromingen
   pag  
 

 

DE ROMAN

 

 

INLEIDING – TOT DE 18de EEUW     terug naar inhoudstafel

Begrip

Het woord ‘roman’ is van Franse oorsprong en betekende aanvankelijk (12de eeuw) een in de volkstaal gesteld schrift ( tegenover de in het Latijn gestelde ‘geleerde’ literatuur.) In de 13de eeuw werd de benaming gereserveerd voor avontuurlijke helden-, ridder- of liefdesgeschiedenissen in versvorm of proza ( zie ook syllabus 5D: de ridderroman)). het genre was zo succesrijk dat het bijna meteen de antiroman in het leven riep. Eerste uiting: Van den vos Reynaerde. Een antiroman zet zich af tegen de klassieke roman en is er vaak een parodie op. De ridderroman zelf bloeit nog ettelijke eeuwen in de zogenaamde Amadisromans: sentimentele en galante ridderverhalen in prozavorm.

De klassieke roman

Vanaf de 16 de eeuw afbraak van de Amadisromans met oa de picareske roman ( of schelmenroman) (Lazarillo de Tormes) (1554) en in de 17de eeuw: Don Quichotte. Die laatste roman geeft het ontstaan aan de niet-ridderlijke; burgerlijke roman. Vanaf de 18de eeuw ontwikkelt de roman een grote verscheidenheid aan vormen en stijlen.

Ondertussen bloeit ook de antiroman met oa: Tristram Shandy van Laurence Sterne (1759-1767)

 

REALISME EN NATURALISME (ca 1850-1920) terug naar inhoudstafel terug naar studiewijzer

Sociale en politieke achtergrond

De voortschrijdende industrialisering leidt tot een reusachtig industrieproletariaat, vrouwen- en kinderarbeid, hongerlonen, lange werkdagen, ondervoeding en analfabetisme. Pas op het eind van de 19 de eeuw krijgen we het ontstaan van arbeidersbewegingen ; het enkelvoudig algemeen stemrecht komt er pas in 1919.

Filosofische en wetenschappelijke achtergrond

Het positivisme van Auguste Comte: een op de empirische werkelijkheid gerichte, direct-praktische filosofie. Het niet-waarneembare bestaat niet. De mens is een fysiologisch, geen metafysisch wezen .

De evolutieleer van Charles Darwin: On the Origin of Species (1859): begrippen als determinisme, evolutionisme, erfelijkheid en recht van de sterkste worden gemeengoed.

Als gevolg hiervan grote vooruitgang van wetenschap en techniek. Ook menswetenschappen zoals sociologie en psychologie: opkomst van het behaviorisme: menselijk handelen gezien als een geheel van fysiologische reflexen die noodzakelijk voortvloeien uit bepaalde omstandigheden: (mechanisch determinisme) Het wezen zelf van mensen wordt bepaald door drie fundamentele dingen: erfelijkheid – milieu – moment (Hyppolyte Taine)

Het realisme en naturalisme 

Vanaf 1830 breekt het realisme door in Frankrijk ( H. de Balzac Stendhal G. Flaubert  – G. de Maupassant) Zola en (Zola ook hier) introduceert het naturalisme. In Frankrijk zelf is er nauwelijks verschil tussen beide stromingen.

Het realisme in Nederland is anders van aard. De grote woelingen van de revolutie zijn in het rustige Nederland eigenlijk onopgemerkt voorbijgegaan zodat er van het realisme eigenlijk alleen een romantisch-sentimenteel zoetwaterrealisme overblijft. ( Camera Obscura van Nicolaas Beets) . Het harde realisme van Frankrijk wordt hier verzacht door humor en sentimentaliteit.

Het realisme in Vlaanderen is enigszins anders. Alhoewel ook de landelijke romans van Conscience ( Boer Ganzendonck – De loteling ) sentimenteel van aard zijn is het Vlaams realisme minder benepen-burgerlijk.

Zowel in Nederland als Vlaanderen heeft men aanvankelijk een afschuw van het Franse realisme-naturalisme. De beschrijving van de realiteit dient niet om een aanklacht te formuleren maar is louter pittoreske beschrijving. Pas op het einde van de 19de eeuw verschijnen echte naturalistische romans in Noord en Zuid: Een Liefde van Lodewijk van Deyssel (1887) en Het recht van de sterkste van Cyriel Buysse (1893) ( en hier)

 

 

TEKSTEN

Flaubert: Salammbô – Lemma 6 pag 29 – 31
Zola: l’Asommoir – Lemma 6 pag 32 – 35
Buysse: Het recht van de sterkste – Lemma 6 pag 41 - 44

 

HET INTERBELLUM terug naar inhoudstafel terug naar studiewijzer

Achtergronden

  • De "Wallstreet crash" op 24 oktober 1929: ineenstorting van de beurs: gevolg: massale werkloosheid. Vanaf 1930 ook in Europa. Dit zal indirect een oorzaak zijn van het opkomende fascisme in Duitsland – Italië – Spanje. Vanaf 1933 wordt de dreiging reëel: de brand van de Reichstag.

  • De versnelde industrialisering van West-Europa.

  • De invloed van revolutionaire psychologische en filosofische denkbeelden: Freud ( en hier vooral )en Bergson.

Tendenzen

De nieuwe zakelijkheid

De term ‘nieuwe zakelijkheid   ( en hier) werd in 1923 voor het eerst gebruikt in verband met de schilderkunst. Het is gericht tegen de emotionaliteit en kleurenroes van het impressionisme ( in literatuur tegen de overdaad van adjectieven) maar ook tegen de ongebreidelde levensdrift van het expressioniusme en vitalisme. De nieuwe zakelijkheid stelt daar een klare, koel-objectieve weergave ( filmische reportagestijl) van de moderne samenleving tegenover. Invloed van de nieuwe zaklelijkheid vindt men in de Nederlanden terug bij de auteurs rond het tijdschrift Forum (1932-35): het eerste tijdschrift dat Noord en Zuid verenigde: Edgar du Perron - Menno ter BraakM.Gijsen , Martinus Nijhoff (zie 5D), F. Bordewijk en W. Elsschot. (voor Elsschot klik ook hier  en hier)

Introspectie en bezinning: de psychologische roman

Heel wat schrijvers houden de blik binnenwaarts gericht: op het inwendige van de personages.
Hier is vooral de invloed van Freud en Bergson aanwijsbaar. Hun ivloed zal na WO II nog toenemen.
Sigmund Freud ( en hier voor droominterpretatie) (1856-1939): zie aanvullende tekst: De vijand ( Jacques Hamelinck)

Henri Bergson (1859 – 1941)               

Bergson is de belangrijkste van de ‘levensfilosfen' Die zien het leven als een bewegend iets. Ze geloven niet in het starre determinisme van de naturalisten. Blijvende invloed oefent hij uit met zijn theorie van:

  • Élan vital: universum en leven evolueren niet mechanisch maar op creatieve wijze, via een "élan vital".

  • Intuïtie: leven en werkelijkheid zijn niet te vatten met het verstand.

  • Zuivere duur: "tijd" is niet homogeen. Elk moment is iets nieuws, niet herhaalbaar.

  • Continuïteit van het geestelijk leven: iets als een "spontaan geheugen", dat het hele verleden voortdurend ‘tegenwoordig’ houdt.

Neoromantiek en vitalisme

Neoromantiek moet gezien worden als een reactie tegen de zintuiglijkheid van het impressionisme en de exclusieve aandacht van het naturalisme voor de harde, eigentijdse realiteit. Ook de rationalistische analyse van mens en milieu wordt verworpen.

Vertegenwoordigers zijn oa: Arthur van Schendel, F. de Pillecijn ( historische romans) en de dichters Jacques Bloem. en A. Roland Holst. Ook het regionalisme van Claes en Timmermans kan tot deze stroming gerekend worden.

 

Vitalisme bloeide vooral na WO I. ( Vergelijk ook met het vitalisme van- Hendrik Marsman zie syllabus 5D)

Ligt in het verlengde van bepaalde opvattingen van Bergson en F. Nietzsche.

Enkele vertegenwoordigers: D.H.Lawrence (Women in Love – 1920 – Lady Chatterley’s Lover – 1928) J. Giono (Colline – 1929) E. Hemingway en hier (The old man and the sea 1952) J Steinbeck en hier( Of mice and men 1937). Bij ons: Timmermans’ Pallieter – Walschap en na WO II: P. Van AkenJ.Geeraerts.( voor Geeraerts zie ook: klik hier en hier )

 

 


TEKSTEN: 
Lijmen: W Elsschot - Lemma 6 pag 61- 66
T.S.Eliot: Burnt Norton Lemma 6 pag 74

 

  DE LITERATUUR NA WO II ( jaren 40 en 50) terug naar inhoudstafel    terug naar studiewijzer

Achtergronden

  • WOII: ontgoocheling, ontreddering: men gelooft niet meer in idealen. ( In tegenstelling met reactie na WO I) WO II wordt immers onmiddellijk gevolgd door de "koude oorlog" en een aantal beperkte conflicten zoals Korea- Vietnam…

  • Invloed van het Franse existentialisme: Sartre Camus De Beauvoir: existentialistische motieven zoals: nihilisme – angst – verveling – vereenzaming – het lichamelijke.

  • Invloed van de psychoanalyse van Freud: Invloed van het onderbewuste.

  • De "beat" generatie in de VS: reactie tegen het verstarde conservatisme van de voorgaande generaties: doorbreken van een aantal taboes; oa op seksueel vlak.

Kenmerken

1. De vervreemding.

Het eigen innerlijk, de samenleving, de natuur en het hele wereldbestel worden als vreemd aangevoeld, als niet meer duidelijk te herkennen, noch te vertrouwen factoren. De werkelijkheid wordt als chaotisch ervaren. Vandaar het grote succes van de persoonsroman en de ik-roman: de schrijver wil en kan de werkelijkheid slechts voorstellen als gezien door een der personages. Men is voortdurend op zoek naar het eigen ik.

2. De inwendige monoloog.

Methode toegepast bij het psychologiserend vertellen, dat steunt op de bewustzijnsstroom (=stream of consciousness) het geordende verslag van de gedachten wordt vervangen door de directe weergave van de stroom van gedachten (zie ook nouveau roman ), gevoelens, herinneringen, associaties en allerlei uit het onbewuste opkomende beelden, vaak chaotisch en fragmentarisch ( bij Proust en Joyce

3. De "nouveau roman ".

De personages van de nouveau roman zijn wezens die bezig zijn te leven, te denken, te handelen, zonder dat de lezer meer van hen weet dan juist wat zij op dat moment zelf onthullen. Vandaar, op taalgebied: zoeken naar het juistere woord, een opsomming van synoniemen, een voortdurend zelfverbeteren van de schrijver. Inhoudelijk: mensen beschrijven die zichzelf niet kennen, maar voorzichtig op zoek zijn In hun eigen bewustzijn naar hun eigen wezenlijkheid. Tijd en ruimte worden brokstukken: vb: werken met flash-backs. Één moment kan een ganse roman worden.

Gevolgen:

Sombere, psychologische , realistische romans: oa.: Anna Blaman en ook hier(eenzaam avontuur) - Van het Reve en ook hier en hier ( De avonden)  - W.F.Hermans en ook hier  ( De donkere kamer van Damocles)- Claus en ook hier en hier en hier en hier en hier (De Metsiers) ( boekbespreking Claus: De geruchten- L.P.Boon en ook hier en hier  ( De kapellekensbaan)- Harry Mulisch en ook hier ( Archibald Strohalm) - Ivo Michiels (Het Afscheid) - Ward Ruyslinck en ook hier en hier (De ontaarde slapers)  Jos Vandeloo (de muur) - Jan Wolkers en ook hier (Kort Amerikaans) - J.Geeraerts.( met korte beschrijving van al zijn werken ).

4. Het magisch-realisme.

De psychologische roman verlegt zijn aandacht naar de parapsychologie en de psychoanalyse en neemt vaak het karakter aan van de surrealistische roman.Dit is het geval bij de kunst die achter de realiteit een als magisch ervaren tweede werkelijkheid tracht te scheppen en sterk uit de droomwereld put: het magisch-realisme.

Vnste vertegenwoordigers: Johan Daisne - Hubert Lampo . Ook bij : Jos Vandeloo - ( en hier ) Jaques Hamelinck - Hugo Raes.en hier

5. De therapeutische roman.

Wanneer de schrijver een roman schrijft om bepaalde gevoelens, impulsen te sublimeren, spreekt men van therapeutisch schrijven.Sublimeren= op een hoger niveau brengen. Dergelijke romans geven ons dus een inzicht in de geestelijke staat waarin iemand zich op dat moment bevindt.

De therapie bestaat erin, door het schrijven van een roman, inzicht te krijgen in persoonlijke problematiek en daar te leren mee leven.Oa. bij Marnix Gijsen en ook hier en hier- Claus - Geeraerts. Die therapie slaagt evenwel niet steeds.

6. Voortzetting van de traditionele roman.

Traditionele stijl: psychologische - sociale - ideologische - historische romans: oa. Jan de Hartog - Marnix Gijsen - Piet van Aken - Hella S. Haasse. ( ook hier en hier )

 

 

TEKSTEN

W.F.Hermans: De donkere kamer van Damokles – Lemma 6 pag 95–97
Hugo Claus: De verwondering – Lemma 6 pag 111-114
J. Geeraerts: Ik ben maar een neger – Lemma 6 pag 121-123

 

HET POSTMODERNISME: proza in de jaren 70 en 80 inhoudstafel studiewijzer

A. Algemeen

Het postmodernisme (= na de experimentelen) verwerpt de mimetische kwaliteiten van de tekst. Het beroept zich op de kracht van de verbeelding en gelooft dat die rijker en interessanter is wanneer de schrijver zich niet beperkt tot de imitatie van de wereld. Het boek is niet langer een getrouwe afspiegeling van de wereld maar iets dat aan de realiteit wordt toegevoegd. De literatuur richt zich meer op zichzelf en de literaire procédés krijgen meer nadruk. ( Johan Thielemans 1983 )

Centraal staat het besef dat men geen algemeen geldende uitspraken over de werkelijkheid kan doen. ( zie ook periode na WO II ). Typische kenmerken:

  • geen echte scheidslijn meer tussen fictie en non-fiction.
  • de versplintering van het "ik".
  • de fragmentarisering van de romanvorm.
  • het perverteren van alle maatschappelijke ideologieën.
  • de ironische infusie van kitsch in de "serieuze literatuur"
  • Het relativerend inpassen van de eigen tekst in een tekstweefsel door intertekstualiteit (zie ook Umberto Eco ) en hier Eco over taal: hier

B. Specifiek

1. docuroman en autobiografie

Genre-overschrijdende mengeling van roman, document, reportage essay en autobiografie. Evolutie binnen deze groep van meer geëngageerde maatschappij-kritische roman ( einde jaren 60) naar relativerende, berustende, narcistische roman ( jaren 70).

vertegenwoordigers

enkele bekende oudere auteurs:

  • Boon: Pieter Daens, Het Geuzenboek
  • Hugo Raes: Reizigers in de anti-tijd
  • J.Geeraerts: Gangreen-romans, dood in Bourgondië
  • Claus: Het jaar van de kreeft - Het verdriet van België.

Jongere schrijvers:

2. taalkritiek en taalcreatie:

Dit soort literatuur streeft naar een autonoom "opus", dat geen feiten meer gebruikt maar ze zelf schept. De schrijvers gaan ervan uit dat ons taalgebruik vervuild, geperverteerd, gemanipuleerd is. Vgl vervuiling op alle terreinen. Ook in de schilderkunst, beeldhouwkunst en muziek maakt men zich die bedenking. De taalkritische auteurs werken met onzuivere tekstelementen, ook met triviale wegwerpteksten, die ze monteren tot collageboeken, waarin de taalmanipulaties a.h.w. voor de ogen van de lezer worden uitgevoerd.

Vertegenwoordigers

  • Ivo Michiels (°1923) : Alfa - cyclus
  • Daniël Robberechts (1937-1992): oa Aankomen in Avignon (1970)- Praag schrijven.(1975) 
  • Willy Roggeman (°1934):Opus finitum.
  • Claude Van Den Berge (° 1945)
  • In Nederland: Bert Schierbeek(°1918) Sybren Polet (°1924) Jacq Firmin Vogelaar(°1944): bespreking essays van Vogelaar

 

 

TEKSTEN

Harry Mulisch: De aanslag – Lemma 6 pag 125-127
Monika van Paemel: De vermaledijde vaders – Lemma 6 pag 140-143
Patrick Süskind ( over het boek: Het parfum) en hier- Lemma 6 pag 154 - 156
Umberto Eco: De naam van de roos -Gedifferentieerd Nederlands pag 14-20

 

 

DRAMATIEK

 

Ontstaan: het Griekse drama  inhoudstafel   

De oorsprong van toneel ligt in de cultus van Dionysos, god van de vruchtbaarheid en de wijn.

Een koor danste en zong lofliederen onder muzikale begeleiding. In tekstueel opzicht ligt de kiem van de tragedie ( en hier) in de dithyrambe: een strofische beurtzang in de vorm van vraag en antwoord ter ere van Dionysios. Al vlug werd de inhoud uitgebreid met verhalen over goden en halfgoden, en over de legendarische voorouders van de Grieken.

Evolutie:De koorzang werd ook dramatisch uitgebeeld vanaf het ogenblik dat een speler (protagonist) zich van het koor afscheidde. Die belangrijke stap wordt toegeschreven aan Thespis, (534). Ook de komedie is ontstaan uit de feesten ter ere van Dionysios.

Aischylos (en hier)(ca 525-456) voerde een tweede speler in. (antagonist). Sophocles ( en hier) (496-406) voerde een derde speler in (tritagonist), nagevolgd door Euripides ( en hier) (480-406). Op die manier verminderde het belang van het koor en kwamen de spelers op de voorgrond. Uiteindelijk komen daar nog bij: de bode: om afstanden in tijd en plaats te overbruggen – de deus ex machina: een plotseling te voorschijn komende figuur die een vastgelopen situatie oplost.

De thematiek centraliseerde zich rond de noodlotsidee. De hoogmoed of overmoed (hybris) van de mens leidde tot zijn ineenstorting (katastrofe), en tot zuiverend inzicht (katharsis) bij de toeschouwers.

Aischylos schreef nog vanuit een diep traditioneel geloof: het noodlot dat de mensen treft – spanningen tss goden en mensen. Bij Sophocles wijkt de religieus-ethische problematiek voor de karaktertekening. De ironie van het noodlot – de mens die zich ertegen verzet.

Bij Euripides tenslotte verdwijnt de bovennatuurlijke dimensie bijna helemaal: het noodlot situeert zich niet in de spanning tss goden en mensen , maar in de menselijke psyche.

Plot: de samenstelling van het handelingsverloop: typisch voor het klassieke drama is ‘ de eenheid van handeling’: de handeling is enkelvoudig en verloopt chronologisch.

De opvoering

De oudste toneelopvoeringen vonden plaats op akkers. Later koos men voor een vaste opvoeringsplaats. Rond een cirkelvormig speelvlak (orchestra) waren in een tweederde-cirkel zitplaatsen opgesteld voor het publiek. Aan de andere kant van het speelvlak werd een eenvoudig toneelgebouw (skènè) opgetyrokken. Dat stelde meestal een paleis voor met drie poorten: in het midden de paleispoort, rechts de poort naar de stad of de haven, links de poort naar het land.

Er waren drie mannelijke acteurs, die ook de vrouwenrollen speelden. Vandaar het gebruik van maskers ( ook om het geluid te versterken en om de typische gelaatsuitdrukking van god of godin te kunnen weergeven)

 

Het middeleeuwse drama inhoudstafel    studiewijzer

Ontstaan:

Weliswaar hebben rondtrekkende groepjes artiesten reeds in de vroege Middeleeuwen aan hoven en kermissen stukken opgevoerd, toch is het door de kerk ( die het belang ervan al vlug inzag) dat zich vanaf de 10de eeuw allerlei vormen van kerkelijk toneel ontwikkelen die eerder dan de wereldlijke stukken zullen opgetekend worden.

Stukken worden aanvankelijk opgevoerd op een kar met een platform en religieuze stukken aanvankelijk in de kerk – later op het kerkplein. Theaters werden pas veel later gebouwd.

Het eerste theater ( in hout) was "The Theatre" in London in 1576.  Zie ook Lemma 6 pag 266: Een toneelhuis voor Amsterdam.

Indeling

A - Wereldlijk toneel:

Het wereldlijk toneel omvat de oudste stukken van West-Europa. Bron: Het Hulthemse handschrift    (en hier) ca 1410

Indeling:

  • abele spelen ( abel= verheven, Vgl Engels: able )
    Het zijn gedramatiseerde motieven uit hoofse ridderromans:
    Esmoreit, Gloriant, Lanseloet van Denemarken. Van den winter ende van den zomer.
  • Kluchten: clute of sotternie ( bij rederijkers later esbattementen genoemd )Na de opvoering van een ernstig stuk voerde men meestal zo'n klucht op: een boertig geval uit het volksleven.
    vb: De Buskenblazer, Nu Noch, Die Hexe.

B - Godsdienstig toneel:

Van het godsdienstig toneel is slechts zeer weinig bewaard en niets van voor de 15de eeuw.

Indeling:

  1. mysteriespelen: bijbelse thema's en geloofswaarheden.
    vb: de bliscappen van Maria: bij de rederijkers geëvolueerd tot de "spelen van sinne". Vb: Elckerlyc ( Engelse versie: Everyman).
    Zie voor Elckerlyc ook Lemma 6 pag 243: het doodsmotief in de late Middeleeuwen.
  2. mirakelspelen: vb: Marieken van Niemeghen: ( = tekst stuk). Dit stuk vertoont reeds de overgang ME rederijkers:
  • Middeleeuwen: het vrome; het didactisch-moraliserende; de Mariacultus.
  • Rederijkers: gebruiken van Franse woorden.

leergierigheid:het leren dichten
Zie voor Marieken van Niemeghen ook Lemma 6: pag 235: het Faustmotief.

  1. Wagenspelen: soort processiespelen: Masscheroen in Marieken van Niemeghen.

 

TEKSTEN: 

Mariken van Nieumeghe – Lemma 6 pag 234-239
Elckerlyc – Lemma 6 pag 240 - 242

 

 

Het drama in de Renaissance inhoudstafel     studiewijzer

Toneel in de Renaissance: algemeen

  1. De commedia dell’arte 

Het hoogtepunt van de commedia dell’arte ligt in het Italië van de 16de eeuw. De komedie had niet de bedoeling een maatschappelijke satire te brengen of een stichtelijke gedachte voor te houden. De tekst lag niet vast (vandaar: veel improvisatie) Raakte in verval in de 18de eeuw.

Het scenario was half stereotiep, half geïmproviseerd. Het plot kwam er meestal op neer dat het pad van twee jonge geliefden ( de ‘inamorati’) wordt doorkruist door talrijke obstakels: bemoeiingen van de ouden (vecchi) en stommiteiten van knechten, (zanni). Na een aantal verwikkelingen komt alles terecht.

De ‘maskers’: een aantal stereotiepe personages

  • Gli inamorati ( de geliefden) : zijn de spil van het gebeuren en spelen ongemaskerd.

  • I vecchi: (de oude mannen) fungeren doorgaans als obstakel voor de verhouding van het jonge paar. Bekend zijn Pantalone ( bemoeizieke vader, voogd of echtgenoot van de ‘innorata’) en Il Dottore: oude woordenkramer. Kleding ligt vast.

  • Il capitano: snoevende kapitein, meestal van Spaanse afkomst.

  • Gli zanni ( knechten) ziel van de komedie: hun bemoeienissen en komische intermezzi zijn het die het stuk echt tot leven brengen. De belangrijkste onder hen is Arlecchino.

  1. Het klassieke toneel (Frankrijk)
  • Navolging van Seneca: 3 eenheden ( tijd plaats en handeling.) 5 bedrijven: expositie- intrige- climax- peripetie- catastrofe. Gebruik van koren of reien - deus ex machina - geen vermenging van ernst en lach. Het klassiek toneel heeft bij ons nooit echt gebloeid. Wel in Frankrijk: Corneille en Racine.( en hier )  Het stond te ver af van het publiek en was te beperkt in zijn mogelijkheden.
  • Ook het komische toneel moest zich aan de wet van de drie eenheden houden, maar verder reikte de verplichting niet. Vb in Frankrijk: Moliëre.
    Vb bij ons van klassiek toneel: Vondel - Hooft: Geeraerdt van Velsen.
  • Tegenover het klassieke toneel staat het volkstoneel: veel spontaner; soms ook vulgair. Bekommerde zich niet om de klassieke wetten. Het was ook veel populairder in de Nederlanden.
    Vb bij ons: 
    • Hooft: Warenar ( naar Plautus' Aulularia ) 
    • Bredero : De Spaansche Brabander
    • Huygens: Trijntje Cornelis.

 

 

TEKSTEN: 

Shakespeare: Hamlet – Lemma 6 pag 268-271
PC Hooft: Warenar – Lemma 6 pag 256-259

 

 

  1. Het Spaanse drama

Na de reconquista van Spanje op de Moren zal ook hier de renaissance bloeien. Maar in tegenstelling met vb Italië zal de breuk met de ME veel kleiner zijn. De binding met het geloof en de kerk blijft veel sterker. ( Vgl hierbij de houding van Spanje in de Nederlanden tov de Hervorming)

In dit klimaat bloeit in Spanje de barok: gezochte beeldspraak – woordspelingen- retorische taal en in de enscenering: monumentale, perspectivistische decors, verborgen belichting…

Enkele belangrijke figuren: Lope de Vega ( en hier) ( 1562 – 1635 ): overheersende thema’s: geloof, eer, liefde vol nationale trots.

Calderon de la Barca (1600-1681) overwegen van allegorie en symboliek: de mens tegenover God en ‘el honor’

 

  1. Het drama in Engeland

Toneel was ten tijde van koningin Elisabeth I zeer populair. Het behoort dan ook eerder tot het volkstoneel dan tot het klassiek toneel. Rondreizende toneelspelers verenigden zich in groepen die zich omwille van de veiligheid ( puriteinen) onder de bescherming plaatsten van een adellijke beschermheer. Shakespeares(= uitsluitend HAMLET) ( algemeen: klik ook hier ) groep werd vb in 1594 ‘Lord Chamberlain’s Men’ en in 1603 ‘ The King’s Men’. Vanaf 1600 vestigden zich de belangrijkste groepen in vaste theaters waarvan het belangrijkste werd ‘The Globe Theatre’ van Shakespeare’s groep.

Ook hier stonden geen vrouwen op het toneel. De eerste vrouwelijke Desdemona stond pas in 1660 op de op de planken

 

Het drama in de 18de en 19de eeuw terug naar inhoudstafel   studiewijzer

1.Het burgerlijk drama

2. Het naturalistisch drama

Daar kwam verandering in halverwege de 19de eeuw, wanneer de ogen van de dramaturgen opengingen voor de schijnheiligheid van de burgerij en de ellende van de gewone mensen. Realisme en naturalisme deden hun intrede.

In Noorwegen wilde Ibsen ( en hier) breken met de conventionele beperkte en huichelachtige toneeltjes. Hij wou naar de diepte van het leven peilen en dit tonen via een goed geconstrueerd stuk. Ibsen zette zodoende een eerste stap naar het modern theater met zijn anti-illusionisme.

Belangrijke werken van Ibsen zijn: Spoken en Een poppenhuis. (Nora)

In Engeland horen O. Wilde  en G.B.Shaw bij de realisten. In Rusland zijn er Poesjkin, Gogol, Toergenjev, Tolstoi  Gorki. Tsjechow  ( De kersentuin, Oom Wanja, De drie zusters) had vooral belangstelling voor het burgerlijk Russisch milieu van de eeuwwisseling. In zijn psychologisch-realistische stukken probeerde hij de levenshouding weer te geven van de nutteloze, overtollige mens in en gestagneerde maatschappij waar nooit iets werkelijk schokkends gebeurde. Na 1870 groeide vanuit Frankrijk het naturalisme uit het realisme.

De thematiek van de naturalisten leunde bij voorkeur aan bij de sociale omstandigheden van de armste bevolkingslagen. het toneel vertolkte de socialistische en democratische stromingen in de maatschappij.

In Vlaanderen past C. Buysse in deze richting, zij het dat zijn voorstelling nog sterk beïnvloed werd door de sentimentele benaderingswijze van de romantiek en door het gebrek aan toneeltraditie bij ons. Buysse bracht het miserabel Vlaanderen van die tijd op de planken, bv in Het gezin van Paemel. In Noord-Nederland verenigde Herman Heyermans op een artistieke wijze een strijdbaar socialisme met een authentieke menselijke werkelijkheid. Enkele van zijn werken zijn: Op Hoop van Zegen, Ghetto, De opgaande zon. Andere belangrijke figuren uit het naturalisme zijn Zola en ook hier , A. Strindberg ( al vermengd met psychologisch drama ) en G. Hauptmann ( De wevers ).

Het " Théatre Libre " (1887) in Parijs en de " Freie Bühne " (1889) in Berlijn waren belangrijke naturalistische manifestaties voor heel Europa.

 

 

TEKSTEN

Ibsen: Spoken – Lemma 6 pag 275-278
Cyriel Buysse: Het gezin van Paemel - Lemma 6 pag 282-286

 

De twintigste eeuW          inhoudstafel    studiewijzer

1. Het episch toneel

Na WO I heerste er in West-Europa sociale, morele en economische ontreddering, wat zijn weerslag had op de kunst. Vele kunstvormen kregen een agressief karakter, waarbij zowel esthetische als morele regels overboord gegooid werden.

Het expressionistisch toneel was het eerste belangrijke verschijnsel uit het avant-gardetheater. Het reageerde bewust tegen naturalisme en impressionisme. Het wilde een sterk subjectief levensgevoel op pathetische wijze voorstellen. Voor dat levensgevoel heeft WO I zeker een grote rol gespeeld: het antimilitarisme wekte gevoelens van broederlijkheid, het communisme kweekte progressief-humanitaire idealen.

Ook in de taal zocht het expressionisme vernieuwing. het sloot daarvoor nauw aan bij de vernieuwing in de poëzie. Het avant-gardetoneel streefde bovendien in hoge mate naar een geïntegreerd kunstwerk, waarin film, radio, T.V., op band opgenomen teksten en muziek een plaats kregen.

In het expressionistisch toneel na WO I waren er drie belangrijke tendensen die alle drie als streefdoel hadden de neiging tot identificatie van de toeschouwer met het personage te verstoren.

De eerste belangrijke figuur was Pirandello (1867-1936) die in zijn theater van de vervreemding duidelijk wilde maken dat de waarheid niet gezegd kan worden. Zij ligt buiten onze uitdrukkingsmogelijkheden.

Het theater van B. Brecht ( en hier ) (1898-1956) ( Driestuiversopera, Mahagony, Moeder Courage) was vervreemdend in de zin dat het de toeschouwer via de wereld van de kunst wilde binnenvoeren in de "werkelijke wereld", vooral die van het contrast tussen arm en rijk, machtig en eenvoudig. Brecht deed dit vanuit zijn marxistisch-socialistisch engagement en zijn anti-oorlogsgezindheid.

Hij gebruikte daarvoor verschillende vervreemdingstechnieken: de scènes volgden elkaar noch functioneel noch logisch op, in zijn stukken kwamen ook dia's, filmfragmenten, klankeffecten en liederen voor; er waren opvallende personages, situaties of zelfs flarden dialoog die het publiek telkens weer een schokje van herkenning gaven. Brecht waakte er ook over dat de acteurs zich nooit helemaal vereenzelvigden met hun rol. En geen enkel personage was 100% sympathiek, zodat ook de toeschouwers zich niet konden identificeren met een toneelfiguur. Brecht noemde dit theater episch theater omdat het vertellend en bewustmakend was, in tegenstelling tot het Aristoteliaans toneel dat de toeschouwer via een katharsis wilde verzoenen met de bestaande orde. (Zie ook Lemma 6 pag 292: Verfremdungstechnieken voor acteurs.

Ten slotte was er A. Artaud ( en vooral hier)(1896-1948) met zijn " theater van de wreedheid ". Ook hij stelde aan het theater de eis van de volstrekte waarheid. In tegenstelling tot de twee anderen meende hij dat het woord totaal ontoereikend was om die diepste waarheid te bereiken. Daarom schiep hij het " théatre de la cruautè ". " Wreedheid " betekende voor hem: levenshonger die blijft bestaan ondanks het feit dat het goede slechts het resultaat is van een bewuste wilsact. De blinde levensdrift moest in elk stuk, in elke handeling zichtbaar zijn.

2. Het absurd toneel

Na WO II was de ontreddering in het westen zo mogelijk nog groter dan na WO I. De idee dat de mens in het bestaan is geworpen en op eigen kracht/onmacht is aangewezen won veld. Het existentialisme werd dé belangrijkste filosofische stroming. Aanvankelijk was het uiterst pessimistisch gericht. Ieder mens zou op zichzelf staan en communicatie zou eigenlijk uitgesloten zijn ( absurdisme, nihilisme ). Later werd het sociale engagement meer beklemtoond, dat het directe gevolg was van de vrijheid van de mens om zijn eigen waarden te scheppen. Dit laatste werd de grote inspiratiebron van de studentenopstanden in 1968.

Het existentialisme gaf de aanzet tot twee verschillende tendenzen in het theater in de jaren '50 en '60.

Een eerste stroming was het ideeëntheater met Sartre (Gesloten deuren), Camus, J. Anouilh (Antigone), Montherlant e.a. Er kwamen ook stukken en films over de jodenvervolging, de oorlog in Vietnam enz. Bij ons schreef J Christiaens Een vredesduif braden en De lachende krokodil.

Het absurd toneel had als belangrijkste vertegenwoordigers A. Jarry met Ubu Koning, E. Ionesco met De kale zangeres en De stoelen, Harold Pinter met De huisbewaarder, S. Becket ( en hier) met Wachten op Godot en E. Albee met Wie is er bang van Virginia Woolf? Ionesco's grondidee was dat de taal vol clichés en automatismen zit net zoals het menselijk gedrag. Dit menselijk gedrag illustreert de tragiek van de leegheid in het dagelijkse bestaan. Ionesco toonde het in komische situaties waarin de personages ten onder gingen.

Pinter, als "angry young man", kwam met een absurditeit die lag in de afwijking van zijn personages van de normale psychologie.

De thematiek van Samuel Becket was steeds weer de absolute absurditeit van het leven, waarin maar één zekerheid bestaat: de Dood. De personages - menselijke individuen die doen denken aan zwervers, clochards - brachten hun leven door met wachten op de dood.

E. Albee was nieuw door het gebruik van zwarte humor en het groteske. Hij bracht een ontluisterende, wrede waarheid op de planken, waardoor de kijker wel de problemen herkende, maar zich distantieerde van de personages.

De jaren 50

Als reactie tegen al deze vervreemdende en absurdistische stromingen in de kunst ontstond in de late jaren '50 een "nieuw realisme", ook "nieuwe zakelijkheid" genoemd.

De stukken uit die stroming zijn realistisch of naturalistisch en sociaal-kritisch. Meestal is de aandacht evenwichtig verdeeld tussen het sociale of politieke aspect van het werk en de psychologie van de personages. Af en toe vinden we een zware symbolische ondertoon in sommige stukken, bv in Vrijdag van H. Claus.

Belangrijke auteurs zijn: - Claus  met Vrijdag, Een bruid in de morgen, Vrijdag, De dans van de reiger, Orestes e.a., J. Van Hoeck met Voorlopig Vonnis, W. van den Broeck met Groenten uit Balen en Het jaar 10, A. Miller ( en hier ) met Dood van een handelsreiziger, G.B. Shaw met Mevrouw Warren, Thornton Wilder  met Ons Stadje en Een lang kerstdiner, E. O'Neill ( en  hier  ) met Begeerte onder de olmen en T. Williams  met Tramlijn begeerte.

De jaren 60

In het theater van de jaren '60 overheerste echter een sterke avant-garde-stroming die experimenteerde met spel, expressievormen, taal. Grotowski bv deed de acteur afstand doen van al het uiterlijke als licht, geluid, kostuums en hield alleen de lichamelijke en vocale expressiemiddelen over. Ook de happening was erg in. Dit is een vorm van gebruikskunst die wel verloopt volgens een bepaald scenario met een aantal losse gebeurtenissen, maar die verder geïmproviseerd wordt en waarbij kleur, klank en beweging heel belangrijk zijn. Het is een soort spektakel zoals ook beeldende kunstenaars en musici ze hielden en nog houden, bv J. Cage, het Living Theatre van J. Beck, en het Open Theatre van J. Chaikin.

Ook een soort toneel van de vervreemding leefde er nog voort, bv bij P. Handtke en bij T. Brulin in diens Verticaal en Horizontaal.

Aparte richtingen waren het volkstoneel van Dario Fo (Mistero Buffo), dat wilde werken aan de bewustwording van de gewone mens en daarvoor oude verhalen tot toneel bewerkte, de jongleur weer in ere herstelde, oude liederen aanpaste en inlaste en een heel plastische en volkse taal gebruikte. Bij deze stroming hoort ook J. Decleir.

 

AANVULLENDE TEKSTEN

I. PROZA: DE NAAM VAN DE ROOS.( opgaves uit boek:GN) inhoudstafel    studiewijzer

A. Tekst: lezen - Historische en filosofische achtergronden.

1. De sofisten. (5de eeuw voor C - Athene)

De wieg van de wijsbegeerte staat in het klassieke Athene van de 5de eeuw v. C. Die gemeenschap groeide en bloeide door een bepaal gemeenschapsgevoel: men had er dezelfde opvattingen, dezelfde waarden, dezelfde scholen. Iedereen wist wat men er bijvoorbeeld onder "een goed mens", "een rechtvaardige staat", " een degelijke school " enz... moest verstaan. De mensen geloofden er in een algemeen geldende kennis, los van de individuele mening van dit of dat individu.

Dan kwamen de sofisten. Enkelen waren radicale sceptici: zij geloofden niet in algemeen geldende kennis. Elke sofist bracht een eigen opvatting over bv. een goed mens. Sommigen verklaarden de mens vanuit de godheid, anderen vanuit de dieren. Een rechtvaardige staat bestond al evenmin: er kwamen zeer verschillende opvattingen over de staat. En de sofisten profiteerden van de algemene vertwijfeling om dan de mensen van hun theorie te overtuigen.

2. Plato.  (5de - 4de eeuw v.C. - Athene)

Plato ergerde zich aan die volstrekte relativiteit van de kennis: als er geen algemene kennis meer mogelijk is, is het niet meer mogelijk samen te leven: want waar moet je je dan naar richten, als iedereen zijn opvattingen als de enige ware verkondigt. Zijn filosofie bestaat er dus in, aan te tonen, dat er wel degelijk een universele, voor iedereen geldende waarheid is.

In zijn grot-allegorie verhaalt hij hoe de mensen, aan ketenen geboeid, dag in dag uit naar de schaduwen kijken, die op de wand geprojecteerd worden door een groot vuur achter hen, dat ze nooit te zien krijgen. Tot één van de gevangenen zijn boeien verbreekt en zelf op zoek gaat naar de echte werkelijkheid. Hij komt uiteindelijk buiten de grot aan, in de zon, en ziet daar de echte voorwerpen.

Deze grot-allegorie betekent dat de filosoof moet breken met de oppervlakkige kennis, de "schijn-", en zich moet terugtrekken uit de wereld om te filosoferen over de echte werkelijkheid. Die vindt hij in zijn denken als Ideeën. Het eigenaardige bij Plato is nu, dat die Ideeën als werkelijke dingen

worden opgevat. Zij bestaan echt bij God en de filosoof alleen komt in contact ermee door heel langdurig en diepgaand te filosoferen. Vandaar kan hij deductief alles afleiden: wat het echte geluk is, wat echte waarheid is, wat de ideale staat is, wat een authentieke mens is, enz... Zo zal Plato bvb. een boek schrijven over de ideale staat. De filosoof beschikt immers over de absolute waarheid, en hoeft die maar op te leggen aan anderen, die zijn blijven steken in hun schijnkennis.

De echte werkelijkheid zijn dus die Ideeën. Nu noemt men Plato een "Idealist", in wijsgerige zin dan. In de Middeleeuwen werd hij een realist genoemd. Alleen die Ideeën zijn reëel.

3. Aristoteles. ( en hier: zeer uitgebreid) (4de eeuw v.C. - Athene)

Aristoteles staat voor hetzelfde probleem, maar hij verwerpt de mening van zijn leermeester. Wat echtbestaat, is alleen het afzonderlijke, het concrete, het individuele ding. Algemene begrippen zijn maar namen, die alleen in ons hoofd bestaan, maar niet in de werkelijkheid. Ideeën zijn geen dingen.

Zijn we dan veroordeeld om alleen maar individuele dingen te kennen? Kunnen wij geen algemene kennis meer verwerven? Is wetenschap dan niet meer mogelijk?

Toch wel, zegt Aristoteles, maar op een heel andere manier dan Plato.

Daarvoor ontwerpt hij de filosofie van VORM en MATERIE. Elk ding bestaat uit 2 principes: een actieve, levengevende VORM en een passieve, onbepaalde MATERIE. De laagste dingen ( bv. een steen) zijn bijna louter MATERIE, de hoogste schepselen ( bv. de mens) zijn veel meer VORM. Vorm betekent: datgene wat aan de materie zijn eigenheid, individualiteit geeft. De mensen worden allemaal geboren met dezelfde organen, maar de VORM maakt elke mens tot een eigen wezen. Planten bestaan allemaal uit dezelfde plantencellen, maar de VORM geeft aan elke plant een eigen gedaante. Bovendien heeft de wezens-vorm van elk ding een innerlijke dynamiek: die geeft kracht aan het ding, om zich te ontwikkelen tot een DOEL een ENTELECHIE. Bij de lagere schepselen is die dynamiek onbestaande ( bv. een kei), bij de hogere wezens is die dynamiek onuitputtelijk. Zo heeft de mens bij zijn dood nog altijd niet al zijn mogelijkheden ontwikkeld.

Daaruit volgt een sleutelinzicht in Aristoteles' filosofie: om tot algemene kennis te komen, zal de wetenschapper inductief moeten werken. Hij zal zoveel mogelijk moeten observeren, vergelijken en vanuit die ervaring tot algemene begrippen en besluiten moeten komen. Door de wezens-vorm van planten te vergelijken, kan hij algemene kennis over planten opdoen, maar die kennis is nooit af: in de wetenschap kunnen zich altijd nieuwe vondsten voordoen.

ER BESTAAT DUS GEEN ABSOLUTE, EEUWIGE KENNIS, wel betrekkelijk-zekere, tot-nu-toe-noodzakelijke kennis, tot die gefalsifieerd wordt. Omdat bij de hogere schepselen de wezens-vorm nooit tot haar einddoel kan raken, kunnen wij er niet alles van weten. En zeker niet bij de mens, het hoogste schepsel op aarde. Geen mens mag dus de pretentie hebben alles op een absolute, eeuwige wijze te kennen. Dit standpunt heeft Aristoteles in zijn Poëtica nog eens geïllustreerd. Het eerste deel van de Poëtica is bewaard gebleven en handelt over de tragedie. Het tweede deel handelt over het blijspel en het lachen, en is vermoedelijk in de middeleeuwen verloren gegaan.

We kennen echter de centrale stelling van dit boek: omdat geen absolute kennis mogelijk is, mag de mens zich nooit te hoog schatten. Hij moet zich bewust blijven van de zwakke kanten van zijn kennis. Hij moet kunnen relativeren, lachen. Daarom is de cultuur van de lach, het blijspel, van levensbelang.

4. De Benedictijnen (vanaf de 6de eeuw n.C. Italië, Ierland)

In 529 sticht Benedictus van Nursia in Italië op de berg Monte Cassino de Benedictijnerorde. Hoe is dat gekomen? De Germanen, met name de Ostro-Goten hadden net Italië veroverd. In het begin werden antieke monumenten en boeken verbrand of vernietigd. Ook in de kerk nam de wanorde toe.

Het land werd overspoeld door zwervende monniken, die een "wilde" ascese beoefenden. Al wat Italië aan cultuur van de antieke Grieken en Romeinen had geërfd, werd met de voeten getreden. Benedictus was er echter van overtuigd dat het Christendom maar kon bijdragen tot een geordende samenleving en tot een geordend, logisch denken, als het het antieke erfgoed bewaarde.

Daarom stichtte hij een orde die met een enorme eerbied voor de antieke cultuur van Grieken en Romeinen alles wat die hadden voortgebracht, zou overleveren. Een van de stelregels van zijn orde was: " Scholam fundimus ". Want in de school kon deze traditie doorgegeven worden. Om die school spiritueel te voeden, werden de monniken opgeleid volgens de spreuk "ora et labora". Naast het koorgebed, moesten de monniken werken. En dit werken werd mettertijd vooral: de oude manuscripten kopiëren, illustreren en verspreiden. Geen enkel werk werd overgeslagen. De intrige van " De naam van de roos ", als zou een vrome monnik de Poëtica van Aristoteles achterhouden en willen elimineren, is dus historisch niet juist. Ook de boeken die puur heidens waren, werden met de grootste eerbied gekopieerd. De benedictijnen hadden ook de grootste bibliotheken van de Middeleeuwen, en ook de beste scholen: denk aan de abdijschool van Karel de Grote.

5. Thomas van Aquino (13de eeuw Italië en Frankrijk)

De invloed van Plato en Aristoteles op het middeleeuwse denken, juist door die arbeid van de benedictijnen, is enorm. Thomas van Aquino ( zelf een dominicaan) probeert daarom juist een synthese of summa te maken tussen wat de oude Griekse wijsgeren hebben geschreven en wat de Kerk te zeggen heeft. Hij is een christelijk realist ( in de middeleeuwse betekenis van het woord ): hij gelooft in het bestaan van de Ideeën, van een eeuwige, onveranderlijke kennis. Hij werkt dit zo uit: God heeft de Ideeën geschapen. Zijn zoon Christus heeft die aan ons geopenbaard, en de Kerk heeft die openbaring verder aan ons uitgelegd. Omdat dit een eeuwige waarheid is, moeten we die gehoorzaam aanvaarden en naleven. Zo weet de Kerk wat goed en wat slecht is voor de mens. Zo kan de Kerk onderscheiden wie de juiste leer brengt en wie de valse. Zij mag dus de wereldlijke macht vragen de ketters op te sporen en te bestraffen. De Orthodoxie, de juiste leer primeert dus. Het concrete leven van de mensen is minder belangrijk: het weten van Gods openbaring staat voorop. Deze opvatting wordt in de verfilming van het boek sterk belichaamd door de inquisiteur Bernardo Gui. hij is de man die de theologie van zijn tijd door en door kent, en van daaruit ook onderzoeksrechter (= inquisiteur) is van dwalingen en ketterijen. Hij kent alles,neemt zichzelf 100% au sérieux, is het vb. van de middeleeuwse realist. Hij is zo overtuigd van zijn eeuwige, kerkelijke waarheid, dat hij ook niet kan lachen.

6. Roger Bacon ( 13de eeuw - Engeland )

Roger Bacon is een franciscaan. En Franciscus van Assisië was de man die juist niet geloofde in eeuwige theorieën, maar het evangelie gewoon beleefde. Hij was de man van de orthopraxie: man kan niet alles weten over God en over de mens, maar men kan wel alles doen voor God en de evenmens. Roger Bacon gaat in die traditie verder. Hij is nominalist: alleen het individuele bestaat. Door wetenschappelijk onderzoek en inductie kunnen we komen tot een relatief-zekere kennis, maar die mogen we niet verabsoluteren, d.w.z. eeuwiggeldend maken. De ervaring is de basis van alles: daarom moet wetenschappelijk onderzoek gedaan worden, b.v. met de lens of met passer en kompas. Ook de bijbel en de Griekse filosofen moet men wetenschappelijk bestuderen, dus Hebreeuws en Grieks leren om precies te weten wat die teksten willen zeggen. Men mag nooit zomaar slaafs aannemen wat de Kerk dicteert. Men moet zijn eigen ervaring en zijn eigen denken volgen. Het zal dan ook niet verwonderen dat Roger Bacon verdacht werd van ketterij, en in de kerker gestorven is. In de film krijgt hij een leerling, William van Baskerville, niet toevallig ook een Engelse franciscaan. Die zal in het spoor van Roger Bacon door wetenschappelijk onderzoek de moorden van de abdij oplossen. De "realist" Bernardo Gui werkt deductief ( hij heeft twee ketters gevonden, dus die moeten ook de moord begaan hebben ), terwijl de "nominalist" William van Baskerville alles zo wetenschappelijk -experimenteel mogelijk nagaat en daarvoor alle mogelijke informatie verzamelt. Hij zal ook in de klauwen terechtkomen van de doctrinaire alleswetende Gui.

7. Franciscanen en de paus.

In de 14de eeuw verblijft de paus te Avignon, waar hij een luxe-leven leidt. Deze rijkdom wordt dan ook duidelijk ten toon gespreid in de figuur van de pauselijke gezant. De franciscanen, die voor de armoedebeleving zijn, proberen van binnen uit de kerk te veranderen. De Paus voelt zich bedreigd en wil deze tak van de franciscanen afschaffen. Maar eerst is een verzoeningsgesprek gepland. Eco laat dit gesprek plaats vinden in een abdij van de benedictijnen in Noord-Italië. De film ensceneert dan ook de botsing tussen de orthodoxie (paus en afgezanten) en de orthopraxie ( franciscanen ). De jonge reisgezel van William van Baskerville, nl.de Oostenrijkse novice Adson van Melk, stoort er zich bijvoorbeeld aan, dat zijn meester meer met zijn wetenschap bezig is dan met het lot van onder andere het jonge meisje dat door de inquisiteur gearresteerd is.

De franciscanen zullen in dit rijke klooster het pleit verliezen. Maar de regisseur zal voor een onverwacht einde zorgen.

 

II. DE VIJAND: JACQUES HAMELINCK terug naar inhoudstafel terug naar studiewijzer

I. Freuds psychoanalytische persoonlijkheidstheorie.

Algemene begrippen

De beroemdste en meest invloedrijke persoonlijkheidstheorie die we kennen, de psychoanalytische theorie die Freud aan het eind van de vorige eeuw ontwikkelde, is eigenlijk een interactionele theorie avant la lettre. Er is namelijk sprake van een bepaalde aanleg die door bepaalde ervaringen tot bepaalde persoonlijkheidsvormen wordt gemodelleerd. Als aanleg ging Freud uit van een fysiologische krachtbron in elk pasgeboren mens: de instinctive behoefte aan zo veel mogelijk seksueel genot. Hij noemt die krachtbron ES. Het begrip "seksueel" gebruikte hij in een veel bredere betekenis dan wij gewend zijn te doen. Het slaat bij Freud op het totaal van lichamelijke zinnelijkheid, van lustbeleving op welke manier dan ook. Het opperste genot door alle zinneprikkelende mogelijkheden. Door ervaringen met de omgeving wordt dit Es langs allerlei wegen geleid. Dit proces voltrekt zich in fasen, waarin een steeds grotere graad van rijping wordt behaald. Als de rijping in een bepaalde fase is voltooid, glijdt het kind de volgende fase binnen. Hij is daar dan aan toe.

De vroegste manier van een mens om lichamelijk genot te ervaren is via de mond het zuigen. Hij is dan in de orale fase. Daarna ontdekt hij hoe lustvol het is om zijn ontlasting op te houden. Dat is in de anale fase. En met een jaar of vier ontdekt het het geslacht als iets waarmee het spelen zeer zinneprikkelend is. Dat is de genitale fase. Natuurlijk is de omgeving van het kind er absoluut niet van gediend dat hij zich alleen met zijn lichamelijke lustgevoelens en seksuele behoeften bezighoudt. Het stelt allerlei niet-seksuele eisen aan hem. Omdat die omgeving voor hem van levensbelang is, - hij is immers afhankelijk van de goede zorgen en goede gezindheid van vader en moeder - neemt hij die eisen langzamerhand over. Zij worden tot zijn ÜBER-ICH. ( Het über-ich is het best te vergelijken met het begrip "geweten".) Het is duidelijk dat hier in het kind conflicten dreigen: enerzijds zijn aanleg die een zo groot mogelijke lustbeleving nastreeft, anderzijds de normen van de omgeving, die hij zich eigen heeft gemaakt en die eisen dat hij van genot afziet. Als oplossing ontwikkelt het kind in iedere fase een patroon van versluierde, quasi helemaal niet-seksuele manieren van doen, die echter toch allemaal langs indirecte weg gericht zijn op de bevrediging van zijn seksuele behoeften. Dat patroon, die manier waarop een mens leert schipperen tussen Es en über-ich, is volgens Freud zijn persoonlijkheid, zijn ICH.

Van het Ich zegt Freud dat het het realiteitsprincipe huldigt. In modern taalgebruik kan men zeggen dat het nastreeft wat gezien de eisen van het über-ich haalbaar is voor de wensen vanuit het Es.)

Verschillen in persoonlijkheid ontstaan doordat de doorstroming door de verschillende fasen niet glad en gelijkmatig verloopt. Het kan zijn dat de ervaringen in een bepaalde fase meer indruk op een kind maken dan die in de eraan voorafgaande of erop volgende fase. Die fase drukt dan ook een extra stempel op zijn persoonlijkheid. Freud onderscheidde dan ook het orale, het anale en het fallische (of genitale) karakter.

Die grotere indruk kan ontstaan doordat een kind een bepaalde fase als te prettig beleeft en er bij hem weerstand ontstaat om naar een volgende fase te groeien. Hij blijft gefixeerd. Bijvoorbeeld een kind dat door zijn ouders zo naar de ogen wordt gekeken, dat hij dat gemakkelijke leventje niet graag opgeeft voor een volgende fase waarin meer zelfstandigheid van hem wordt verwacht. Zijn persoonlijkheid zal dan blijvend gekenmerkt zijn door een zekere afhankelijkheid. Bijvoorbeeld afhankelijkheid van goedkeuring door autoriteiten in zijn leven.

De grotere indruk kan ook ontstaan doordat een kind in een bepaalde fase juist niet voldoende aan zijn trekken komt en daardoor gefrustreerd raakt. Hij blijft in zekere zin dan in die fase hangen. Zo kan bij iemand die als kind tekort gekomen is in lichamelijk genot, het alsnog krijgen daarvan een overheersend kenmerk blijven van zijn volwassen persoonlijkheid.

Een kind dat in een bepaalde fase gefrustreerd raakt, kan ook terugglijden in een vroegere fase, waarin hij gelukkiger was (= regressie ). Tijdelijke regressie is vaak te zien als er vrij plotseling nieuwe eisen aan het kind worden gesteld, zoals bij ziekenhuisopname of bij geboorte van een broertje of zusje.
Hij was dan bijvoorbeeld het orale stadium al ontgroeid, maar vindt nu opnieuw troost en lust in allerlei vormen van zuigen en bijten. Het is duidelijk dat als de omstandigheden ongunstig zijn uit een tijdelijke regressie een blijvende fixatie kan ontstaan. Vaak worden roken en snoepen verklaard als een milde vorm van orale fixatie, ontstaan uit hetzij orale frustratie, orale overstimulatie of uit anale frustratie met regressie!

Afweermechanismen

Freuds dochter Anna heeft de theorie van haar vader uitgebreid met haar theorie van de afweermechanismen. In elke fase ontwikkelt het kind technieken om aanvechtingen vanuit het Es die onaanvaardbaar zijn voor de buitenwereld en later voor zijn groeiend über-ich te ontlopen. Het verdringen is door Freud zelf al bestudeerd en het meest bekende afweermechanisme geworden. De aanvechting blijft dan onbewust. Een andere techniek is de aanvechting slechts toe te laten in fantasie. Weer een andere is het omzetten in het tegendeel (reactieformatie) zoals het jongetje dat zijn babyzusje aait onder de bezwerende woorden " Oh wat ben je lief, oh wat vind ik je lief". Hij kan ook de aanvechting richten op iemand anders. Hij gaat dan zijn vriendje te lijf in plaats van zijn zusje. In dit verband kunnen we ook vermelden dat Freud nobele eigenschappen en activiteiten zag als "eigenlijk" gebaseerd op destructieve neigingen, die koste wat kost verhuld en veranderd moeten worden. Slager en chirurg zijn in deze opvattingen verwante beroepen. Het verschijnsel heet sublimatie .

Oedipuscomplex en identificatie.

Volgens de theorie van Freud is het kind in de eerste drie fasen op zichzelf gericht. Het beleeft lust aan zichzelf (auto-erotiek). Hij is met zichzelf bezig. Wel gebeurt dit in betrokkenheid op zijn moeder. Zij geeft de borst en zij probeert het kind zindelijk te maken en zij wast het geslachtje. Zij is dus wel degelijk degene die genotvolle gevoelens mogelijk maakt. Zij wordt door Freud dan ook het eerste liefdesobject genoemd.

Als na het vierde levensjaar de kinderen in de gaten krijgen dat moeder eigenlijk 'van vader' is, ontstaat voor hen een groot probleem, dat angst oproept. Het probleem heet het Oedipuscomplex, naar een figuur uit de Griekse mythologie, die de man doodde van de vrouw op wie hij verliefd was om met haar te kunnen trouwen. Achteraf ontdekte hij dat het zijn vader en zijn moeder waren. Zo leeft in kinderen volgens Freud het verlangen om vader te laten verdwijnen en zodoende moeder voor zich alleen te hebben. Die angst heet castratieangst. De kinderen zijn bang dat vader hun wensdromen zal ontdekken en hen zal straffen door de piemel af te snijden of dat zelfs al heeft gedaan, al naargelang zij jongen of meisje zijn. Meisjes ontwikkelen dan ook een zogenaamde penisnijd. Ze zijn jaloers en nijdig dat vader, broertje en jongens in het algemeen nog wel hun piemel hebben mogen houden. Soms kijken ze volgens de psychoanalytische opvattingen zelfs op hun moeder neer, omdat die hem ook niet meer heeft.

 

III. OEFENINGEN OP LITERAIRE STROMINGEN inhoudstafel naar einde oefening 

Tot welke stroming behoren de volgende romanfragmenten?

Je hebt de keuze tussen: romantiek, naturalisme, neoromantiek, vitalisme, nieuwe zakelijkheid, experimentele roman, probleemroman, existentialistische roman.

1. 
Er waren nu zoveel kinderen dat het voor mijn vader de moeite loonde een tondeuze te kopen en ze zelf te gaan knippen. Op die noodlottige woensdagmiddagen werden wij om de beurt uit de tuin in de serre geroepen. Mijn broer kon gewoon op de stoel gaan zitten, maar als ik aan de beurt was moest het Boek der Martelaren eerst op de zitting gelegd worden. En bij ieder kleiner kind kwam er een dik boek bij. De gebonden jaargangenvan het Christelijk Vrouwenleven of het verzamelde werk van Bilderdijk. Als het laken om je heen werd gedraaid en vastgeknoopt was, gaf je dat een gevoel van machteloosheid alsof je terechtgesteld zo worden.

2.
"Tijdens de oorlog dronken we afgeroomde melk en dat geven ze nu aan de varkens,"merkte ze terloops op. Hij antwoordde niet. Zijn blik hing aan een zwarte roetvlek op de zoldering. Ik ga trachten wat te slapen, zei hij bij zichzelf. Alles wat vandaag gaat gebeuren, zal hetzelfde zijn als wat gisteren gebeurd is. Het leven is eentonig. We zouden allemaal zeer gelukkig kunnen zijn, indien de eentonigheid en de verveling er niet waren. We zien, door een klein, klein gaatje naar de hemel en de ene keer zien we een wolk en de andere keer een verre priemende ster, maar het blijft de hemel. Ik ga trachten wat te slapen, ik heb vannacht geen oog dichtgedaan.

Zo dacht hij, en toen Margriet hem van terzijde aankeek, stond zijn mond wijdopen en zijn ogen waren dicht. En hij snorkte gelijk een varken. Zo is het nu, overwoog ze grimmig, hij neemt het leven van de gemakkelijke kant. (...) Maar ze kon niet slapen; de wind, bijwijlen overstemd door het gesnork aan haar oor, rukte te fel aan het dak boven haar hoofd. Bovendien keerden haar gedachten altijd weer terug naar de bezetting van de stad, zestien jaar geleden, toen de vijandelijke tanks, door een even woeste stormwind als vandaag voortgedreven, met verschrikkelijk geratel door de verlaten straten rolden. Ze was door de herinnering hieraan bezeten, en de heimelijke vrees voor elke nieuwe oorlog die haar nooit had verlaten, moest in die bewogen dagen reeds zijn ontstaan.

 

3.  
Het kanon glijdt zachtjes heen en weer in de wind. En in het avondlijk woud van schaduwen achter hem bederft de onberispelijke Patrick zijn reeënogen met een moppenblaadje. Zoals de welp, uitgelaten van de koesterende voorjaarszon ( een jaar van oogst, een jaar van strijd) in de klaver zijn achterpoten door de lucht slaat, mekkert - en de melkjongen glimlacht: zo mekkert de stedenverdelger in de sidderende schaduwen. Dan weerklinkt de krachtige stem van de kaartenlistige Harry en spreekt: "Nog zeven minuten." Zo zijn de woorden; maar scheef grijnst de seinensteile Jimmy, de dapperste der New-Yorkers, en geeft hem een papiertje. Op daarop springt de kaartenlistige in zijn zetel en begint tot gene, en spreekt de gevleugelde woorden: "Godverdomme, de hele rotzooi natuurlijk weer in de stront. Uitwijken naar Rabenau en een half uur wachten." Zo spreekt hij; en de onverschrokken landoverstormer Archie vraagt hem de vraag: " Waar is dat in hemelsnaam?" Dit zijn vraag; en de kaartenlistige Harry roept de goden aan met de woorden: " God mag het weten. Het eerste het beste warenhuis wordt beter geleid."

4.  
Er is een brief uit Amsterdam gekomen waarin Hofstra zegt dat hij dinsdag naar Parijs moet en van zijn passage door België zal profiteren om die eerste twintig ton met mij te komen verrekenen. Hij zal te elf uur hier zijn. Was het van schaamte of van woede? Ik weet het niet. Maar toen ik die brief las kreeg ik een geweldige kleur, al zat ik alleen en ongezien op mijn kantoor, waar nu niets meer ontbreekt. Ik heb de brief in mijn zak gestoken, want ik wil niet dat mijn vrouw het weet, anders vertelt zij 't zeker aan mijn broer. Maar Één ding staat vast. Als die Edammers over vijf dagen niet verkocht zijn, dan wordt de Gafpa getorpedeerd. Eigenlijk heb ik slechts vier dagen, want voor een man van zaken telt de zondag niet mee.

5.  
Met een sprong kom ik overeind: kon ik mijn gedachten maar stopzetten, dan zou ik me al minder ellendig voelen. Aan je gedachten heb je nog minder houvast dan aan je lichaam. Gedachten zijn rekbaar, eindeloos rekbaar, zodat je met een katterig gevoel blijft zitten. En dan zijn er, binnenin die gedachten, nog woorden, onafgemaakte woorden, brokstukken van zinnen die steeds terugkomen:" Ik moet een einde maken aan...
ik bes... Dood... Roll is dood... Ik ben niet... ik bes... "

Het gaat maar door, gaat maar door... en het houdt nooit op. Het denken dat doorgaat is erger dan al het andere, omdat ik me verantwoordelijk en medeplichtig voel. De kwellende gedachte bijvoorbeeld die me door mijn hoofd maalt: ik besta, die gedachte is in mijn eigen brein ontstaan. Als het lichaam eenmaal met leven is begonnen, leeft het op eigen kracht verder. Maar het denken laat ik zJlf doorgaan, ik laat toe dat de gedachten zich ontvouwen. Ik besta. O, het besef dat ik besta is als een lang lint - en ik rol het lint af, heel langzaam... Kon ik mijn gedachten maar stopzetten. Ik probeer het, het lukt: ik heb het gevoel dat mijn hoofd zich vult met rook... En daar begint het opnieuw: " Rook... niet denken... Ik wil niet denken... Ik denk dat ik niet wil denken... Ik wil niet denken. Ik denk dat ik niet wil denken. Ik moet niet denken dat ik niet wil denken. Want dat is ook weer een gedachte". Kun je er dan nooit een punt achter zetten?

Wat ik denk ben ik: daarom kan ik niet ophouden met denken. Ik besta door wat ik denk... en ik kan het denken niet laten. Zelfs op dit moment besta ik, omdat ik het zo verschrikkelijk vind om te bestaan. Afschuwelijk. Ik doe het zelf, ik roep me zelf op uit het niets waarnaar ik verlang: de haat, de weerzin, die ik voel tegen het feit dat ik besta, zijn ook manieren om me zelf te laten bestaan, om verstrikt te raken in het bestaan. De gedachten ontstaan achter me als een duizeling, ik voel hoe ze ontstaan achter mijn hoofd... als ik toegeef, komen ze onherroepelijk naar voren, tussen mijn ogen - en ik geef altijd toe, de gedachte zwelt, zwelt, en daar is ze, onmetelijk groot, ze neemt me helemaal in beslag en blaast mijn bestaan nieuw leven in

6.  
Zwarte treinen reden heel ver met 'n lange witte wolk achteraan, langzaam in de wijdte. Gezeilde schepen schoven op de Nethe die glinsterend, in rustige bochten, den enen horizont met den anderen verbond. En groot stond de hemel daarover, vijf keren zo hoog en de zon vulde de aardkom met heur overheerlijk licht.

Alles scheen zo klein en zuiver als een stuk nieuw speelgoed en Pallieter zei: " Van hier gezien is de mens nog geen pijp toebak weerd!..." Hij zat daar zo hoog en droog, als 'n reus, die baas was van dat land. En er kwam tot z'n grote vreugde 'n wind het sop van den populier bewegen. Pallieter touterde mee en 't was alsof hij op een wolk waaide naar een ander land. Zonder dat hij 't zelf wist galmde er uit zijn keel een machtig lied dat tot den hemel klonk. Maar 't was hier te schoon om naar beneden te gaan. Maar 't witte licht verguldde, en de zon wierd groter en groter, en rood. Het rood jubelde de wolken in en rolde over de wereld. En achter verre blauwe bossen zakte de zon in een chaos van rustige, helverlichte reuzenwolken.

7.  
En op een dag de vorige week, een wonderlijke dag, kwam de fortuin; de wijze waarop zij kwam was vreemd en verbazend. Ik zat met mijn rug naar de voorbijgangers gekeerd, omdat ik naar de bergen keek; toen werd ik geroepen en achter mij zag ik een edelman op een paard, een hertog of een afgezant, hij had zo stralende ogen dat mijn hart begon te kloppen, er was iets aan hem dat mij herinnerde aan lang geleden. Hij vroeg waar ik naar tuurde en toen ik antwoordde: Naar de bergen, edele heer, begon hij luid te lachen, dat de lucht ervan schaterde. Die stem, dat lachen was meer dan ooit fortuin kan zijn, het was het geluid van de echte vreugde, zoals de zon of de wind zou lachen. toen riep hij: Kijk goed, de lente komt van de bergen! Ik was zo verbaasd dat mijn oren suisden, nu wist ik dat zijn stem geleek op een stem die mij lief was geweest, dat het dit geluid was waar ik die lange dagen op had gewacht. Maar vreemd was het en ook verdrietig.

8. 
Maar gij moet weten, opdat gij oordelen zoudt. Misschien zult gij verwonderd zijn, daar gij van uw ouders slechts woorden hoorde, waarvan u de zin ontging en als kinderen niet kondt gissen, wat er in ons gemoed gebeurde. Misschien zult gij dan begrijpend een mild oordeel over uw moeder vellen.
Misschien ook niet!
Misschien zult gij vinden dat ik mij te zeer vermat van mijn man niet enkel de vrouw naar het lichaam, maar ook naar de ziel te willen zijn. Want gij zijt mannen en als mannen denkt gij dat alles wat een vrouwenziel beweegt en vult, luttel en zonder waarde is, al was die vrouw dan zelfs uw moeder.
Maar ik kan niet aannemen dat Hij, in wie Sokrates geloofde, die man en vrouw zo schiep dat hun lichamen elkaar zouden behoren, wilde dat hun zielen vreemden zouden blijven. In de armen van Sokrates werd ik tot vrouw. Nooit heb ik die vrouwen begrepen die kleinerend spreken over de echtelijke omhelzing, als over een onaangename plicht of een efemeer genot. Want de man dringt niet enkel door in het lichaam van de vrouw. Hij neemt bezit ook van haar ziel. Met zijn toverstaf verwekt hij een metamorfose, waarvan ons lichaam slechts luttel blijken laat. Een meisje is een in zichzelf gesloten geheel. Een echtgenote is als de helft van een doorgesneden vrucht.

9.  
Was dat dan de wilskracht, waarmede zij zich had willen dwingen, willen dwingen van Otto te blijven houden, omdat zij hem en zichzelve ongelukkig zou maken, wanneer zij niet meer van hem hield? Vroeger, op de Horze - wat scheen dat lang geleden - vroeger had zij nooit, nooit ook maar de minste onenigheid met Otto gehad, en nu, nu had ze hem haar ziedende verwijten in het gelaat gegooid, nu had zij... o God, waarom? Waarom moest zij dat gedaan hebben; zou Vincent zeggen, dat dit ook onvermijdelijk was voorbeschikt door een keten van andere, zich aaneenschakelende onvermijdelijkheden? ... Maar wat was dan het leven? Wat was dan een mens? Een willoze speelbal, die door het noodlot her- en derwaarts geslingerd wordt? Zij had gewild; zij wist het zeker, zij had zich willen dwingen, maar zij was zwakker dan haar noodlot en nu... wist zij het... nu was het uit! Het was gedaan... voor altijd; zij was overwonnen.

10.  
Eindelijk deed de soldaat een beweging; hij tastte angstig in het rond, stak de handen uit en riep met bange stem: " Trien, Trien, waar zijt gij?" Het meisje greep zijn hand en zeide :" Och, Jan, hier ben ik. Stil maar. Gij beeft? Wat hebt gij?" " Ach, ik heb gedroomd dat gij van mij weggegaan waart!" antwoordde de jongeling, rechtzittend. " Och, wat droom! Het koude zweet breekt mij nog uit." " Wat gedachten zijn dit?" bemerkte het meisje met zoete spijt. " Zoveel te beter dat gij gedroomd hebt, Jan; het is een zeker teken dat ik u nooit zal verlaten: de dromen moeten immers altijd verkeerd worden uitgelegd?" " Het is waar, goede vriendin," zeide de soldaat, haar handen drukkend. " God zal het u lonen in de hemel."

11.  
Onze vader Houtekiet sticht Deps en weet het niet, doch, Vader, dank! Wij werden daar geboren uit uw vrij en krachtig bloed, anderen niet goed genoeg, maar ons wel. En wij zijn blij dat we leven. Hij sticht Deps juist op het graf van de boswachter, om dit meteen goed af te dekken. Een dikke laag leem uit het water erop, de hut erover, zoekt nu de boswachter maar. Lien kan haar ogen niet geloven, hij tovert. Kapmes, hamer en mes, zij weet niet waar vandaan gehaald, zijn al zijn gerief. Tussen palen van jonge boompjes vlecht hij vlugger dan een mandenmaker takkewerk, dubbele wanden die hij met klei bestrijkt, glad en effen als muurtjes van steen. Zij heeft altijd gedacht dat hij haar zal meenemen naar een of ander rij woonwagens, hij moet toch ergens thuishoren. Maar nu zij hem bezig ziet, vlug, zwijgzaam, behendig alsof alles slechts spel is voor hem, roept zij verbaasd dat hij met zo'n vaardigheid wel aan de kost zal komen. Haar geestdrift geeft hem meer ijver. Een wijf is toch niet zo hinderlijk als hij eerst gedacht had. Het babbelt maar, ook als men niet antwoordt en hij heeft altijd graag zingende vogelen rond zich, of spelende dieren: leven.

12.  
Intussen liepen de Fransen elkander over het lijf; de Vlaamse scharen drongen met geweld tegen de wijkende vijanden op en verpletterden de gevallen ridders met knotsen en helmbijlen. Duizenden paarden lagen in de geknede aarde half verzonken, en de lijken der vijanden overdekten den grond, - in zo groot getal, dat de strijdenden niet meer op het gras, maar wel op een bed van dode lichamen en gebrokene wapens vochten. De Groeningerbeek kon men niet meer zien: de lijken, waarmede zij opgevuld was, vormden slechts énen hoop met die, welke op de boorden lagen; men zou den loop dier beek wel aan den bloedstroom herkend hebben, doch bloed lag er overal in grote plassen. Het gehuil der stervenden, de klachten dergene, die verstikten, met het gejuich der zegepralende Vlamingen, mengden zich in een afgrijselijk gedruis; daarbij, de schaterende tonen der bazuinen, het gekrijs der zwaarden op de harnassen, het pijnlijk briesen der gepletterde paarden... Een vulkaan, die barst en tussen het rollen der losgebrokene donders het ingewand der aarde scheurt, kan alleen een denkbeeld van dergelijk schrikgelui geven. - Het was, alsof het jongste uur gekomen was.

13.  
Een heer / een dame merkt een dame / een heer op die hem / haar opmerkt, in zijn / haar richting komt gelopen, ze gaan elkaar kruisen, ze glimlachen, de heer / dame steekt de hand uit naar de hand die uitgestoken wordt in de drukte hebben twee mensen in EEN HANDDRUK een ogenblik (lijfelijk) contact is zichtbaar in de ogen glimlachen, ze bekijken (kijken naar) elkaar een ogenblik lang (een lang ogenblik), voorbijgangers lopen langs hen heen, een troepje staat bij de halte van een stadstram, ze merken het / merken het niet, nemen vluchtig de dame op, haar mantelpakje is blauw, ze draagt het haar tot op de schouders, de heer is charmant, het is duidelijk dat ze vriendelijkheden (hoffelijkheden) uitwisselen. Hebben ze met elkaar wat te maken? Wie heeft het eerst de hand uitgestoken? Hebben ze elkaar de hand gedrukt? Hij merkt haar op, hij herkent haar vanop foto's en beschrijvingen herkent zij hem, ze kunnen (willen) elkaar niet (moeilijk) ontwijken, in haar ogen ziet hij een aarzeling ziet zij in zijn ogen verdwijnen, ze glimlachen, ze steken de hand uit, op het ogenblik dat hun handen elkaar raken, raken zij een hand die iemand (ook) aanraakt.

14.  
Mijn moeder sprak weinig met haar en liet begaan. Georgina kwam onregelmatig en naar believen, als een wonderlijke bezoekster bijwijlen in de avonduren, en telkens bracht zij een sfeer van vogelen, sterren en bloemen in de kamer. Haar wit, aan de hals vierkant uitgesneden kleed met rose en blauwe nopjes bedrukt; de korte pofmouwtjes als ballonnetjes aan de schouders en haar dunne, blanke armen met een schemerige blauwe ader onder de matte doorschijnende huid, - het was alles bij de eerste oogopslag verrukkelijk, iets liefs en weemoedigs, om er aan te denken bij valavond als het zachtjes regent tegen de ruiten. Zij sprak mij vriendelijk toe, zo vertrouwelijk en mij intiem-beroerend, gelijk nog niemand, zelfs mijne moeder niet, het voordien had gedaan. Als Georgina was geweest, had ik telkens hoofdpijn; zenuwachtig liep ik het huis op en neer, in een verveling waar ik geen weg mee wist.

15.  
Maar eindelijk nam ik ook de porseleinen lepel op, goot'm vol en bracht 'm met onvaste hand tussen Anna's flauw geopende lippen. Op hetzelfde ogenblik drukte ik haar neus toe om haar tot slikken te dwingen. Even weken de oogleden terug en zag ze me aan; doch tegelijktertijd slikte ze ook. Daarna hoestte zij eens, murmelde met moeite, als iemand, die te veel gedronken heeft, enige onverstaanbare klanken en sliep weer in. Ik zei niets, week niet van mijn plaats, bleef weer een poos, sidderend van zenuwachtigheid, staan en goot haar toen de rest van het flesje op dezelfde wijs in haar keel.
Was ze ... dood, of moest ze nog sterven, of ... wat zou er gebeuren? Nu overweldigde me een ontzettende angst.
Mijn handen beefden hoe langer hoe harder; mijn knieën begonnen te knikken; het klamme zweet brak me uit; wolkjes trokken over mijn ogen heen en in die wolken zag ik sterretjes, als iemand, die zijn bewustzijn gaat verliezen.
Op een stoel neergezegen hield ik haar in het oog. (...)
Geen half werk, prevelde ik voor me heen en nu stond ik op, ging naar de tafel, maakte de fles Sirop Follet open, vulde de lepel en bracht 'm in haar mond.
Nog driemaal deed ik dit met lange tussenpozen ... de derde keer liep het vocht terug.
Was ze dus... dood, of moest ze nog sterven, of ... wat zou er gebeuren?
Om een antwoord te krijgen, boog ik me over haar henen en eindelijk ... eindelijk gaf ze't.
Langzaam, akelig langzaam trokken haar oogleden op en uit de donker gapende spleet, als uit ene peilloze diepte, schoot een ijzig starre blik recht naar me op.'t Was een afgrijselijk gezicht.

16.  
Maria verschijnt. Zij dringt door het tumult heen. Zij staat voor het bed. Zij ziet de vertwijfeling van haar vader. Iedereen verwijdert zich. Ook de oude geneesheer, die toch al lang alle hoop op redding heeft opgegeven. Eindelijk glijdt de oude moeder Pijcke uit de kamer, bleek en bevend. Maria aanschouwt haar vader. Zij legt haar hand op zijn zielloos lichaam. Op zijn eigen dode hand. Zij raakt de ring. Doordat het lijf warm is, verzekert zij zich dat het over zijn hele lengte leeft. Anders kan men alleen zien dat het hoofd levendig is: de mond, die aldoor openvalt en grijnst en rauwe geluiden uitstoot, en het glazige éénoog dat in een rode ring zwemt, terwijl het dode andere in zijn diepte, een plasje bloed vertoont. Zijn voorhoofd zweet. Onheldere druppels staan in de rimpels van zijn aangezicht. Maria buigt zich over hem om het geweld van zijn blik geheel op te vangen. Maar hij kan haar niet lang aanzien. Hij verfoeit haar. Hij haat haar. Zij moet weggaan. En moeder Pijcke moet met het boekhoudertje komen. Maria is de enige die hem begrijpt, die begrijpt dat hij zich niet veilig met haar gevoelt en dat hij snakt naar hulp uit ander ogen. Want de waarheid is tussen hen beiden opgestaan.

 

oplossingen