IV. NAAMGEVING: ANTROPONYMIE. Terug naar inhoudstafel  terug naar studiewijzer

Aanvullende oefeningen: LEMMA 5 pag 379-383

A. Voornamen: oorspronkelijk soortnamen.

de Franken: (Germaanse )gaven enkel voornamen. Dikwijls dichterlijke namen die een wens
voor het leven bevatten. Vaak de naam van een dier: vb: Bernhard: Bern: beer
hard: sterk .Walter: < walten: besturen - heer: leger - Geertruida: ger (speer) + trud ( kracht, sterkte) of truda: tovenares - Mathilda: macht + hild ( strijd) - Robrecht: rod (roem) + brecht/bert: stralend, schitteend. - Dirk: uit Diederik: diet: volk + rik: rijk, machtig. - Wiim: uit Wilhelm: willen/streven + helm: beschermer

de middeleeuwen: invloed van het kristendom: vandaar heiligennamen: Maria, Jozef, Pieter, Elisabeth, Jacobus, Marcus Catharina ( rein, zuiver) maar ook Bijbelse namen: Adam ( Hebreeuws: mens) Eva ( Hebreeuws: de levengevende) Margareta ( = Grieks: parel), Petrus ( Grieks: rots) - Martha: ( Aramees: meesteres)
Verder ook namen uit populaire ridderromans: Arthur, Lanceloot, Percifal, Roeland, Karel, Isolde

16de eeuw: hervorming: Bijbelse namen: vb: Adam, Abraham, David, Rachel.

de renaissance: namen uit de klassieke oudheid. vanaf 1563 verschijnen ook de eerste parochiale registers van de burgerlijke stand n.a.v. het concilie van Trente.
vb: Nestor, August, Julius, Achilles, Helena, Hector, Alexander.

18de en 19de eeuw: veel Franse namen: vb: Jean, Jules,Charles, Franois, Robert, Jacques, Hlne, Louise, Henri(ette).

20ste eeuw: vooral na WOII liberalisering: Veel Engelse vormen vb: Elly, Betty, Mary, Eddy. Tegenwoordig ook veel Scandinavische ( Britt, Sven, Bjorn, Freia), Slavische ( Boris, Ivan, Joeri, Natasja, Sonja- Olga), Duitse ( Gnther, Kurt, Jrgen, Heidi, Helga, Ilse, Jochen) Italiiaanse ( Bianca, Lorenzo, Marco, Marina, Mario, Sandra ) Spaanse ( Inez, Pedro, Lola)  en exotische namen: vb:  Maja, Ilya., Fatima

De keuze van namen is vaak modegebonden. Men kiest voor namen van populaire zeangers, actrices, sportfiguren. Vb: Bjrn ( Borg) - brigitte (Bardot)- Boudewijn ( koning)

B. Familienamen.: aanvankelijk ook soortnamen: pas in gebruik vanaf de 12de
    eeuw.Vanaf 1811 met de code Napoleon verplicht (Zoetemelk-Siukerbuyck)

Soorten:

1. Relatienamen: 

voorbeelden zonder toevoegsel: Claes - Frans - Meeus - Helewaut
met toevoegsel: vb: zoon (sz-s) sen (s) - soen - x -  ing ( ink: Saksische vorm; inga: Fries)  - (s)ema - sma ( ook Fries)  - ser ( van 's heren)  vb: Janssens - Hoving - Dierickx - Jansma - Serclaes

voorbeelden zonder toevoegsel: Anne, Clara, Truy
met toevoegsels: -en, (s)ens - s: Cleiren ( van Clara) -        Truyens; de verkleinwoorden -jes; -kens; -tjens: Aafjes.
het prefix: ver-: Verellen - het toevoegsel: -man: vb: Veranneman

2. geografische namen: ( aardrijkskundige namen): naar de plaats van herkomst

3. beroepsnamen:

vb: De Sutter - Huysman - Brouwers - Smits - De Clercq. Verder ook moeilijk herkenbare: Cremer ( marktkramer) - De Sutter ( schoenmaker - kleermaker) - Neut ( notenhandelaar) - Schietekat: ( kattendoder) - Tichelaer: tegelbbakker. - Kiekens: poelier - De Bie: bijenhouder- Coeman ( = koopman)

4. namen naar lichamelijke of geestelijke kenmerkende
    eigenschappen en diernamen:( diernamen kunnen ook
    voorkomen bij de vorige groep)

vb: De Witte - De Vroede - De Coene - Bruynooghe - De Caluw. ( = de kale) - Cruyf ( krulhaar) - Duytschaever ( klaploper) - Schimmelpenninck ( in verband met spaarzaamheid) - De Slegte ( = de eenvoudige) De Pauw: trots mens - De Vos: sluw iemand of roodharig)

ook vondelingen kun je hierbij rangschikken: sociale toestand: Vondeling - waar gevonden: Pastoor - De Bisschop - Portael - Verschure; wanneer gevonden: Kemis.

C. Spelling:

bij ons: 16de eeuwse kanselarijspelling of vastgelegd tijdens het Franse regime: soms zeer ingewikkeld.
Nederland: veel eenvoudiger: vb: Hendriks (Ned) - Hendrickx(B)

D. Oefeningen: Taal en Taalinzicht: pag. 100 - 102.

opgave 1:

Bettesone: patronymica - < Elisabeth: heiligennaam
Jansson: patronymica - < Johannes: heiligennaam
Michielsen: patronymica - < Michael: Bijbelse naam
Geerts: patronymica - < Gerard < Gerhard: Frankische naam
Serstevens: des Heren Stevens: patronymica < Stephanus: heiligennnaam.
Vergrietens: zoon van de vrouwe Margriet: patronymica <Margareta :heiligennaam.
Koppenol: < Jacob en Arnold: Jacob: heiligennaam
Woltering: patronymica < Walter: Frankische naam
Dirckinck: Saksisch patronymica < Dirk < Diederik: Frankische naam
Lotinga: Fries patronymica < Raoul of Lothar
   opmerking: augmentatieven: Lotte < Raoul
   Berten < Albert - Staf < Gustaaf : stoerder.
Van Aalst: geografische naam
De Ceuleneer: geografische naam: van Keulen
Maeterlinck: Saksisch patronymica > geogr.: Mater
Van der Sluis: algemene geografische naam
De Kroon: uithangbord
De Cooman: beroepsnaam: koopman
Deckers: beroepsnaam: leidekker + patronymica
De Bruyne: lichamelijke eigenschap
Blancquaert: lichamelijke eigenschap
Vroom: geestelijke eigenschap
Karel de kale: lichamelijke eigenschap
Karel de Goede:geestelijke eigenschap
Reinier Langhals: lichamelijke eigenschap.

opgave 2.

Jacob van Maerlant: heiligennaam + geografische naam
Diederik van Assenede: Frankische naam + geografische naam
Dirc Potter: Frank. naam (Diederik) + beroepsnaam
Lodewijk van Velthem: Ludovicus:heiligennaam + geografische naam
Jan van Boendale: heiligennaam + geografische naam
Joannes Ruusbroec: heiligennaam + geografische naam
Matthijs de Casteleyn: heiligennaam (Matteus) + beroepsnaam
Pieter van Diest: heiligennaam (Petrus) + geografische naam
Karel van Mander: ridderroman + beroepsnaam/geog
Hendrik Laurensz. Spieghel: patronymica + geestelijke eigenschap + heilign. (Laurentius)
Vondel: vondel/vonder: brugje= geografische naam of vondeling: geografische naam.
Cats: patronymica
Willem Ysbrantsz. Bontekoe: Frankische naam + patronymica + uithangbord.
Michiel de Swaen: Bijbelse naam + uithangbord.
Langendijk: geografische naam
Van Alphen: geografische naam
Hofdijk: geografische naam
Potgieter: beroepsnaam
Jan van Rijswijck: heiligennaam + geografische naam
Jan Frans Willems: heiligennnaam + heiligennaam (Franciscus) + patronymica
Snieders: patronymica + beroepsnaam
Jan van Beers: heiligennaam + geografische naam
Van Droogenbroeck: geografische naam
Gezelle: beroepsnaam
Augusta de Wit: klassieke oudheid + lichamelijke eigenschap.
Ren de Clercq: Franse naam + beroepsnaam
Jozef Simons: heiligennaam + patronymiva + Bijbelse naam (Simon)
Anne de Vries: heiligennaam + geografische naam
Jozef van Mierlo: heiligennaam + geografische naam
Felix Timmermans: Latijnse naam + patronymica + beroepsnaam
Ernest Claes: klassieke oudheid (Nestor) + heiligennaam.
Jan van Nijlen: heiligennaam + geografische naam.
Maurice Roelants: Franse naam + patronymica < Roeland: ridderroman.

Opgaves uit Lemma 5 pag 379 ev

3. Wat betekenen volgende Germaanse namen

boudewijn: koene vriend Bernhard: dapper als een beer
Diederik: machtig onder het volk Gerard: sterk met de speer
Herwig: leger + strijd Fredrik: machtig in de vrede
Robrecht: schitterend door roem Erwin: vriend van het leger
Albrecht: schitterend door adel Dieter: held onder volk en leger
Herman: held van het leger Walter: heerser over het leger
Adelheid: een adellijke gestalte Hendrik: machtig op eigen grond
Hadewijch: strijd + strijd

5. namen in vaste uitdrukkingen

 

dat mag joost weten

Jan Rap en zijn maat: het gemene volk

domme trut/gans

Een kuise Suzanna

nieuwsgierig Aagje

Janhagel

Jan en alleman

Magere Hein

Wijntje en trijntje: drank en vrouwen

De grote Jan uithangen

Jan-in-de-zak: meelspijs in doek gekookt

Heintje Pik

Jan met de pet: de brave man

Hansje in de kelder

Een brave Hendrik

Een boze Griet: een boos wijf

Een ongelovige Thomas

Een dolle Mina

Jan Modaal

Voor Piet Snot staan

De ware Jacob/Jozef

Hoge pieten

6. Op welke grondvorm gaan volgende roepnamen terug

 

Hans: Johannes

Andy: Andrea

Conny: Constance

Kees: Cornelis

Frieda: Frederik

Bob: Robrecht

Wouter: Walter

Klaas: Nicolaas

Joost: Justus

Ludo:Lodewijk

Nele: Cornelis

Griet: Margareta

Wim: Wilhelm

Stijn: Augustijn

Gerrit: Gerhard

Niki: Nicolaas - Veronica

Bart,Bert: Bartolomeus

Pim: Wilhelm

Lien: Carolina

Benny, Benno: Benjamin, Bernhard,Benedictus

 

Familienamen: Lemma 5 pag 382

1: verwantschapsnamen (= patronymica)

Elsink, De Neve, Serclaes, De Moerloose, Davidse, Adrieaensens, Baertsoen, Florizoone, Dierickx, Aafjes, Huizinga, Aerts, Claessen, Servranckx, Geerts, Hanssen, Andries, Marin

2: Geografische namen

 

Geografische eigennamen

landschapsnamen

gebouwen

Brusselman Uittendaele Van de Wynckel
Opzoomer Vermeersch Van de Kerckhove
Delombaerde Terpstra Vandecapelle
De Vries Van de Voorde Schuermans
Westerlinck Meersman Vanclooster
Vanbrabant Hoekstra  
Delombaerde  Verlinde  
De Vries Verwey  
  Verbrugge  
  Veenstra  
  Dijkstra   
  Vandenberghe  

 

3: beroepsnamen

Desmedt, Huisman, de Geselle, Decoster, De meulemeester, Deceuninck, Depaepe, Prinsen, Smits, Hertogs,Depoorter, Deweerdt

4: typerend kenmerk

 

lichamelijk

karakterieel

dierenwereld

     
Maegerman Suyckerbuyck Snoeck
Dauwe De Slegte Dehaene
Decorte Guldemond Vyncke
Degrijse Kindt De Vos
Cruyff Defraeye D'hondt
  Decoene De Bie

V. NAAMGEVING: TOPONYMIE terug naar inhoudstafel  terug naar studiewijzer

Aanvullende oefeningen: LEMMA 5 pag 389 - 390

A. Algemeen.

plaatsnaamkunde. Een van onze oudste bronnen voor het onderzoek naar de oorsprong van woorden. De spelling was vroeger een chaos.Nu is die veel logischer. Die nieuwe spelling geldt alleen voor Vlaanderen; niet voor Walloni en Nederland: vb: 's.-Hertogenbosch - Waterloo.

Naast taalkunde heeft de toponymie ook zijn nut bewezen voor aardrijkskunde, geschiedenis en volkskunde.

B. Bestanddelen.

Keltische: Maas (mudso = vocht) - Leie (legia = waterloop) IJzer(isaros = fris) - Durme (dorma
                 = woelige beek)
Latijnse: -wijk (vicus) - (d)recht (trajectum = overtocht) - castrum (= versterkt kamp)
                vb: Kester - castellum (= versterkte burcht) vb: Kassel;
Frankische: vaak afgeleid van patronymica: eindigend op gem ( van haim = woning) of kum en
                     kom. Eindigend op -sele of zele ( van sala = woning)vb: Zwevegem - Adegem
                     Balegem - Betekom - Oosterzele - Gorkum.

C. Soorten:

waternamen: a/aa/e/ee/ie/ij ( = stromend water) - beek - ven (heideplas) - zee - monde - muiden (Saksisch-Fries voor monde) - zwin (kreek, geul) dam - dijk - sluis - lede (waterloop) -delf (vaart)- schor(aangeslibd land) - ham - meer - vliet. vb: Watervliet - A'dam - Zwijnaarde Diksmuide - Hamme.

Hoogten en laagten: berg - leeuw (heuvel) - duin - panne - dal - del - dil - hul (heuvel: vgl "hill") vb: Denderleeuw - haar (= heuvelrug, hoogte) -huffel (heuvel)- geest (hooggelegen zandgrond)
De Panne - Bloemendaal.

Bossen, heiden, moerassen: lo(le)(=hout); vandaar ook lee, le, el.Bos - haag - suffix "t" als locatief (= plaats waar) - rode (uitgerooid bos) laar (open plaats waar men hout sprokkelt) - heis/hees (kreupelhout)-  as(es) - eik boek(beuk) - heide - tor(den) broek,goor,moer (= alle: moeras) - donk (hoogte in een moeras), beer/bere/bier:( vuil water,modder) waas:( modder), somp: (moeras), mort ( losse aarde, modder) - poel-poeder-pol-paal, vorst: (omheind bos), hare: (droge vlakte), wuuste: (woestijn), bracht: (ontboste plaats) - hore (slijk) - roes/roos/ruis (riet) vb: Ruisbroek, Bonheiden, Asse, Eeklo.

Bouw- en weiland: dries (braakland) - akker - aard - veld - meer (meers= laag weiland) - beemd (weiland),meet: maaiweide, ouiwe- ooie-aaie: vochtige weide vb: Oostakker, Lichaart, Meerhout, Ertvelde- Laarne - Schelderode

Verkeerswegen: drecht - trecht - tricht ( alle van trajectum= overtocht) - voorde ( waadbare plaats) - mark/merk (grenspaal) vb: Maastricht, Vilvoorde.

Woningen: gem - hem - kum - kom - sele - zele - zeel - sel - burg/steen/stein (kasteel) maal (plaats waar recht gesproken wordt )- schoot,schot (afgeperkte ruimte)- dorp - wijk kerk - hof - vb: Middelburg, Zandhoven, Oostmalle, Katwijk.

Algemeen: bar: onvruchtbaar- geil: levenskrachtig molde-mulde: zanderig morte: losse aarde ruim: breed.

 

D. Oefening. Taal en Taalinzicht pag. 109.

1. Maaseik: Keltisch mudso + eik
2. Neerijse: neer tegenover op + Keltisch "iska": water.
3. Maastricht: Keltisch mudso + Latijn trajectum: overtocht
4. Noorderwijk: voorvoegsel + Latijn vicus (= wijk)
5. Kaster: Latijn castrum: versterkt kamp
6. Kessel: Latijn: castellum: versterkte burcht
7. Wulveringem: patronymica: huis (gem) van de zoon van de familie Wulfhere.
8. Lo: bos
9. Oosteeklo: voorvoegsel + eik + bos
10. Deurle: dor + lo (bos)
11. Bazel: baar= woest + sela: woning
12. Nieuwenrode: bijv.nw + uitgerooid bos
13. Lanklaar: lang + laar: plaats waar men hout sprokkelt.
14. Willebroek: wilde + moeras.
15. Breendonk: donk: verhoogde plaats in een moeras, breen= breed
16. Goor: moeras
17. Nieuwmoer: bijv.nw + moeras
18. As: es (boom)
19. Meerle: meers (laaggelegen weiland) + le: lo: bos
20. Zwijndrecht: zwin (kreek) + trajectum: overtocht.
21. Amersfoort: Amer: riviertje + voorde: doorwaadbare plaats
22. Berchem: berg + haim: huis.
23. Broechem: moeras + huis
24. Veltem: veld + huis
25. Houtem: Holdo (= naam) + huis
26. Rotterdam: Rotte: riviertje + dam
27. Schiedam: Schie: riviertje + dam
28. Duinbergen: laagte + hoogte
29. Boechout: beuk + hout(bos)
30. Meerdonk: laaggelegen weiland + verheven plaats in een moeras.
31. Assebroek: es(boom) + moeras
32. Gooreind: moeras + einde
33. Borgerhout: burger + bos
34. Lotenhulle: lo (bos) + hulle: heuvel
35. Halle: hal (overdekte marktplaats) + le: lo: bos
36. Westmalle: voorvoegsel + maal: plaats waar recht gesproken wordt.
37. Tessenderlo: "t" locatief + es: boom + lo: bos: plaats waar esse bomen staan of: < Taxandrirs: Germaanse volksstam.
38. Lippelo: Lippe: eigennaam + lo: bos

Aanvullende oefening uit Lemma 5: pag 389: oefening 1

1. Aarsele: aard + zele: woning op of bij akkerland
2. Baasrode: gerooid land dat aan Batse toebehoorde
3. Bazel: nederzetting in open vlakte ( bar : zie ook barvoets ( = bare in het Engels)+ zele )
4. Boekel: beukenbos ( boek + el=le )
5. Boekhout: beukenbos
6. Bosvoorde: plaats waar men over een waterloop kan.
7. Breda: brede waterloop ( AA= naam rivier)
8. Bredene: brede waterloop
9. Breendonk: breed + donk: brede, verheven plaats in een moerassig gebied
10.Buggenhout: beukenbos
11.Denderleeuw: heuvel aan de Dender
12.Diksmuide: monding van de dijk ( muide = Saksisch-Fries voor monding)
13.Eeklo: eikenbos
14.Ertvelde: aard + veld: niet-bebouwd land
15.Ezemaal: hees +maal: kreupelhout +laagte in het terrein
16.Geluwe: geluw +ee: rivier met een gele kleur
17.Hasselt: plaats waar hazelaars groeien
18.Heist: plaats aan kreupelhout
19.Hoeilaart: ho + laar: hoog bosachtig moerassig terrein
20.Ingelmunster: Engelenklooster ( munster = monasterium)
21.Lombardsijde: haven van Lombard
22.Lotenhulle: lo+ t + hulle (=hill= heuvel): plaats waar een bos op de heuvel staat
23.Meerle: meer + lo: plas + bos
24.Watermaal: laagte in een terrein waar veel water is.
25.Westkapelle: waas + kapel: kapel op een drassige grond
26.Zwijndrecht: zwin + trajectum: plaats aan een kreek,geul waar men het water kan oversteken.

Aanvullende oefening uit Lemma 5: pag 390: oefening 6

  1. Keulen en Aken zijn niet op n dag gebouwd. Rome is niet op n dag gebouwd
  2. Hij stond te kijken alsof hij het in Keulen hoorde donderen
  3. Alle wegen leiden naar Rome
  4. Hij is in Rome geweest en heeft de paus niet gezien.
  5. Napels zien en dan sterven.
  6. Hij moet naar Geel/ Hij komt van Geel
  7. Holland op zijn smalst
  8. Hij ziet eruit als de dood van Ieperen
  9. Hij leeft als God in frankrijk
  10. Een Jantje van Leiden

 

VI. BETEKENISWIJZIGING     terug naar inhoudstafel     terug naar studiewijzer

Aanvullende oefeningen: LEMMA 5 pag 350 - 353

A. Inleiding.

Als gevolg van nieuwe ontwikkelingen en ontdekkingen in de maatschappij verandert de betekenis van woorden zonder dat, heel vaak, de woorden zelf verdwijnen.

B. Soorten

  • Betekenisverschuiving.

Het hoofdkenmerk dat over de naamgeving besliste verdwijnt. Taal wordt dus steeds ondoorzichtiger.vb: pen = ganzeveer gebruikt om te schrijven. Nu: stalen pennen. gulden - bord - gummi - kurk - micaglas.

  • verruiming of beperking van de betekenis.

kameraad: verruiming: vroeger iemand met wie men de kamer deelde.
geweer: beperking: vroeger alles waarmee men zich kon verdedigen.

  • verdichting van de betekenis door ellips.

Het weglaten van een deel van een woord: neiging tot spaarzaamheid. Het overblijvende deel neemt de betekenis van het hele woord over. Geen betekeniswijziging hier.

afkortingen: pa - juf - prof - labo.
ellipsen: boemel - leiding - port - vloei

  • wijziging van betekenis door voorkomen in een bepaalde taalkring.

Gewone woorden kunnen een andere betekenis krijgen in een bepaalde taalkring.
vb: zetten - drukken - binden - uitgeven - pers - proef krijgen een andere betekenis in het drukkersvak.

  • Betekeniswijziging in pejoratieve of melioratieve zin.

vb: slank: vroeger: mager; nu: elegant: wijziging in melioratieve (= gunstige ) zin.
vb: onnozel: vroeger: onschuldig; nu: idioot: wijziging in pejoratieve ( = ongunstige ) zin.

  • Betekenisverschuiving door metonymie/associatie of synesthesie.

Zachte tonen (synesthesie: vermenging van zintuigen) -
De vierde bank let weer niet op ( metonymie: oa : deel voor het geheel of omgekeerd )

 

C. Oefeningen: Taal en Taalinzicht pag. 111-114.

opgave

1. winkel: verruiming
2. kastelein: verruim.
3. stal: beperking
4. kermis: verruiming
5. moed: beperking
6. beetje: verruiming
7. aanlanden: verruiming
8. vaardig: verruiming
9. stijgen: beperking
10. thee: verruiming
11. gezel: verruiming
12.jawoord: beperking

opgave 2.

1. bok: zwaar hijswerktuig - houten stelling voor letterkast (= boekdrukkunst) - zitplaats koetsier
     voor op een rijtuig turntoestel.
2. koevoet:ijzeren hefboom ( stratenmaker) - instrument in tandheelkunde.
3. zwaluwstaart: bepaalde houtverbinding ( timmerman - meubelmaker)
4. wissel: geldwissel (koophandel - bankwezen) - wildpad (jager) treinwissel.
5. meter:persoon - lengtemaat - voorwerp - toestel ( gasmeter , parkeermeter)

opgave 3.

1. boef: beperking - pejoratief
2. baron: melioratief
3. wroeging: beperking (zelfbeschuldiging)
4. list: beperking - pejoratief
5. moedertje:verruiming
6. xantippe: verruiming
7. alledaags:beperking - pejoratief
8. deerne: beperking - pejoratief
9. wijf: verruiming - pejoratief
10. slecht: pejoratief
11. aardig: beperking - melioratief
12. minister: beperking - melioratief
13. ellendeling:verruiming - pejoratief.
14. gemeen: pejoratief
15. woordenwisseling:beperking - pejoratief.

opgave 4.

geef de oorspronkelijke betekenis 2: de recent bijgekomen betekenis.

zwartkijker: pessimist - tv-kijker die kijkgeld niet betaalt.
haaientand: tand van een haai - driehoekige wegmarkering bij kruising voorrangsweg.
klaverblad: plantje - klavervormig stel wegen
zebra: dier - oversteekplaats voor voetganger
spuiten: letterlijk.- zich injecties toedienen met verdovende middelen
drinken: letterlijk. - iemand die verslaafd is aan alcohol

 

VII. DE REDENERING. Terug naar inhoudstafel

Voor oefening klik onderaan   terug naar studiewijzer
Ga onderaan

A. Inleiding.

Wie een goede verhandeling wil maken, wie een stevig samenhangende redevoering wil samenstellen, moet eerst en vooral kunnen redeneren.De logica of denkleer houdt zich bezig met de manieren van redeneren.

B. Vormen

1.de inductie: uit afzonderlijke bijzondere gegevens wordt een algemene waarheid opgebouwd.
   Vb: alle mensen die in de voorbije eeuwen geleefd hebben zijn gestorven: dus is de mens
     sterfelijk.opmerking: om bewijskracht te hebben moeten de bijzondere gegevens talrijk genoeg
     zijn om een mogelijke vergissing uitcte sluiten.

2. de deductie: Uit de kennis van het algemene worden gevolgtrekkingen gemaakt betreffende het
     bijzondere.
     Vb: vensters dienen om licht door te laten (= algemene); dus moeten alle vensters licht
     doorlaten: ook zoldervensters, dakvensters, glasramen in kathedralen enz...
    opmerking: om bewijskracht te hebben moet men zeker zijn van de waarheid van het algemene.

C. De sluitrede of het syllogisme.

De klassieke vorm van de deductieve redenering is de sluitrede of het syllogisme. zij bestaat uit drie delen: een hoofdgedachte : de major , een tussenbewering: de minor : deze eerste twee worden de premissen genoemd - en de gevolgtrekking of conclusie.
vb:     major: Een architect die geen goede smaak heeft, kan geen mooie huizen bouwen.
         minor: Welnu, architect X heeft geen goede smaak.
         conclusie: Dus kan hij geen mooie huizen bouwen.

opmerking:  

* vaak wordt n der premissen weggelaten.
* de premissen van het syllogisme mogen slechts 3 termenbevatten, anders is geen conclusie
   mogelijk.
   vb: Belgen zijn (een soort) Europeanen.Fransen zijn (een ander soort) Europeanen. Dus...?
* Een syllogisme kan naar de vorm perfect zijn, ook al is de inhoud verkeerd.
   vb: De mens is onsterfelijk. Jan s een mens. Dus: Jan is onsterfelijk.

D. Enkele bijzondere vormen van redenering.

1. de kettingredenering of sorites.

Een reeks van syllogismen volgt elkaar op.
vb: Alle wilden zijn mensen; alle mensen zijn redelijke wezens; alle redelijke wezens kunnen geciviliseerd worden; daarom kunnen alle wilden geciviliseerd worden.

2. Het prosyllogismus.

Twee of meer syllogismen zijn zo verbonden dat de conclusie van het voorgaande de major of minor van het volgende wordt.
vb: Geluk is het gevolg van zekere gewoonten; de mens heeft de macht om zich deze gewoonten eigen te maken; daarom heeft de mens de macht zichzelf gelukkig te maken; ieder wijs mens maakt van deze macht gebruik; daarom is ieder wijs mens gelukkig.

3. Redeneren uit overeenkomst.

a. Redeneren uit het gelijke: als jij mag praten in de klas, dan ik ook.
b. redeneren uit het sterkere: als zelfs een onderontwikkelde zich zou schamen zijn moeder te
     beledigen, hoeveel meer moet jij dat doen, jij die een geleerd man bent.

4. Redeneren uit tegenstellingen, zodat het ene het andere uitsluit.
    vb: Hij is een dierenliefhebber, dus kan hij zijn hond niet gemarteld hebben.
    opmerking: deze redenering is niet omkeerbaar: Hij heeft zijn hond niet gemarteld, dus is hij een
    dierenliefhebber: fout.

5. Redeneren door uitsluiting:
   
na alle niet passende elementen te hebben uitgesloten, schiet alleen het juiste over.
    vb: Waarom werd deze sportman een groot kampioen? Omdat hij sterk gebouwd was?
    Omdat hij veel at en dronk? Omdat hij steeds geluk kende? Omdat hij zelden tegen gevaarlijke
    tegenstanders moest optreden? Neen! Omdat hij wilskrachtig was, verstandig en matig in heel
     zijn handel en wandel.

6. Het dilemma:
   
De keuze wordt gelaten tussen twee mogelijkheden die elkaar uitsluiten, maar die beide tot
    dezelfde gevolgtrekkingb leiden.
    vb: Een soldaat aan het front zit met het dilemma: als hij op de gevaarlijke plaats blijft, zal hij
     waarschijnlijk sterven.Als hij deze plaats verlaat, zal hij waarschijnlijk ter dood veroordeeld
     worden en dus waarschijnlijk ook sterven; Wat moet hij doen?

7. Redenering ex absurdo: uit het ongerijmde.
    het ongerijmde wordt aangetoond, dat zou ontstaan bij het aanvaarden van de stelling.
    vb: Je wilt niet geloven dat matigheid de basis van de gezondheid vormt. Kijk dan maar naar de
     toestand van mensen die geregeld onmatig zijn in eten en drinken!

8. Redenering ad hominem: op de man af.
    de stelling van de tegenstander wordt gebruikt om hem zelf of zijn stellingen te bestrijden.
    vb: De aanhangers van het volslagen scepticisme beweren dat wij over niets zekerheid kunnen
     hebben en dat we dus aan alles moeten twijfelen. Neem nu hun principe over: niets kan met
     zekerheid gekend worden: dus: dan kan men ook niet zeker zijn dat we aan alles moeten
     twijfelen.

9. De paradox:
   
Maakt gebruik van een schijnbare tegenstrijdigheid. Het is een waarheid die in tegenstelling lijkt
     met de algemeen gangbare mening.
    vb: De mooiste vrouwen zijn die, welke niet bestaan. De schoonste landschappen bestaan
     wel.De schrijver bedoelt met " mooiste vrouwen " waarschijnlijk personages uit de literatuur,
     dus produkten van de verbeelding, terwijl men ook in de literatuur vrijwel steeds over echte
     landschappen schrijft. Naar Oefening

Terug naar inhoudstafel

 

 

 

 

 

 

 

 

 

OEFENING OP DE REDENERING Terug naar inhoudstafel   terug naar oefening

1. a. Dichters hebben gevoelige naturen.
        Gezelle was een dichter
        Gezelle had dus een gevoelige natuur.

    b. Materialisten negeren het bovennatuurlijke
        Het bovennatuurlijke is niet in logische termen vatbaar.
        Materialisten negeren wat niet in logische termen vatbaar is.

2. a. Mensen houden van vrijheid.
        De Gentenaar is een mens.
        De Gentenaar houdt van vrijheid.

    b. Alle mensen zijn met rede en verstand begaafd.
        Een zwarte is een mens.
        Een zwarte is met rede en verstand begaafd.

    c. Dieren zijn sterfelijk.
        De aap is een dier.
        De aap is sterfelijk.

    d. Sport is gezond
        Zwemmen is een sport.
        Zwemmen is gezond.

3. a. Kanarievogels zijn een ander soort zangvogels ( eigenlijk 4 elementen in de premissen)
    b. 4 elementen in de premissen.

4. Kettingredenering of sorites.

5. a. redeneren uit overeenkomst: uit het gelijke: a pari.
    b. idem: uit het sterkere: a fortiori.
    c. redeneren uit tegenstellingen: het omgekeerde is onwaar.
    d. redeneren door uitsluiting.
    e. redenering ex absurdo: uit het ongerijmde.
    f. redenering ad hominem: op de man af.
    g. een dilemma.
    h. een paradox.

6. a. minor weggelaten.
    b. major weggelaten.

7. Max Havelaar : hij is blij omdat hij nu in staat is als assistent-resident daar iets aan te doen.
    Gezelle: fysisch dood maar zijn pozie is onsterfelijk.

Terug naar inhoudstafel    terug naar studiewijzer

 

VIII. EUFEMISMEN DYSFEMISMEN ( zie ook: hier en hier: eufemismen ivm seks) terug naar inhoudstafel:

Aanvullende oefeningen: LEMMA 5 pag 354 358
Klik hier voor verdere oefeningen

A. Inleiding.

etymologisch: van " euphemia " :het uitspreken van goede woorden. vandaar: opzettelijk verzachtende uitdrukkingen.

B. Soorten.

1. Tactvol  understatement:

    om te vermijden mensen te kwetsen.
    vb: een lange tong hebben - jokken - boven zijn theewater zijn - hardhorig zijn - dat is niet
     precies mijn smaak ( = dat vind ik lelijk).

2. Fatsoenseufemismen: (of welvoeglijkheidseufemismen )

    vb: transpireren (zweten) - ontlasting - lavement - plassen
    naar het toilet gaan - zijn handen even gaan wassen.
    Derhalve: i.v.m. bepaalde lichaamsfuncties en organen.

3. Taboe - eufemismen:

    In verband met godsdienst - duivel - dood - ziekte.
    vb: TBC ( = tuberculose) - kanker wordt " de ziekte "
    sterven wordt " heengaan " - God wordt " de Almachtige "- MS AIDS

4. Sluiereufemismen:

    in politiek en reclame; doel: ze dienen ertoe de lezers of de luisteraars een rad voor de ogen te
    draaien.
    vb: Door de ontspanning op de arbeidsmarkt wordt de arbeidsreserve groter = Door de
     vermindering van het aantal werkplaatsen is de werkloosheid weer gestegen.
    Hier horen ook de zgn " gezagseufemismen " thuis: ,geleerde woorden gebruiken om zwakkere
     tegenstanders te overtroeven:
    vb: De economische stagflatie maakt het noodzakelijk de overheidsinvesteringen te financieren
     via deficit spending Ook gebruikt ivm. de herwaardering van bepaalde beroepen: v:
     floor-manager.

5. Dysfemismen:

     bravourewoorden. Het gaat hier om onverbloemde, franke formuleringen; stoere taal. In de
     hedendaagse permissive society lijkt ook het dagelijks taalgebruik meer en meer dysfemistisch
     gekruid te worden. ( vgl ook bij sommige moderne schrijvers: Wolkers - Geeraerts - Claus -
     Brusselmans - Lannoy): taalvergroving: vb: op(rotten-lazeren, sodemieteren)lullen - hufter - in
     de fik steken - zuipen -creperen - je doet me kotsen - hou je grote wafel
     Zie ook bij nieuwe generatie striptekenaars en cartoonisten: Kamagurka - Herr Seele .
     Songwriters: Eminem

6. Opmerking: Denotatie en connotatie:

  • zielenknijper psychiater   
  • vuilnisman milieuwerker
  • schoonmaakster interieurverzorgster
  • onderontwikkelde land ontwikkelingsland
  • cipier penitentiair beambte

De objectieve inhoud van beide woorden is dezelfde = denotatie
We ervaren nochtans de betekenis van het tweede woord anders.
Die subjectieve waardering noemen we de connotatie van dat woord.

C. Oefeningen.

Opgave l. Taal en taalinzicht pag. 123

* niet in orde : vervalst ( understatement)
* gezeten: in de gevangenis (understatement ) onregelmatigheden: fraude, diefstal ( understatement)
* het mijn en het dijn: men steelt in die kringen ( understatement)
* een niet onaardige tijdpassering: tabakspruim: ironisch bedoeld, grappig.
* viant: duivel ( taboe - eufemisme)
* niet al te snugger: dom ( understatement)
* stichtelijk verhaal: vulgair (understatement)
* slag van de molen: gek ( understatement)
* niet ongevaarlijk: gevaarlijk ( understatement)
* pensionaires - kostgasten: gekken ( taboe-eufemisme)

OPLOSSING OEFENINGEN. Terug naar inhoudstafel

Oefening 2

  1. Van de verdere diensten van de betaalmeester werd afgezien, nadat was gebleken dat hij fraude had gepleegd (of: schuldig had gemaakt aan frauduleuze handelingen )
  2. Leugenachtige berichtgeving: tendentieuze, bevooroordeelde of minder objectieve berichtgeving.
  3. geslachtsziekten: venerische ziekten. ( ook: SOA )
  4. Bij controle is gebleken dat in uw bestek een vergissing is geslopen.
  5. een kindse oude vent: een seniele, demente grijsaard.
  6. Van de vermiste vrouw, die 65 jaar oud is, wordt beweerd dat ze niet over al haar geestesvermogens beschikt.
  7. Het stoffelijk overschot van de verongelukte matroos werd aan de golven toevertrouwd.veelwijverij: polygamie.
  8. een atoomoorlog: een nucleair conflict.
  9.  afgezet: geamputeerd.
  10.  Het Watergate-schandaal: De Watergate-zaak/affaire
  11.  De accountant had een nerveuze depressie en heeft een eind aan zijn leven gemaakt. Of: zich van het leven beroofd.
  12. schunnig: obsceen/ aanstootgevend
  13.  het slachthuis: het abattoir.
  14.  Oom Frederik leed aan kleptomanie.
  15.  voorbehoedmiddelen: profylactica - contraceptiva.
  16.  Op het slagveld hing een afschuwelijke geur van lichamen in staat van ontbinding.
  17.  De Westeuropese staatshoofden hebben beloofd in het komende lustrum nog meer middelen
     ter beschikking van de ontwikkelingslanden (derde wereldlanden)te zullen stellen./ te
     investeren.
  18. In een Nederlandse inrichting voor mentaal gehandicapten hebben bij een brand vier mensen
    het leven verloren.
  19. Uw gebrek aan objectiviteit bij de interpretatie van de feiten kan niet langer worden
    getolereerd.( uw subjectieve benadering )
  20. De kwartiermeester leed aan diabetes (of: was diabeticus) buikloop: diarree.
  21. dronken: onder invloed
  22. oneerlijke praktijken: minder eerlijke praktijken - duistere praktijken./ frauduleuze
  23. buitenlandse arbeiders: gastarbeiders./ migranten.
  24. de geslachtsdelen: de genitalin - geslachtelijk onmachtig: impotent.

Oefening 3

  1. In Mexico is het gevaar voor onlusten en stakingen gering en zijn de vakbondsleiders omkoopbaar/ corrupt.
  2. Die mecanicien is niet erg intelligent - is dom.
  3. .... doet een borrel je goed.
  4. gehoorgestoorden: doven.
  5. een simulant: een huichelaar, een veinzer.
  6. confrontatie: oorlog, gewapende interventie, militair treffen.
  7. De directeur-generaal van de holding werd ervan beschuldigd hoge regeringsambtenaren te
    hebben willen omkopen met aanzienlijke bedragen./ steekpenningen, smeergeld.
  8. het absentesme: de stelselmatige afwezigheid.
  9. gepacificeerd: ingepalmd, veroverd, geannexeerd.
  10. Het lijk zal worden verast en de as zal worden bewaard in het columbarium (= bewaarplaats
    van urnen in een  crematorium)
  11. De misdadiger was in zijn jeugd veel ziek geweest en dat verklaarde volgens de rechter
    waarom hij noch kon lezen noch schrijven. ( of: waarom hij ongeletterd was)
  12. genocide: volkenmoord.
  13. autopsie: lijkschouwing.
  14. De kapitein lag op sterven, was doodziek.
  15. Euthanasie: doden uit medelijden, het toepassen van de pijnloze terdoodbrenging.

Oefening 4.

  1. Wat in communiqus van de legerleiding " een tactische of elastische terugtocht " heet, is in
    werkelijkheid niet anders dan een vlucht.
  2. De fabriek van Zeon in Hamburg heeft een ingrijpende sanering of reorganisatie of rationalisatie of afslanking of herstructurering aangekondigd: aan meer dan 3 werknemers zal worden gevraagd naar ander werk uit te zien.
  3. Geluksspelen is een prettiger klinkende benaming voor kansspelen.
  4. Ondanks de economische recessie of laagconjunctuur of malaise zijn het volume van het
    maritiem transport en het aantal eenheden van de koopvaardijvloot in 1974 gestegen.
  5. Een minder harde term voor letterdieverij is plagiaat.
  6. Als we zeggen dat de produktie wordt opgedreven, bedoelen we daarmee dat de verhoging van de produktie op onverantwoorde of onrechtmatige wijze geschiedt en dat zulks voor de tewerkgestelden ernstige nadelen kan hebben.
    Gunstiger klinkt: de produktie vergroten of opvoeren of optimaliseren of maximaliseren.
  7. In plaats van de agressieve omschrijving " Ministerie van Oorlog " geeft men in heel wat landen de voorkeur aan " Ministerie van Landsverdediging of Defensie.
  8. Een zieke die door de dokters is opgegeven, die dus het eindstadium heeft bereikt, wordt in de ziekenhuisterminologie een terminale patint genoemd.
  9. Mensen met weinig geld worden eufemistisch omschreven als "personen met marginale/ beperkte financile middelen " of " economisch zwakken "
  10. Een bedrijf dat zich slechts ten koste van grote inspanningen staande kan houden , wordt een crisisbedrijf genoemd.
  11. Op de gebruiksaanwijzing van de zetpillen stond niet dat ze in de aars moesten worden gestoken, maar wel dat ze anaal moesten worden toegediend.
  12. De directeur stelde zijn ondergeschikten aan ons voor als zijn medewerkers (Corr. Taalgebr. opgave 85)

nu ook: loonbeheersing ipv loonbesparing of inlevering.

Terug naar inhoudstafel