Een eigenzinnig dialect: Het Gents
( Johan Taeldeman & Jacques Van Keymeulen)

 

Een taaleiland

Het Stadsgents is erin geslaagd om in de eerste helft van de 20ste eeuw uit te waaieren naar de voorsteden die al vr de Tweede Wereldoorlog aan de stad vastgegroeid waren: Ledeberg, St.-Amandsberg en Gentbrugge spreken vandaag de dag dus Gents. In Mariakerke en Wondelgem, die pas na de Tweede wereldoorlog tot de agglomeratie zijn gaan behoren, is de vergentsing veel geringer: De oudere generatie spreekt nog het oude plattelandsdialect. Gemeenten als Drongen, Zwijnaarde, Oostakker,... zijn qua taal helemaal 'boers' gebleven - zoals de Gentenaars het wel eens durven uit te drukken.

Gent is een taaleiland en dat zal wel zo blijven tot ..... het Gents uitsterft, maar daar is voorlopig geen gevaar voor. Het Gents verschilt op zeer vele punten van de omliggende Oost-Vlaamse dialecten. Steden zijn dikwijls taaleilanden om twee redenen. Allereerst is een stadsbevolking vrij heterogeen en is de sociale controle gering; daardoor kunnen allerlei taalveranderingen gemakkelijker ontstaan en doorbreken dan op het platteland. Voorts zetten stad en platteland zich dikwijls teggen elkaar af en willen zich ook op het gebied van taal ten opzichte van elkaar manifesteren. Gent is speciaal omdat het eilandkarakter van het dialect (nog) niet wordt aangetast. Het Stadsantwerps daartentegen raakt verspreid over de hele provincie; het dialect van Brugge verdwijnt dan weer ten gunste van een soort algemeen Noord-West-Vlaams.

 

Drie Historische Lagen

Er kunnen in het huidige Gents drie taallagen van verschillende ouderdom en makelij aangewezen worden: een Oudvlaamse, een (Zuid-West)Brabantse en een autochtone Oost-Vlaamse.

Gents is duidelijk van oudsher een 'Vlaams' dialect ( tegenover Brabants en Limburgs). Dat wordt bewezen door de aanwezigheid van 'Kustwestgermaanse' kenmerken als de uitspraak van puppe 'pop', wulle 'wol' of bleuze 'blozen' en door de afwezigheid van typisch Brabantse (umlaut)verschijnselen als in gruun 'groen' of bekker 'bakker, die we pas aantreffen in de denderstreek. De Vlaamse basis van het Gents is zeer oud: in de Middeleeuwen moet het Gents goed op het huidige West-Vlaams geleken hebben, zoals de taal van de Gentse Keure van 1237 bewijst.

Oost-Vlaanderen is vanaf de 16de eeuw zwaar benvloed door de Brabantse dialecten, die van toen af toonaangevend werden ( toen is bv. de Oudvlaamsed uu als in uus  'huis' in Oost-Vlaanderen door een ui vervangen ( de diftongering). Gent speelde daarin een voorhoederol; het eilandkarakter van het Gents is dus voor een deel te verklaren doordat het 'Brabantser' is dan het omliggende Oost-Vlaams. Enkele voorbeelden:

  1. 'zware' (twee)klanken in bv. Gents aas 'ijs' en oas 'huis', tegenover Oost-Vlaams ijs en uis.

  2. een lange ie en uu in bv. Gents bried 'breed' en bruud 'brood' tegenover de Oost-Vlaamse tweeklanken in bried en bruud

  3. tweeklanken in bv. Gents beike 'beek', tegenover Oost-Vlaams beege (beke)

  4. de eind-n valt weg in bv. Gents giete 'gieten' en baake 'bakken', tegenover Oost-Vlaams giedn en bagng

De vier bovenstaande verschijnselen zijn Gents en .... Brussels!

Naast de Brabantse expansie zijn er in Oost-Vlaanderen nog taalveranderingen van eigen bodem opgetreden ( vermoedelijk tussen de 16de en 18de eeuw), die tot de westelijke 2/3 van de provincie beperkt zijn gebleven. Het zijn vooral die verschijnselen die tegenwoordig door de Gentenaars als 'boers' worden beschouwd. We stippen maar n markant verschijnsel aan. Op het platteland rond Gent worden de g, ng, w en j tussen klinkers weggelaten ( waardoor de voorafgaande klinker gerekt wordt) als in lien 'liegen', zn 'zingen', aa 'oude', bloen 'bloeien'; in het Gents klinkt het echter liege, znge, we, bloeje.

Gent ontleent zijn eilandkarakter dus ook aan het feit dat de jongere Oost-Vlaamse taalvernieuwingen in het stadsdialect niet voorkomen. Het is echter zeer opmerkelijk dat het verspreidingsgebied van die innovaties samenvalt met het sociaal-economische achterland van Gent en zijn satellietsteden Eeklo, Deinze en Oudenaarde. Het is ondenkbaar dat Gent, dat midden in het gebied ligt, niets met die 'boerse' verschijnselen te maken zou hebben gehad. Integendeel, waarschijnlijk zijn ze ooit in Gent zelf ontstaan en zijn ze vervolgens naar het platteland uitgestraald. Toen de Gentenaars echter begonnen  te merken dat de plattelanders ' Gents ' begonnen te praten, hebben ze die verschijnselen weer afgestoten. De Gentenaars wilden geen 'boeren' zijn. Als voorbeeld daarvan kan de Platgentse uitspraak znghe 'zingen' dienen; de oude ng is niet alleen hersteld, maar wordt zeer nadrukkelijk uiitgesproken door er nog een g-klank aan toe te voegen.

 

Burgergents en Platgents

Binnen het Gents zijn er ook interne verschillen: zowel geografische als sociale. Aan de Brugse Poort en de Muide praat men anders dan in Ledeberg. Er is ook een verschil tussen Burgergents ( meer middenklasse dan arbeidersklasse, meer vrouwen dan mannen) en Platgents ( lagere klasse, meer mannen dan vrouwen, meer ouderen dan jongeren). In het Gents zijn alle klinkers lang: 'zat' en 'zot' klinken als zaat en zt. Hoe langer de klinker echter wordt aangehouden, hoe platter men het vindt. Men beweert wel eens dat dat gerekt spreken ontstaan  is in de fabrieken waar de arbeiders boven het geraas van de weefgetouwen probeerden uit te roepen, maar dat is waarschijnlijk een mythe. Ook in andere steden, zonder textielfabrieken ( bv. Brugge, Antwerpen, Aalst) komt dat gerekte spreken voor, en vindt men dat ook plat.

Enkele andere verschillen tussen Burgergents en Platgents zijn resp.: appel tegenover appol, znge 'zingen' tegenover znghe, vse 'vissen' tegenover vsche, oend 'hond' tegenover tegenover oengd, schuune 'schoon' tegenover sjchuune...

En natuurliijk: een beetje Frans

Het Gentse stadsdialect is ook benvloed door het Frans. Hoe kan het ook anders in 'la ville flamende la plus franaise', waar op het einde van de 19de eeuw ongeveer 20% van de bevolking ( een soort) Frans sprak. Die Franse invloed is vooral merkbaar in de woordenschat. Enkel in Gent wordt aan kinderen een vivelamoer ( 'oorveeg' uit fr vive l'amour) of een accent circonflexe ( dubbele oorveeg) toegediend.

Het markantste klankverschijnsel van het Gents komt ook uit het Frans. In het jaar 1908 constateerde Oscar De Gruyter ( een taalkundige) dat de Gentse jonge vrouwen met een Franse 'r' begonnen te spreken. De Franse geschraapte r is uitgegroeid tot het meest verspreide Gentse kenmerk, dat blijkbaar aan een expansie begonnen is. Zelfs de Turkse Gentenaars worden naar verluidt in Turkije als Gentenaars herkend omdat ze ook in hun Turks de Gentse r gebruiken.

opdrachten

  1. Vragen bij de tekst

zunne, (zon) dinne (dun) vuut (voet) wijd (ver) butter,beuter (boter) menneke (mannetje) of (af)

Ze woont in een mooi huis. Ik ga er elke week, want ze gaat mij leren bakken.

  1. Loetsebollekezoetse

Duid in de liedjestekst de typisch Gentse taalkenmerken aan.

Loetsebolleksoetse ( Biezebaaze )

'k u liere kenne, an de Veuroat in ne caf
Gaa woar guul alliene, ik oa ne moat of draaie mee.
'k woare nog moar binnen en 'keek een beetse ruond,
en 'k zag u ginter zitte, 'k krege 't woater in maane muond.

Ge druonk van uwe kaffee en 'k zaaie: " juonges ezuu een laaf!".
'k moest iets uonderneme, want ge woar veur maa.
'k wiste nie wa zegge, dat es van maan gewente nie,
moar 'k ben maa kome zette en 'k zaaie: "meiske, loastert hier!"

Refrein
Scheetse, loetse, bolleke, zoetse,
lieveke, schatse, boterkoekske,
wilde mee maa traawen oastemblieft?
Want scheetse, loetse, bolleke , zoetse,
lieveke, schatse, boterkoekske,
'k liever een vraauwe dan e lief!

G't maa zitte bekaake, van waa ne schwen s maa da,
mee zaan gruute moale en zaanen tralala.
Moar ge moest uuk lache, ge vuond et toch een beetse waas,
en als ik zag lache, zaa ik: "jonges, w'm hier praas!

Refrein

En dienen ovond es't ons algelaak gebeurd,
en vanaf toens kraage z'uons nuunt nemier oatien gescheurd.

We zaame n al draa joar tuupe en 't goat precies nog goe,
't zal wel blaave duure, oam' alletwie ons beste doen.
Moar 'k ghoa aat vasthaawe, ge weet nuunt, dat es woar.
Moar normaal gezien blaave'm altaad baa malkoar.