BOVENLEIDING
Klassieke 3 kV - bovenleiding
Vernieuwde 3 kV - bovenleiding
En wat bij 25 kV ?
Overgangszones
| De meeste lijnen zijn momenteel uitgerust met een compound-bovenleiding (CC). Deze bovenleiding is geschikt voor 160 km/h. De bovenleiding wordt opgehangen aan portieken of aan consoles. Een portiek bestaat meestal uit een dwarsbalk die bovenaan de bovenleidingspalen bevestigd wordt. | ![]() |
| Bij consoles wordt de dwarsbalk met trekstangen aan de bovenleidingspaal bevestigd. Een enkelspoorconsole zorgt voor de ophanging van de bovenleiding boven één spoor. Er bestaan ook dubbelspoorconsoles (foto) of meerspoorconsoles. | |
| In de grote roosters komen er ook kabelportieken voor. Aan beide zijden van de sporen worden er hoge palen geplaatst. Zij worden met een lange kabel verbonden. Analoog als bij de bovenleiding werkt men vervolgens met hangers en hulpdraagkabels om de juiste ophangpunten te bekomen. De bovenleiding wordt opgehangen en gericht op deze dwarskabels. | |
| Aan de dwarsbalk worden er verticale steunarmen
bevestigd. Zij zorgen voor de zijwaartse kracht die de bovenleiding op de
gewentste plaats boven het spoor richt. Deze zijwaartse bevestiging van de
bovenleiding gebeurt met behulp van een isolator zijwaartse bevestiging
en met richtstangen. De rijdraden worden niet midden boven het spoor gehangen, maar wel met een bepaalde excentriciteit. De excentriciteiten zijn normaal -20, -17, -8, 0 , +8, +17 en +20 cm. Op winderige plaatsen gebruikt men alternerend -20 en +20 cm. De panto's slijten hierdoor in het midden wel sneller af (meer doorgangen door nul). |
![]() |
| Bij een klassieke excentriciteit en een wind
haaks op het spoor in een stuk met +17 tot +20 cm, kan de pantograaf echter naast de
bovenleiding glijden. De wind kan deze bovenleiding kan immers vlug tot 30 cm uit de as
van het spoor blazen. Door het toepassen van excentriciteit verloopt de slijtage van de
pantografen gelijkmatig over het ganse contactoppervlak. De bovenleiding zelf wordt rechtstreeks aan de dwarsbalk opgehangen. Een compound-bovenleiding bestaat uit een hoofddraagkabel, een hulpdraagkabel en de eigenlijke rijdraden. De hoofddraagkabel wordt opgehangen aan de dwarsbalk. Met hangers wordt de hulpdrager min of meer horizontaal gehouden. De twee rijdraden worden met schuivende hangers aan deze hulpdraagkabel bevestigd. Meer info : Meten dikte rijdraad |
|
| De rijdraden zelf zijn geregeld, dat wil
zeggen dat ze met behulp van gewichten op constante trekkracht gehouden wordt.
Daartoe dient er om de 1200 à 1500 meter een spanuitrusting geplaatst te
worden. De rijdraden worden met een spantoestel met tegengewichten op
een constante trekkracht van 10.000 Newton per rijdraad gehouden. Halverwege worden
de rijdraden vast bevestigd. Aan beide zijden wordt er een gewicht van 500 kg
via een overbrenging 1 op 4 bevestigd. Deze gewichten zijn gemeenschappelijk voor
beide rijdraden. De nieuwe spantoestellen hebben een overbrenging van 1 op 5. Foto : spantoestel bij R3-bovenleiding |
![]() |
| Hoofddraagkabel en hulpdrager zijn niet
geregeld. Als de buitentemperatuur stijgt, rekken deze kabels uit en daalt de
trekkracht. Zij zullen bij warm weder meer doorhangen. Op secondaire lijnen, in roosters en in de zijsporen in de stations maakt men vaak gebruik van een enkelvoudige bovenleiding. De hulpdrager wordt weggelaten. De rijdraden worden rechtstreeks opgehangen aan de hoofddraagkabel. Deze bovenleiding is geschikt voor 90 km/h. |
|
Technische gegevens CC-bovenleiding:
Draagkabel |
materiaal |
cadmium-brons |
Hulpdrager |
materiaal |
cadmium-koper |
Rijdraad |
materiaal |
elekrolytisch koper |
Luchtaardingskabel |
materiaal |
Almelec |
Hangers |
Type |
kabel |
Spanwijdte |
maximaal |
63 m |
Vernieuwde 3 kV - bovenleiding
Technische gegevens R3-bovenleiding:
Draagkabel |
materiaal |
cadmium-brons |
Rijdraad |
materiaal |
koper - zilver |
Feeder |
materiaal |
Almelec |
Luchtaardingskabel |
materiaal |
Koper of Aluminium |
Hangers |
type |
kabel |
Spanwijdte |
maximaal |
63 m |
Een R3 CuAg150-bovenleiding werd toegepast op het baanvak Brussel-Halle. Deze bovenleiding heeft dikkere rijdraden (2 x 150 mm²) en is ook iets sterker om slijtage door de hardere pantograaf van de TGV-réseaux te beperken. De toegelaten snelheid bedraagt 220 km/h.
Weerstandswaarden bovenleiding (in ohm per kilometer) :
Bovenleiding |
Bovenleiding met feeder 366 mm² Cu |
|||
Enkel bovenleiding |
Met terugstroom |
Enkel bovenleiding |
Met terugstroom |
|
Compound |
0,050 |
0,062 |
0,030 |
0,042 |
R3 |
0,058 |
0,070 |
0,032 |
0,044 |
| Alle 25 kV-bovenleidingen zijn eigenlijk variantes van deze
volledig geregelde bovenleiding. Door de hogere spanning is de stroom beperkter en
kan er gekozen worden voor een dunnere bovenleidingssectie. Eén rijdraad volstaat. Aan de
buitenzijde van de bovenleidingspalen wordt er vaak een feeder opgehangen. Deze
luchtfeeder staat in tegenfaze met de bovenleiding. Het energietransport gebeurt eigenlijk
op 50 kV. De voeding van de treinen op 25 kV. De rijdraad wordt nu gemaakt uit koper-zilver. Dit wordt in de toekomst vervangen door koper-magnesium. Hierdoor kan de trekkracht bijkomend verhoogd worden. De rijsnelheid kan toenemen van 300 km/h tot 330 km/h. De hoogte van de rijdraad blijft constant (om loslaten en stoten te vermijden). De maximale hoogte bedraagt 5,12 meter (stuit op sommige pantografen). |
Technische gegevens :
Draagkabel |
materiaal |
tin - brons |
Rijdraad |
materiaal |
Koper-zilver |
Feeder |
materiaal |
Almelec |
Luchtaardingskabel |
materiaal |
Almelec |
Hangers |
type |
kabel |
Spanwijdte |
maximaal |
56 m |
Op de Ardense 25 kV-lijnen wordt er een lichtere versie bovenleiding toegepast. Ook de trekkracht is lager. Er worden geen speciale legeringen toegepast. Deze bovenleiding is geschikt voor 120 km/h. |
| Bij overgang van een 3 kV-bovenleiding naar een 25 kV-bovenleiding wordt er een spanningsscheidingszone of neutrale zone voorzien. Over een afstand van 50 tot 100 meter wordt de bovenleiding onderbroken. De geïsoleerde zone in de sporen is minstens even lang als de langste toegelaten trein en dit vooral om het doorgeven van 50 Hz-componenten vanuit de 25 kV-spoor naar het 3 kV-spoor te vermijden. Deze 50 Hz-componenten kunnen de spoorstroomkringen storen. Er worden bijkomend nog filters geplaatst. Deze zone wordt met neergelaten panto bereden. |
|
| De bovenleidingsspanning gevoed uit het ene
onderstation kan in tegenfaze staan met de spanning gevoed uit het volgende
onderstation. Om kortsluitingen te vermijden, wordt er een fazescheidingszone
aangelegd. Deze zones worden zonder stroomafname bereden. De pantograaf
blijft omhoog. De bovenleiding in de fazescheidingszone is zwevend. Indien er
een trein stilvalt in deze korte zone, kan ze onder spanning gezet worden. Ook voor de deur van het onderstation (vb. te Chièvres) kan er een fazescheidingszone gebouwd worden. De voeding voor de bovenleiding in de ene richting worden dan tussen twee fazen afgetakt. De voeding voor de bovenleiding in de andere richting worden dan tussen twee andere fazen afgetakt. Er ontstaat een voeding in V. |
|