Didactiek
Start ] Wat is korfbal ] Geschiedenis ] [ Didactiek ] Korfbaltechnieken ] Oefenstof ] Film ] Links ] Spelregels ]

 

Inleiding 

Balvaardigheid - Werpen en Vangen

Technieken

Korfbalvormen

Verdedigen / Aanvallen

 

 

Inleiding

Dat korfbal een ideale schoolsport is werd reeds besproken in de inleiding, echter vaak ervaren de leerlingen dit jammer genoeg niet zo. Ze beheersen de technieken te weinig, kennen de regels niet goed genoeg om tot veel spelplezier te komen. Het is bij korfbal op school dan ook zeer belangrijk om geen stappen over te slaan in de didactische opbouw, niet sneller te gaan dan de leerlingen aankunnen en vooral nooit het spelelement uit het oog te verliezen.

 Mijn jarenlange ervaring als jeugdtrainer, het regelmatig geven van korfbalkampen aan niet-korfballers en enige ervaring met korfbal op school, geeft mij een zeker inzicht in wat volgens mij de beste volgorde en methode is om korfbal aan te brengen op schoolniveau, op zo’n manier dat de kinderen toch steeds gemotiveerd blijven. Ik zal in dit hoofdstuk achtereenvolgens een aantal korfbalvormen en didactische wenken beschrijven, in een methodische volgorde die mij het meest aangewezen lijkt.   

Terug naar boven

Balvaardigheid – werpen en vangen

De basis van iedere balsport blijft altijd een zeker balvaardigheid. Wie niet kan werpen en vangen, wie geen passen kan geven, wie niet overweg kan met een bal, zal nooit goed kunnen korfballen. De inleiding tot een les korfbal bestaat dan ook vaak uit een deel werpen en vangen en balbehendigheid. Oefeningen balbehendigheid en werpen en vangen zijn noodzakelijk, maar er moet wel op gelet worden dat de les niet te statisch wordt. Na een tijdje kan men daarom  best overschakelen naar enkele werp- en vangspelen. Vooral in het lager onderwijs zijn deze erg geschikt als lesbegin.

Tien-passenspel is hierbij een perfect beginspel. De leerlingen worden in twee ploegen verdeeld. Een ploeg die het eerst tien passen na elkaar kan geven zonder dat de bal op de grond valt of zonder dat een tegenstander de bal onderschept scoort één punt. Dit spel is uitermate geschikt als basis voor korfbal omdat veel van de elementaire regel van het korfbal ook hier reeds kunnen in verwerkt worden. Men mag niet lopen met de bal, geen lichaamscontact toegelaten, met mag de bal niet uit de handen slaan, … Bovendien kan de leerkracht tijdens een spel als dit al perfect de leerlingen wijzen op hun ruimtegebruik. Meestal zullen de leerlingen zich als een zwerm rond de bal bevinden. Even het spel stilleggen en de kinderen hierop wijzen kan voor de leerlingen enorm verhelderend zijn. Het nadeel van tien-passenspel is dat er niet kan gedoeld worden, en daarom gaat het bij sommige leerlingen al snel vervelen.

 Er zijn echter genoeg werp- en vangspelen waarbij er wel gedoeld wordt en die dezelfde voordelen hebben als tien passenspel.

Kegelbal, waarbij de ene ploeg de kegels van de andere ploeg moet omver werpen. De kegels staan op een bank in een afgebakende doelzone waar niemand mag inkomen. Ook hier gelden de elementaire regels van het korfbal, met uitzondering van het verdedigd doelen uiteraard.

Plintbal, waarbij er één speler in een afgebakend gebied op een plint staat. De leerlingen kunnen een punt scoren door van buiten het afgebakend gebied hun ploeggenoot op de plint aan te spelen.

Kopbal, er wordt gespeeld naar twee grote doelen, aangeduid door twee kegels. De leerlingen mogen weer enkel passen geven, niet lopen of dribbelen met de bal. Een doelpunt kan enkel gescoord worden door de laatste pas binnen te koppen. Dit spel kan ook altijd op zeer veel enthousiasme rekenen van de voetballers in de klas. De mogelijkheden van dit soort werp- en vangspelen zijn eindeloos. Al deze spelen vormen een perfecte inleiding op een les korfbal.

Terug naar boven

Technieken

De techniek die men best eerst aanleert in een les korfbal is het bovenhandse shot uit stand. De meeste leerlingen zijn hier vrij snel mee weg (wel opletten dat het geen basketshot wordt!) en na een korte technische inleiding kan er snel overgeschakeld worden naar tal van spelvormen. Doelen om ter snelste, verdubbelen, popcorn,… (voor een uitgebreide lijst van shotspelen zie hoofdstuk 5.3). Wel moet er op gelet worden dat de leerlingen hun technische uitvoering niet gaan verwaarlozen tijdens de verschillende spelvormen.  

De twee volgende twee basistechnieken die aangeleerd worden zijn achtereenvolgens de strafworp en de doorloopbal. De strafworp is een beweging die de meeste leerlingen vrij snel beheersen en kan daardoor ook snel toegepast worden in tal van spelvormen (eventueel gecombineerd met shotspelen). De doorloopbal daarentegen is reeds iets moeilijker. Veel kinderen maken bij het uitvoeren van een doorloopbal een loopfout. Deze techniek moet dan ook iets meer analyserend aangebracht worden. Eerst zonder bal, om het juiste passenritme te pakken te krijgen, en in een latere fase met bal. Het spelelement komt hier iets later dan bij het shot of bij de strafworp.

 Als de drie technieken eenmaal gekend zijn kan men na een inoefenfase (in spelvormen) overgaan tot een eerste vorm van monokorfbal. Een vierde techniek die aangeleerd kan worden aan de leerlingen is die van de uitwijkbal. Hiervoor moeten ze echter reeds het bovenhands shot uit stand beheersen. Persoonlijk ben ik geen voorstander van het aanleren van de uitwijkbal op het niveau van het lager onderwijs. De meeste kinderen beschikken op die leeftijd immers niet over voldoende kracht om tot een goede uitvoering van een shot op één been te komen. Met als gevolg een fout, geforceerd shot. Men kan beter wachten met de uitwijkbal tot in het secundair onderwijs. Als men toch al zou overgaan tot de uitwijkbal in het lager onderwijs kan men best de leerlingen niet op één been laten schieten, maar hen aanleren van een tweede voet bij te plaatsen zodat de uitwijk gevolgd wordt door een shot op twee benen.

 Noot: De uitwijkbal in het secundair onderwijs werd vroeger altijd aangeleerd nadat het shot uit stand beheerst werd. De stap van een shot op twee benen naar een shot op één been is echter te groot om in één keer aan te leren. Het korfbal is de laatste 10 jaar enorm geëvolueerd op dit gebied. “Wegspringen op de bal en afstand maken tijdens het shot” is de sleutel van het moderne korfbal. Jammer genoeg wordt dit op school nog bijna nooit zo aangeleerd. Het enige wat de leerlingen leren is een shot uit stand of een shot na uitwijk, waarbij ze niet vrij geraken omdat ze bijna geen afstand creëren op hun shot. Dit leidt ertoe dat de leerlingen korfbal als saai ervaren en de regel van het verdedigd doelen vaak belachelijk vinden. Ze beschikken immers niet over de techniek om zich zonder een aanvalsbeweging toch vrij te spelen. Korfbal is enorm geëvolueerd, schoolkorfbal jammer genoeg nog niet. Het is echter perfect mogelijk om in het secundair onderwijs de leerlingen reeds aan te leren hoe weg te springen op de bal, hoe afstand te maken op een shot. Als ze deze techniek beheersen zullen ze tijdens de wedstrijdvormen ook veel meer mogelijkheden hebben. De verdediger zal het moeilijker krijgen, zal keuzes moeten maken, en hier kan de aanvaller dan weer op reageren/anticiperen. Dan pas kan er begonnen worden met het aanbrengen van korfbal zoals het nu gespeeld wordt. De progressie van een shot uit stand tot een shot uit beweging werd reeds op een prachtige manier beschreven door Rudy Ramaekers. In mijn hoofdstuk over de verschillende korfbaltechnieken kom ik hierop terug en leg op een initieel niveau uit hoe deze progressie het best kan aangebracht worden.   

Terug naar boven

Korfbalvormen

De eenvoudigste vorm van korfbal is monokorfbal[1]. Het terrein is hierbij niet ingedeeld in vakken. De hoogte van de korven kan variëren al naargelang de vaardigheid van de leerlingen. Men kan zelf varianten aanbrengen om bepaalde elementen te accentueren. Zo kan men verdedigd doelen al dan niet toelaten, een doelpunt van een meisje voor twee laten tellen, iedereen moet de bal raken alvorens er gescoord mag worden, de korf raken is één punt, doelpunt is twee punten, … Het grote voordeel van monokorfbal is dat iedereen deelneemt aan het spel. Nadeel is echter dat het vrij zwaar is, en dat een goed opgebouwde aanval meestal niet voorkomt. In een latere fase is monokorfbal dan ook minder geschikt.  

Buiten het veranderen van regels kan men nog tal van varianten verzinnen op het monokorfbal. Zo bijvoorbeeld het monokorfbal naar 4 korven³. Er wordt ook gespeeld met twee ploegen. Elke ploeg heeft nu twee korven om naar te scoren. Deze korven staan enkele meters uit elkaar. Deze vorm van monokorfbal is vooral geschikt om het ruimte-inzicht en ruimtegebruik te verbeteren. De aanvallers worden bovendien verplicht om hun aandacht over meer dan één korf te verdelen. De verdedigers gaan keuzes moeten maken waarop de aanvallers dan weer gaan reageren.

Een andere variant is het driehoeksmonokorfbal³.  Hierbij wordt er in drie ploegen gespeeld. Iedere ploeg verdedigt zijn eigen korf, en mag scoren in de twee andere korven. Variaties hierop kan uiteraard zijn met nog meer palen, of zelfs met twee ballen in het spel. Ook deze vormen zijn geschikt voor het verbeteren van ruimtegebruik.

Zoals reeds vermeld is het nadeel van monokorfbal dat er meestal geen goede opbouw in de aanval zit.

Als het de bedoeling is om positiespel in te oefenen en al iets meer wedstrijdgericht te werken kan men daarom beter overschakelen op éénvakskorfbal. Hierbij wordt er reeds gespeeld in een 4-4 situatie, maar het is nog geen wedstrijdvorm, er worden steeds specifieke opdrachten meegegeven. Zo kan men bijvoorbeeld een verdedigend viertal de opdracht geven om vooral het shot te gaan verdedigen, of juist om geen doorloopbal tegen te krijgen. Men kan gedurende enkele minuten met het zelfde aanvallende viertal spelen en dan wisselen van functie. Deze vorm is ook zeer geschikt om het positiespel bij te schaven. Er kan ook al een licht spelelement aan toegevoegd worden, b.v. ieder viertal krijgt drie aanvallen, als er een doelpunt wordt gescoord telt dat niet als extra aanval. En dan kijken wie na drie aanvallen het meeste heeft kunnen scoren. Een andere mogelijkheid van het éénvakskorfbal is het spelen met ongelijke aantallen. Bijvoorbeeld een 3-4 situatie. De vier aanvallers zullen nu moeten leren hun numerieke meerderheid zo goed mogelijk uit te spelen. Ze moeten erop letten dat ze vooral de rebound steeds gaan winnen op deze manier. De verdedigende partij zal er dan weer een manier moeten vinden om ervoor te zorgen dat de aanvallende partij niet blijft aanvallen en dat de bal toch kan onderschept worden, door na een shot de rebound te gaan aanvallen. Ook een 3-3 situatie of een 2-2 situatie is perfect mogelijk om te spelen, al is dit echter meer geschikt voor de iets gevorderde korfballer. Deze vormen zijn vooral geschikt om het verplaatsen na het spelen of doelen aan te leren.  

De eindvorm waar naartoe gestreefd wordt is uiteraard het twee-vakkenkorfbal. Alle regels gelden nu zoals in het echte korfbal. Er kunnen echter steeds nog lichte wijzigingen aangebracht worden. Zoals bijvoorbeeld het wisselen van vak na twee doelpunten, dit kan eventueel vervangen worden door om de vijf minuten wisselen als blijkt dat er niet snel genoeg gescoord wordt. Ook het laten dubbel tellen van een doelpunt van een meisje kan nog steeds. Twee-vakkenkorfbal is zowel geschikt voor het basis- als het secundair onderwijs.    

Terug naar boven

Verdedigen / Aanvallen 

 Het leren verdedigen is op schoolniveau misschien wel het moeilijkste aan korfbal. Men verdedigt bij korfbal immers niet enkel individueel, maar ook met het ganse vak. De verdedigers van de spitsen zijn afhankelijk van wat hun medeverdedigers achter hun rug doen. Er moet vertrouwen zijn in de rest van het vak. Dit op schoolniveau aanbrengen is haast onbegonnen werk. Daarom zal men vooral de 1-1 verdediging moeten aanleren op school. Iedereen is verantwoordelijk voor zijn rechtstreekse tegenstrever.  

Bij de 1-1 verdediging moet er vooral naar gestreefd worden dat de verdediger een goede houding aanneemt. De verdediger volgt zijn aanvaller, steeds met ongeveer een meter tussen. Hij buigt wat door de benen, zodat er voorspanning op de bovenbenen is en hij constant klaar staat om snel te reageren. Hij mag niet reageren op schijnbewegingen van de aanvaller. Enkel wanneer zijn rechtstreekse tegenstrever wordt aangespeeld gaat hij gecontroleerd aansluiten in de verdedigende houding. Belangrijk hierbij is dat de verdediger constant controle heeft over zijn lichaam en in balans is. Gaat hij springen of ongecontroleerd naar de aanvaller toe bewegen,dan maakt hij het de aanvaller zeer makkelijk om hem te passeren. 

 Het verdedigen kan in een beginfase best aangeleerd worden zonder bal. De leerlingen zetten zich per twee. Eén aanvaller, één verdediger. De aanvaller loopt steeds de hele lengte van de zaal over, de verdediger loopt achteruit mee in verdedigende houding en zorgt dat hij niet voorbijgelopen wordt door de aanvaller.Belangrijk is dat de verdediger diep zit, en dat zijn twee voeten steeds op de grond blijven, hij schuifelt als het ware achteruit. Eerst loopt de aanvaller rustig, zonder te sprinten. Dan iets sneller. Vervolgens mag de aanvaller reeds wat schijnbewegingen maken om de verdediger links of rechts voorbij te lopen. Hierbij wisselt de verdediger steeds van voorste been. Wilt de aanvaller hem langs rechts voorbij (bekeken vanuit het standpunt van de verdediger) dan schuift de verdediger achteruit met z’n linkerbeen voor. Wilt de aanvaller plots voorbij langs links, dan wisselt de verdediger snel en in controle van voorste been. De verdediger zorgt altijd dat hij niet kan voorbij gelopen worden langs zijn zwakke kant, namelijk zijn rugkant.

Een volgende stap is dat de aanvallers tempowisselingen gaan inlassen. Soms snel, dan weer even stilvallen, dan weer snel.  De aanvallers mogen wel nog steeds maar voor en achteruit bewegen. Een volgende stap is dat de aanvallers ook reeds een beetje links en rechts mogen bewegen, zodat het nog moeilijker wordt voor de verdediger.  

Na de aanleerfase zonder bal wordt er aan de palen geoefend. Ideaal is per drie aan een paal, waarbij er één leerling aangeef is en de rebound vangt, één aanvaller en één verdediger. In de praktijk is dit echter meestal niet mogelijk wegens te weinig materiaal. In dat geval begint men ineens in een 3-3 of zelfs 4-4 situatie de verdediging in te oefenen.

Bij het aanleren van het aanvallen aan de leerlingen is het vooral belangrijk dat de kinderen weten dat er verschillende functies te vervullen zijn in een vak. Iemand moet de rebound innemen, iemand moet in steun komen als aangeef en de twee anderen zijn de spitsen. Laat bij het begin van een aanval de leerlingen even met vier rondspelen, zonder dat iemand de paalpositie gaat innemen. Belangrijk is dat niet iedereen zomaar richting balbezitter loopt, maar dat er een goed ruimtegebruik behouden blijft. Vervolgens gaat 1 leerling de reboundpositie innemen. De andere aanvallers spelen nu verder rond met drie. Nu is er één leerling die in aangeefpositie komt gelopen, liefst zo dicht mogelijk bij de korf. Deze leerling wordt hierop aangespeeld. Er is nu een rebound en een leerling met de bal in de handen als aangeef. De twee andere leerlingen zijn nu de spits en moeten een aanvallende actie ondernemen. 

Bij het maken van een aanvallende actie moet de leerkracht op de vele mogelijkheden wijzen. Een aanvaller die alleen maar in en uit loopt wordt stereotiep en is niet meer gevaarlijk. De mogelijkheden van de aanvaller zijn groot : doorloopbal, wegtrekken voor het shot, uitwijk en shot, uitwijk en zonder aangespeeld te worden ineens naar binnen voor een doorloopbal, twee uitwijken na elkaar, … Belangrijk is dat de aanvaller niet op voorhand beslist wat hij gaat doen, maar dat hij kijkt naar wat z’n verdediger doet. Als een verdediger niet kort komt verdedigen moet de aanvaller niet kiezen voor de doorloopbal, de verdediger heeft toch ruimte genoeg. In dat geval trekt de aanvaller achteruit weg en wordt aangespeeld voor een shot. Komt de verdediger echter zeer kort verdedigen dan kan er wel weer voor een doorloopbal gegaan worden, of voor een uitwijk al naargelang hoe de verdediger reageert.  

Terug naar boven


[1] Gebaseerd op: Basisboek Korfbaltraining