Spelregels
Start ] Wat is korfbal ] Geschiedenis ] Didactiek ] Korfbaltechnieken ] Oefenstof ] Film ] Links ] [ Spelregels ]

 

Spelregels: "in woord en beeld".

Een uitgave van de KNKV

Spelers:

a) Het spel wordt gespeeld door twee partijen. Elke partij bestaat uit vier spelers en vier speelsters. De spelers en speelsters worden verdeeld over twee vakken. In elk vak staan van elke ploeg twee spelers en twee speelsters.
De miniemen (6-8 jarigen) spelen in één vak. Elke partij bestaat dan uit twee spelers en twee speelsters.

b) Wanneer één of beide teams incompleet zijn, kan de wedstrijd alleen beginnen of doorgaan als in elk vak minimaal drie spelers/speelsters van elke partij staan en als in geen enkel vak één speelster en twee spelers tegenover één speler en twee speelsters staan.
Dit geldt niet voor de miniemen, die in één vak spelen.

c) Er zijn vier spelersvervangingen per team toegestaan. Daarna kunnen alleen nog spelers worden gewisseld, die wegens lichamelijk letsel niet in staat zijn verder te spelen.
De scheidsrechter moet voor zo'n vervanging zijn toestemming geven. Een vervangen speler/ speelster mag niet meer aan dezelfde wedstrijd deelnemen.
Het aantal vervangingen bij miniemen en pupillen is onbeperkt.

d) De spelers en speelsters van elke partij moeten gekleed zijn in een uniform sportkostuum, dat voldoende te onderscheiden is van dat van de tegenpartij. De spelers/speelsters moeten een aangepast schoeisel dragen.



Scheidsrechter

De scheidsrechter heeft de leiding van de wedstrijd. Hij heeft tot taak:
a) Het keuren van veld, terrein en materiaal.
b) Het handhaven van de spelregels.
c) Het kennis geven van het beginnen, onderbreken en beëindigen van het spel en het beginnen en beëindigen van een time-out door een fluitsignaal.
d) Het optreden tegen wangedrag van spelers, coaches, vervangers en andere personen die bij een ploeg behoren en tegen overlast van het publiek.

Materiaal

De senioren, junioren en scholieren spelen met een bal nr.5 (gewicht 445-475 gram). De cadetten, pupillen en miniemen spelen met een bal nr.4 (gewicht ca. 370 gram).
De bovenkant van de korf bevindt zich op 3m5 boven de grond. De pupillen spelen naar een 3m hoge korf. Voor de miniemen is de korf 2m hoog.
De korf is boven aan een paal bevestigd. Ze heeft een doorsnede van 39-41 cm en is 25 cm hoog. De korf is naar het midden van het speelveld gericht. De paal staat in de lengteas van het speelveld op een afstand van de korte zijde gelijk aan 1/6 van de lengte van het speelveld (senioren t/m pupillen). Bij de miniemen (1 vak) is dit op vier meter.

Speelveld

De veldafmetingen zijn:
senioren >18 jaar 54 x 27 m
junioren 16-18 jaar 54 x 27 m
scholieren 13-15 jaar 50 x 25 m
cadetten 10-12 jaar 40 x 20 m
pupillen 8-9 jaar 40 x 20 m
miniemen 6-7 jaar 20 x 20 m
In de zaal is het veld 40 x 20 m. Behalve bij de miniemen (1 vak): 20 x 20 m.

Wedstrijdduur

De wedstrijdduur verschilt per leeftijdscategorie. Een overzicht in minuten:

senioren nat. Reeksen 2 x 35 min.
A-junioren 2 x 35 min.
reserven 2 x 30min.
gewestelijke reeksen 2 x 30min.
B-junioren 2 x30 min.
scholieren 2 x 25 min.
A-cadetten 2 x 20 min.
B-cadetten 2 x (2 x 10)min.
pupillen 4x 10 min. met 2 doelspelen
miniemen 3 x 10 min. met 3doelspelen

Elke wedstrijd kent een rust (10 min.) tussen de twee helften. Na de rust wordt er van spelrichting gewisseld (en dus ook van korf). Bij de doelspelen van miniemen en pupillen mogen alle aanwezige spelertjes deelnemen.

Opstelling

Het thuisspelende team kiest de korf waarin zij willen doelen gedurende de eerste helft. Zij deelt haar spelers in, waarna het bezoekende team haar opstelling regelt.

Vak- en korfwisseling

Telkens als de scheidsrechter twee doelpunten heeft toegekend, wisselen alle spelers van vak. Na de rust wordt van korf gewisseld, waarbij tevens de spelers van vak wisselen.

Doelpunten

a) De scheidsrechter kent een doelpunt toe als de bal van boven af volledig door de in het aanvalsvak van die partij geplaatste korf is gevallen.
b) Een doelpunt telt ook als de scheidsrechter heeft afgefloten voor een overtreding van een verdediger voordat de bal volledig door de korf is gevallen, wanneer vaststaat dat de bal de handen van de aanvaller, die doelt, reeds verlaten had op het moment van fluiten en zich buiten het bereik van enige verdediger bevond (voordeelregel).
c) Een doelpunt telt niet als:

De scheidsrechter heeft gefloten voor een overtreding van de aanvallende partij of voor het verstrijken van de speeltijd (rust of einde) voordat de bal door de korf is gevallen.

De scheidsrechter, voordat de bal door de korf is gevallen, een overtreding van de aanvallende partij heeft geconstateerd en daarvoor nog niet heeft gefloten.

De scheidsrechter tevoren een onbillijke beoordeling van de aanvallende partij heeft geconstateerd.

De bal eerst onderaf door de korf is geworpen en daarna van bovenaf terugvalt.

d) Het team dat aan het eind van de wedstrijd het meeste geldige doelpunten heeft gescoord, wint de wedstrijd.

Uitworp

De uitworp wordt genomen:

bij het begin van de wedstrijd

bij het begin van de tweede speelhelft

na elk doelpunt

door een speler uit het aanvalsvak vanaf een plaats zo dicht mogelijk bij het midden van de middenlijn.
In het eerste geval wordt de uitworp genomen door de thuisspelende partij. In het tweede geval door de bezoekende partij en in het laatste geval door het team waartegen het doelpunt is gescoord. Voor de uitworp gelden dezelfde bepalingen als voor een vrijworp.

Spelovertredingen

Tijdens de wedstrijd is het verboden om:
a) De bal met been of voet te raken: Als de aanraking onopzettelijk is en zij geen belangrijke invloed op het spel uitoefent, dan blijft zij onbestraft.

b) De bal met de vuist weg te slaan.
      

c) De bal gevallen te bemachtigen: Zodra een ander lichaamsdeel dan de beide voeten de grond raakt, is het vangen of tikken van de bal ongeoorloofd. Als men echter de bal reeds in zijn bezit had, is het toegestaan de bal weg te spelen vanuit gevallen positie. Uiteraard mag men ook eerst opstaan alvorens de bal weg te spelen.
d) Te lopen met de bal: Lopen met de bal is in strijd met de eis tot samenspel. Daarom is verplaatsen met de bal in de handen alleen toegestaan als het zonder die verplaatsing onmogelijk zou zijn de bal vlot te werpen of ermee tot stilstand te komen.

   Bij de toepassing van deze beginselen zijn drie gevallen te onderscheiden.

1) Bij het bemachtigen van de bal staat de speler stil. Hij mag in dat geval één voet naar willekeur verplaatsen, mits de andere op zijn plaats blijft. Draaien op het laatst genoemde been is toegestaan. Opspringen is geoorloofd mits bij het afzetten de op de plaats gebleven voet gebruikt wordt. Komt de speler na de opsprong nog met de bal in de handen neer op een andere plaats dan waar hij afzette, dan moet dit als een overtreding van de loopregel gezien worden.

2) Bij het bemachtigen van de bal is de speler in loop of in sprong: hij komt eerst tot stilstand en werpt of doelt. Eis is daarbij, dat hij onmiddellijk na het bemachtigen van de bal ten volle heeft getracht tot stilstand te komen. Na het tot stilstand komen, gelden voor hem dezelfde regels als hiervoor vermeld zijn.

3) Bij het bemachtigen van de bal is de speler in loop of sprong en werpt of doelt, voordat hij volledig tot stilstand is gekomen. In dit geval mag de speler de bal niet meer in zijn bezit hebben op het moment dat hij voor de derde maal na het ontvangen van de bal een voet op de grond plaatst.



e) Alleen te spelen: Van alleenspel is sprake als een speler bewust vermijdt om samen te spelen, dus als hij tracht om zonder samenspel met de bal op een andere veelal voor hem meer gunstigere plaats te komen.

 Alleenspel geschiedt o.a.:

1) Door de bal weg te werpen met de bedoeling hem elders weer te bemachtigen. Ook als hij daarbij de bal tegen het lichaam van een andere speler of tegen de paal werpt.

2) Door de bal al lopende voort te tikken.

 

Alleenspel is niet strafbaar als:
1) de speler op dezelfde of nagenoeg dezelfde plaats blijft (bv een speler, die stilstaat, gooit de bal van zijn ene hand op zijn andere hand of stuit de bal eerst op de grond en bemachtigd hem daarna weer).
2) Het alleenspel onopzettelijk was. Bv een speler gooit de bal naar een medespeler maar de laatste mist de bal en de eerste bemachtigt de bal weer. Of een speler is tijdens een duel om de bal niet in staat de bal direct te bemachtigen maar tikt de bal voort in een voor hem voordelige richting en bemachtigt daarna de bal.

f) De bal aan een medespeler over te geven zonder dat de bal de grond heeft geraakt of vrij in de lucht heeft gezweefd.


g) Het spel op te houden: Hieronder is te rekenen:

1) Treuzelen bij het overplaatsen.
2) Treuzelen bij het gereedmaken voor een vrijworp.
3) De bal ver buiten het veld te werpen of (terwijl het spel "dood" is) te schoppen.
4) De bal van de aanvaller naar de verdediging terugplaatsen. Tenzij dit geschiedt om het opbrengen beter te doen verlopen.
5) Treuzelen bij het vervangen van een speler.
6) Ver doorvoeren van samenspel, dat onvoldoende gericht is op het scheppen van doelkansen.
7) Ver doorvoeren van samenspel, dat onvoldoende gericht is op het opbrengen van de bal naar het aanvalsvak.
8) Het bewust negeren van duidelijke doelkansen.

                

h) Een tegenstander de bal uit de hand(en) te slaan, te nemen of te lopen. Het criterium is hier of de tegenstander de bal behoorlijk in zijn macht had. Dit kan zowel met één als met twee handen zijn en ook bestaan uit een rusten van de bal op de handpalm of vingers.

i) Een tegenstander te duwen, vast te houden of af te houden. Dit verbod geldt jegens elke tegenstander en onafhankelijk van de plaats waar de bal zich bevindt.

Elke belemmering van de vrije beweging van de tegenstander is verboden, onverschillig of dit al dan niet opzettelijk geschiedt.
Voorbeelden hiervan zijn: wegduwen, belemmeren van een tegenstander in het opspringen of opstaan, uitsteken van een arm of been naar een toe- of voorbijlopende tegenstander, waardoor deze wordt gedwongen tot een grotere omweg om het lichaam van de bedoelde speler te ontwijken.

 

De regel verplicht een speler niet voor een tegenstander plaats te maken, elke speler mag zich opstellen zoals hij verkiest. Alleen als hij zich plotseling in de baan van een lopende tegenstander plaatst zodat een botsing onvermijdelijk wordt, is hij strafbaar.

j) Een tegenstander zwaar te hinderen. Het gaat hier om een tegenstander, die in het bezit van de bal is. Daarbij is het verboden:
1) De tegenstander te belemmeren in het vrije gebruik van zijn lichaam en in het bijzonder het blokkeren van zijn armbeweging anders dan door het blokkeren van de bal.
2) Naar de bal of de werpende arm te slaan, d.w.z. de hinderende arm of hand mag zich tijdens het moment van aanraken van de bal niet naar de bal toe bewegen.



k) Een tegenstander van de andere sekse te hinderen bij het werpen van de bal. Van een overtreding is sprake wanneer de in balbezit zijnde speler daadwerkelijk tracht de bal te werpen. Elke handelwijze, die het werpen bemoeilijkt, moet daarbij als hinderen worden beschouwd.

l) Een tegenstander te hinderen die reeds door een ander wordt gehinderd.

m) Buiten het eigen vak te spelen. Hiervan is sprake als men de middenlijn of de grond buiten die lijnen van het vak aanraakt of daarvan zijn opsprong heeft genomen.
Het spelen kan bestaan uit zowel het aanraken van de bal als het hinderen van een tegenstander.
Het is wel toegestaan:
1) De bal te vangen of te tikken over één van de lijnen, terwijl de speler in zijn vak staat.
2) De bal te tikken, terwijl de speler in zijn sprong niet meer boven zijn eigen vak zweeft en de afzet in zijn eigen vak genomen heeft.
3) Een tegenstander in een ander vak te hinderen, terwijl de speler in zijn vak staat.

n) In verdedigde positie te doelen. Het doelen wordt als verdedigd beschouwd als de hinderende verdediger aan de volgende drie voorwaarden voldoet:
1) Hij moet binnen armlengte van de aanvaller zijn met het gezicht naar deze toegekeerd.
2) Hij moet daadwerkelijk trachten de bal te blokkeren.
3) Hij moet dichter bij de paal zijn dan zijn aanvaller.

o) Te doelen na snijden langs een andere aanvaller. "Snijden" treedt op wanneer een verdediger die zich binnen armlengte afstand van zijn tegenstander bevindt, deze aanvaller niet kan volgen omdat de aanvaller zijn weg zo dicht langs een andere aanvaller kiest, dat de verdediger met laatstgenoemde aanvaller in botsing komt of dreigt te komen en alleen daardoor zijn positie binnen armlengte afstand moet prijsgeven.

p) Uit verdediging of uit een vrijworp te scoren.

q) Te doelen bij het spelen zonder directe tegenstander. Deze spelregel geldt voor het geval de tegenpartij incompleet is.

r) Een doelworp te beïnvloeden door de paal te bewegen.

s) De paal vast te grijpen bij het springen, lopen of afzetten.

 

t) Bij het nemen van een vrijworp of een strafworp de daarvoor gestelde bepalingen te overtreden.


u) Op een gevaarlijke wijze te spelen. Dit treedt op wanneer een aanvaller zijn verdediger, die zich binnen armlengte afstand van de aanvaller bevindt, met vaart in botsing laat komen met een andere aanvaller.

Vrijworp

Als de scheidsrechter een overtreding constateert, krijgt de tegenpartij een vrijworp op de plaats waar de overtreding werd begaan.
De vrijworp moet binnen vier seconden na het fluitsignaal in het spel zijn gebracht. Gebeurt dit niet dan krijgt de tegenpartij een vrijworp.
Alle spelers, de eigen en de spelers van de tegenpartij, moeten op ten minste 2m5 afstand van de vrijworpnemer blijven totdat deze de bal in het spel heeft gebracht. Voor de tegenpartij geldt dat zij mogen inlopen zodra de bal bewogen is. Ook moet de afstand tussen de eigen spelers onderling ten minste 2m5 zijn.

Uitbal

 De bal is uit zodra hij in aanraking komt met een grenslijn van het speelveld of met de grond, een persoon of een voorwerp buiten het speelveld. De inworp geschiedt dan uiteraard door de partij die de bal niet als laatste heeft aangeraakt.

Scheidsrechterworp

Als twee tegenstanders de bal gelijk bemachtigen, onderbreekt de scheidsrechter het spel en gooit de bal op.
Voor hij de bal opgooit, wijst hij twee spelers aan van hetzelfde geslacht en van nagenoeg dezelfde lengte, die in het desbetreffende vak staan.
De overige spelers moeten een afstand van 2m5 in acht nemen en mogen pas inlopen als de bal door één der aangewezen spelers is aangeraakt of de bal de grond heeft geraakt.

           

Strafworp

Bij overtredingen, waardoor een doelkans verloren gaat, moet de scheidsrechter een strafworp aan de tegenpartij toekennen. Bij herhaalde overtredingen, die in het aanvalsspel onbehoorlijk belemmeren, kan hij dat doen.
De strafworp wordt genomen in de lengteas van het veld, op een afstand van 2m5 voor de paal.
Uit een strafworp mag direct gedoeld worden. De nemer van de strafworp mag niet met enig lichaamsdeel de grond tussen de paal en de strafworplijn raken voordat hij de bal heeft losgelaten.
Alle overige spelers blijven op een afstand van 2m5 van zowel de strafworpnemer, als van de paal, als van elkaar. Zij mogen de strafworpnemer niet afleiden of uit zijn concentratie brengen.

Voor het nemen van een strafworp wordt zonodig de speeltijd verlengd.