Strafworp1

Uitgangshouding:

De voeten staan in een lichte spreidstand voorwaarts
De knien zijn lichtjes gebogen.
Het lichaamsgewicht rust op het voorste been.
De bal wordt met beide handen voor het lichaam gehouden ter hoogte van de heupen.
De vingers zijn gespreid om de bal. De pinken wijzen naar beneden, de duimen schuin opwaarts.

 Verloop:

Het voorste been wordt gestrekt, tegelijk helt het lichaam licht naar voorover.
De armen zijn lichtjes geplooid en worden omhoog gebracht.
De bal wordt zo lang mogelijk begeleid.
Het achterste been fungeert als zwaaibeen. De bal moet gelost zijn vooraleer het zwaaibeen de grond weer raakt.

 Foutenanalyse:

De armen worden onvoldoende gestrekt, waardoor de bal niet lang genoeg begeleid wordt en er minder nauwkeurig kan gedoeld worden.
En van de armen wordt krachtiger gestrekt dan de andere, waardoor de bal in een schuine baan gaat.
Het zwaaibeen raakt de grond vooraleer de bal gelost is (loopfout).

 Afbeelding:


Terug

1 Gebaseerd op : Korfbalinitiatie op school, Verbist H. en De Rudder D.