a la
belle hôtesse
een avond maal zes
stoelen
wachten houdt je haard in
spanning
mijn stemmingvolle fles
wellicht
voert ons verder van de
rede
nog voor de volle afdronk
schuiven wankelklare
benen
langs je aardig
bloemenkleedje
mede onder tafel
waar hangt die bel nu
langverwachten
bomen trachten door het
bos
mijn vonk een schouwbrand
waardig
lacht in jou de gastvrouw
los
terug naar 5 voor A 12
aa gevlucht
het wolkje speelt
en lang de weg die windt
van daar naar ginds nog
verder
gezegend vaar je kind
je kleine wimpel schuift
een rimpelloze plas
verdelend
in de helft vooruit
en ander al vergelend
starend na
als ik ook ga
blijft enkel hangen hier
jouw afscheid op de pier
terug naar 5 voor A 12
aaa Excallibur
ik durf omdat
je durft zodat
ik durf omdat
ik dat zo durf
al schijn ik waar ik op
durf
lijken af en toe moet
wijken
om al je dat van daar
mijn pen is vaster dan je
rots
besloten elke stroof
een steen te baren
blozend één met je geloof
in jou klaar en
openmondig
besluiten lippen door mij
heen
de slurf van god te lozen
terug naar 5 voor A 12
aaaa rozenkrans
de koffie weent zich in
mijn tas
en zoute boter kleeft
pruillippend
aan de eens zo scherpe
boorden
van je pasgestreken kus
rommel druilt zich uit de
ether
langs ramen glijdt de
beste tijd
voorbij en zonder om te
kijken
naar de zondag zonder
einde
hier moet dan maar en nu
omdat we toch geen andere
keus
ergens iemand wordt wel
beter
van dit scheuren door de
weken
files wachten niet en
trekken
overtuigend fris op gang
een nieuwe ketting zeven
uren
en langer dan een leven
lang
terug naar 5 voor A 12
aaaaa
a5
op de ladder diep in haar
kom ik voluit aan mijn
trekken
mooier dan getooid in
fiere sporen
armen, rug en
vooraanzicht
de rode striemen van een
weerslag
of onverkapte offensieven
veel knippen hier wat zagen
daar
en rest na lang beraad
enkel nog mijn goede
keuze
beknot geluk net echt
niet overvloedig
al was de neiging nooit
veraf
tenslotte ben ik god niet
terug naar 5 voor A 12
e alomtegenwoordig
jouw ogen
hebben je bedrogen
in het licht
van dit gedicht
jouw verdriet
het was er niet
geweest
je leest het goed
de groet komt na
het afscheid
de tijd van spijt
legt nieuwe leugen
lang loopt een breuklijn
diep en onherstelbaar
bruggen branden
vreugdevol
dromen drogen uit
hangen hol te rillen
in het kille kind
groeien weg en op
zon overbloeit zich na de
top
verwelkt verdort ververt
het hart verschiet
een lied geen stem
steun zoekt leuning
vindt ze niet
en spoelt in zee
mij met je mee
terug naar 5 voor A 12
ee opgeveerd
als een kietelende veer
zo ga je op
zo ga je neer
de sporen die je laat
zijn dieper
dan mijn haat
wat bezielt je
lustig tergen
wat lust je ziel
zo erg in mij
dat ik
ja ik de arme stomme
woorden kunstel
godverdomme
terug naar 5 voor A 12
eee zolderboek
de bladspiegel vullen
letterlijk met
woorden lijk
ontdooien
waar je van smelten moet
en diens meer
des levens
waar ik geen kaas
van heb gegeten
of kinds
dat ons al heel vroeg
heeft bijgebeend
met haast je over
heel veel ennen
of offen zonder eh
(maar meen je dat)
ze denken dat de
nieuwe regels lijnen
keren
uit de doeken zullen doen
wat
hoeken met
spreekwoordelijke
leegte dan weer niet
terug naar 5 voor A 12
eeee
mijn tuin is groen
hoe kan het anders
blauw gras is uiterst
zeldzaam
aan deze zijde van de
scheiding
rest mij nog de haag
waarin ik preken kan
van monnikskap
tot dovenetel
daarom lijkt het mij
bijzonder aangewezen
dat ik in elke toonaard
wijs en verderzwijg
terug naar 5 voor A 12
eeeee huil
niet meer
tot u spreekt nu
de laatste wolf
ik heb nooit willen
dansen
wat er ook gezegd wordt
de drang naar zingen
zat daarvoor veel te diep
ik werd geleid
door pure paringsdrift
telkens de maan vol
overgave lachte even
wel werd zij niet langer
ronder na ons ritueel
ik geef nu op
en word terug de
regenwolk
ik sterf maar
neem weer met mij mee
de hoop dat u dit
toch niet mocht begrijpen
terug naar 5 voor A 12
i het onbekende land
zij scheppen naakt hun
vrouwen
de eendjes eten uiterhand
zie ze parallellen lopen
langs bloemenpaden in dit
land
zijn zij de
vrijheidsstrijders
voorafgegaan door schuim
gebekte stormen met
onwaar
schijnlijk hoge golven
als een witgestreepte
zebra
kan ik slapen in de
sneeuw
straten zullen
dichtgeploegd
mijn velden weggeteerd
hiaten stappen in
soldaten
wier haren grijzen als de
mist
tussen mensen van ons
eiland
onder mannen zonder meer
terug naar 5 voor A 12
ii vloeiend
de zee
gezien
en meeuwiger dan ooit
het eeuwige dat nooit
de kust
berust
in alle vree
te vloeien met haar mee
mezelf misschien
breek golf mijn branding
bedelf me
in windzout en woelde
nimmer
hield ik strand
slimmer
spoelde zand
terug naar 5 voor A 12
iii beestig deugd
uit het sluimerende
stille leven
schuimend gras en bomen
zonder kraag
ploffen voelbaar plots op
Diepensteyn
ferme paardenpoten naar
de Plas
lichtgemaande lijven
keilen kloten
zware aarde achteloos de
hemel in
gracieus massief gebronsd
graniet
onritmisch dravend in ’t
gareel de ochtend
nevel drijvend door hun
groene dreef
verleden
hijgend happen
zachtbezwete neuzen
gulzig slokken briesende
lucht
om als een dansfantoon in
damp
het spoor van graaggedaan
labeur
in mijn gezichtsveld diep
te ploegen
bruingoed bitter de
blonde geur
van rijpend bier en verse
vijgen
goudmoedig nijgen blikken
warm
tussen heer en
Breughelvrouwen
langs de teugels los
van laveloos vertrouwen
terug naar 5 voor A 12
iiii afvaart
geheel oneens de smalle
sprong
van wal naar ziedend
schip
laat hemelsbreed begrip
de loopplank los en
zonder leuning
omzichtig zwalpt nu traag
in schroom de zware vraag
het wederwoord vol schuim
licht het anker als een
luchtbel
wuift de hand weg en
vaarwel
terug naar 5 voor A 12
iiiii omwenteling
met daagse schoenen
bloeien
onweer staan we naast het
tuinpad
mijn pak nog lichter dan
geraakt
en groeiend om mijn das
volzondig in de haag
gegroet ik kus als mus de
vijg
en paard al naakter dan
de man
nog kent de vlaag de
vloed
die geuren doet en goed
na onkleur best kan ik
mij niet bekennen
en wat al maakt het uit
wil je winnen moet je
rennen
harder dan ik kom
zo staat een wereld op
en draait zich telkens om
terug naar 5 voor A 12
o uitzinnig
moedig
waarom leven wij
voor spoedig even
in een lange stille rij
geen start of
staart
waarde waarop
gerekend
vertekend en vergeeld
de eelt van iemand
anders droom
uitzichtloos gericht
vervolgen als voorheen
de platte steen blijft
en rustig
malen is zijn lot
verzakend aan de tijd
die haperhangt
tot erger is weer om
tergend traag gestaag
en nog een laag voort
geleden zonder reden
zonder vraag
alleen een antwoord
daarom
terug naar 5 voor A 12
oo doodsangst
o2
de zonnebloemen zijn verdwenen
uit het leefveld
weggeroofd
ze stormden neer als
drieste stenen
sloegen kronen in mijn
hoofd
geen pastelkleuren
binnenskaders
of lijnen om te troosten
gehoor vliegt ginds te
luisteren
het daget nooit meer in
mijn Oosten
zo zij dan geen verzet
de dag was kort maar wel
heel fel
de nacht loert
wonderbaarlijk goed
begrijpend uit de hel
terug naar 5 voor A 12
ooo weerweg ?
ik sterf mij voort
waaronderweg
vandaag en morgen nog wat
meer
want leven kan niet zo
voorbij
te zeggen dat de zon
fluit
en dat er vogels zijn die
bloeien
uit de nevelstilletjes
rond mij
ze kunnen allemaal de pot
op
voor één dag weer als
vroeger
toen megameters
uitzichtloos
per kale fiets voorbij
het niets
ons wel haast leek
tot
glimlachspieren
scheurden door de bochten
die je koos
ver vloeit de vaart en
kruist altijd
mijn tocht die heenbrengt
naar illusie
recht voor eeuwig zonder
weerblik
juist daarom moet ik ook
nog eens terug
terug naar 5 voor A 12
oooo onbegrip
onder dik respijt van
blaren
dwijnt een zomer vol van
kwijt
geurig rot en kleurig
bruine nerven verven
lijnen
weg en kwijnen
pijn en rust
bomentros zo dromen los
gelaten staan te starig
takken taal
verhaal verdicht
ontluistering schept
licht
tochtig scherpt
de lucht de weetlust
tijd en kaal
de open plek verleegt
ademt niets en kilte
in onvermijdelijke stilte
weegt het zwijgen
lijdelijk af
reeds korten al mijn dagen
met het lengen van mijn
vragen
terug naar 5 voor A 12
ooooo AVE
zonder mij en onze
brokken
veel beter naar het
schijnt
zo is mijn Pa vertrokken
naar het allerkortste
eind
geen woord of laatste
ogenband
de tranenlopen bleven
droog
geen opgeheven
twijfelhand
net voor de blinde bocht
omhoog
nu ik eindelijk zo
doodgraag wil
mijn kleine reus
begroeten
vind ik enkel stil
gesloten
zijn kringloop aan mijn
voeten
terug naar 5 voor A 12
u
de vrouwen in mijn zog
flitsen mooier dan de
jaren
hun ringeloze vingers
naakt
en lippenlange haren
ik schakelsnel begrijp ze
nog
door bochten scheurt de
nood
bij sturen en vrijwielend
onschuldig door het rood
een laatste blik en meer
en toch
iets verder weer naar
start
ons vaste
kraaienpootreflex
remt piepend turbohart
terug naar 5 voor A 12
uu m.z.w.
ze heeft
zo’n mooie borsten
maar dat betekent niets
er zijn veel diepe
zuchten
in haar heuvels op de
fiets
de weg is hol
ook zo is die van mij
dat komt door ’t lange
wijken
van het midden naar opzij
kan ik nu soms uit
stappen
beter toch niet naar de
kust
stilstaande voor herkeuze
kauwt de koe een reuze rust
terug naar 5 voor A 12
uuu hopsasa
de zon gaat onder hier
en ik kom boven water
wat later dan verwacht
maar zachter ook
dan was van wol
en boordevol zo ben ik
dol en dwars en hout en
hars
en kleef je aan en ruk me
los het bos het roept me
bij je weg
de heg die lacht me toe
en zie en hoe ik kissen
moet
mijn hoed heeft zelfs
geen thuis
de ruis van wind en zijig
zachte blaren streelt mij
dieper in de haren
dan je kus
je vrijig volle kus
die ik niet eens
gevraagd heb
je waagt jezelf
het wouder in
de koude spin weeft
langzaam
maar ik ik spring en
dartel
jou vergeten net of je
gister was
en ik je las in rimpels
van een vijver
drijf er weg mee
in de armen van je
treurtronk
geur schonk ik jou
en anders niets
klimop beklimt je witte
bloes
de roes van even
en leven vol van krijgen
geven en dan zwijgen
terug naar 5 voor A 12
uuuu beter
zo
mijn buur en zijn gazon
kennen samen geen pardon
ik koester madelieven
waarop hij schuinzaam
neerkijkt
om heining om de deining
van kruidig on en min
elk ver van stand
gehouden
snoeizeker vóór ‘t begin
de buurvrouw maait met
hem
of eenzaam aardig om
wille van de overzij zo
blijkt
zaai ik bij velen trouw
opgeschoten reikt mijn
droom
nauw verdicht de wortels
wijd
en krom een uitgelezen
boom
van goed te wezen
ouderdom
terug naar 5 voor A 12
uuuuu gevallen
engel
er is blauw en blauwer
hoog de lucht en heel
veel water
ze drinken uit elkanders
mond
alleen de witte Nijl
drijft ongestoord een
stoet kamelen
oostwaarts verder in de
blonde duinen
waar duikt die wind zo
plots van op
het was zo rustig nog
daareven
hoor dan toch hoe vals
herkenbaar
papyrus ruist zelfs
onbeschreven
dan weet ik ook niet
langer
of doelloos zeilen node
moet
dobberend dromen en toch
moeten
zeeën ebben na de vloed
terug naar 5 voor A 12