
terug naar A Koorde terug naar poëzie
Akoordjes
korte
verdichtsels
van
klanken zonder beeld
en
woorden in hun sikkepit
tot
meerder glorie van
nog
onontgonnen wit
staat een schoorsteen
rank en rijzig
waaruit iele witte rook
vluchtig opstijgt naar de hemel
voortaan wil ik mij concentreren
op de schemerzone
van de wetenschap
die lonkende
borsten onder zachte dwang
halfaangesneden liggen laat
in de heimelijk
geschonken misdaad
van een rijke
décolleté
gezichteloze meisjes en vrouwen zonder lichaam
vullen veilig deze
dagen
en gist van deegs tevoren
waaraan rijzen is
verloren
laat een kleffe
nasmaak
is er geen grens
die zich nog
vastpint
op zichzelf
wat meer naar
links
maakt rechts ook
groter
en weg betekent
klaar
voor een nieuwe
ronde eindstrijd
een das op zich
is zeker geen gedicht
al stoten beide zich terdege
aan het slappen van de aandacht
in de zelfvoldane
tegenwoordigheid
van onvervalste “kut”
werkt
aan ondergrondse
wegen
niemand
schrijft
een stratenplan
de snelheid is er
nul
klikte hij zich in
haar schoonheid
als een hoer wou
zij niet onderdoen
en nam hen daar
te grazen
kruipen oude woorden
over nieuwe
die de telefoon
daarnet
reeds tegensprak
terug waar ze al
tevoren
volgens jou niet
hoorden
op slot en achterstevoren
in een hoekje weggedrumd
de kamer dichtgemetst
het huis verlaten
de kronkelweg verloren
uit het licht
gaat staan
rust op mij geen
schaduw
meer
inhoud
draag ik zinloos
of was het zonder
schaamte
altijd bij me
lachend in mijn hoofd
vouw ik elke dag
een vlieger
kreukvrij
stuurloos en volkomen
recycleerbaar
aan het einde
glijdt mijn vinger
naast de zin en in de afgrond
van een boek zo dik
dat de inhoud
doorgedrukt van
letters van daarboven
ook al doorgedrukt
naar verder werd geschoven
vloog ik echt niet
zo maar rond
maar scheet wel
heel bewust
mijn hoopjes in de
schoot
van wie zich in
het stadspark waagt
te dicht bij jou
te zitten
de binnenkant
van mijn hand
gezien
toen ze woedend
dieper in mijn
broekzak
tot een witte
vuist gebald werd
maar werd verplicht
te wachten tot
de orde elke
laatste hint
tussen regels had
geritst
af en toe is niets
zo dringend
als met duimen
zitten draaien
bedenkingen aldus
aan een alternatief
voor wezenlijk niets
vlotter af te malen
naar uit gaat
blijft iedereen ter
plaatse
zelfs elke lang
verwachte
nooit aangekomen
gast
die verder blijft
verblijven
in zijn
eigenwijze verte
om alles te
vergeten
wil jij misschien
wat jaren
van mij leren
de zandloper is
te zwaar
om hem zo hier en
nu
nog tijdig
om te keren
maar nooit dringt
dat
echt dieper
tot je door
hij ben niet mij
en zij bent ook niet jou
zij zijn het ander zijds
al evenmin als wij
danst mijn schaduw
mij
en vluchtig voor
de voeten
lijk wat ooit naren
zal
tot iets wat had
gekund
maar wijselijk
beter niet
te groeien onder
blote hemels waaruit
af
en toe een ster
de weg zoeft
die ik blindelings
hierheen moest kruipen
ook gezegd was
het rijmpje viel oneven
met de bloemenblaadjes
in de tijd terug
ik hield er dit
bontgekleurd stilleven
en kale stengeltjes
aan over
word ik ongevraagd
belegen
heet heeft hier
geen naam
mijn gaten zwellen
vol aroma
ik breng een
toast op verder
samensmelten pittig tropical
snackje in ons donker
stamcafé
vind ik je net zo onuit
staanbaar
maar die extra
inspanning
om je anders in
te schatten
heeft dan toch het
voordeel dat
ik niet meer op
je tenen trap
als excuus om hier
te zitten
gissen naar de aantrek
van
een dooie worm
aan een
weggegooide haak
zou ik willen zinken
als deze schaamlap opwaait
wat op de achterzijde staat
is harder dan de waarheid
met elke aanslag van mijn hand schuif je verder op naar
rechts
een vinger kijkt
onschuldig
op de weer
verkeerde toets
een onverduldig
blad
papier verkreukelt
zich
in de salto naar
de reeds gevulde mand
weer zing je tot je wortelt diep in mij
je zomer hunkert
aan mijn voeten
er rest nog
lustig verder plukken
tenslotte niets dan
afscheid
en altijd
verder moeten
ik wou het over borsten hebben
maar dan toch
liever niet
vermits jij de jouwe
en ik de mijne
en voor de rest
zoals men ziet
ze brengen enkel koude mee
zelfs langer sta je dan de afwas
die ik schaamteloos
al achterliet
dans ik met je
de dood
gewoonste polka
op de
allersmalste richel
van de
allerhoogste klip
trekt de wacht op
aan een kruis punt
zij haar klauwen
het groene
flikkerlicht
heeft niets met haar
te maken
het laatste stukje
oordeel
een hapje à la
Vincent
in een doosje en
bebloed
en in het kader
van de harmonie
hoor ik beter wat
ik zie
en vaak zal dat zo zijn
in dit leven op mijn wolk
dat gaf hij mij
en ‘t leek op dat
moment
zijn hele warme
wereld
elk de lengte van
welgeteld een
jambisch vers tot
maximaal
een veel te korte
strofe
ik ben de laatste tijd meer vader dan mezelf
hoewel ik dat niet
wil
bedelf ik mij in
groeipijn
wat heb ik jou
misdaan dat jij
mij aankijkt alsof
meer dan ik
jij weet waarom mijn huid zo zwart is
die zich laat
schudden
een bromfiets en
een helm
die laatste is van
mij
om hier omtrent
en
diep vanbinnen
veilig weg te kwijnen
van om het even
wat
zessenzijdig waar ze staat
krijgt
mijn ongevraagde
aandacht
nu haar deksel
opengaat
waarheen hij leidt
is weg van rustig
hier
en daar komt alle
onheil
toch telkens weer
vandaan