|
|
|
Tekeningen komen uit het determinatie-werk van R. Bosmans, 1975 : Boom- en
Bodemwantsentabel. Uitgave van JNM. Met dank aan JNM voor het gebruik van
de figuren. Over wantsen en mensen
:
Ongewervelden vormen het
overgrote deel van de diersoorten op aarde. Toch krijgt deze groep relatief
weinig aandacht binnen onze natuurverenigingen. Ook bij het beheer van natuurgebieden wordt weinig rekening
gehouden met de specifieke eisen van invertebraten. Een uitzondering vormen “aaibare” groepen als b.v.
vlinders, libellen en de laatste tijd ook lieveheersbeestjes. De studie van insecten wordt vaak afgedaan als specialistenwerk dat
de mogelijkheden van de modale natuurliefhebber te boven gaat.
Als men zich echt in bepaalde groepen wil verdiepen is dit soms ook wel
een beetje het geval. De wereld van
de ongewervelden is echter zo rijk en afwisselend dat ieder er op zijn niveau
aan de slag kan...........Een kleine waarschuwing mischien......eenmaal
gestoken of gebeten is het
einde niet meer zicht ! Wantsen kunnen zelfs bij de meeste entomologen niet op een grote
sympathie rekenen. Er is dan ook
geen overvloed aan Nederlandstalige literatuur en determinatiewerken.
Voor wie niet met ze vertrouwd is vallen ze veel minder op in de natuur
dan andere insecten. Vaak worden wantsen zelfs met kevers verward.
Bepaalde kenmerken als b.v. het feit dat ze uitgerust zijn met
stinkklieren of het feit dat sommige soorten gemeen kunnen steken (vooral
waterwantsen en roofwantsen) en het bestaan van parasitaire soorten als
“bedwantsen” zijn niet echt een
visitekaartje om ze populair te maken bij een ruim publiek.
Een aantal soorten zoals de
Koolwants (Eurydema oleracea) , Aelia
acuminata en Lygus-soorten kunnen schade veroorzaken aan
landbouwgewassen. Voor een deel
gebeurt dit indirect door het overbrengen van virussen.
Daarentegen helpen veel soorten roofwantsen schadelijke insecten onder
controle te houden. Aan de
Rijksuniversiteit Gent wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheid om
roofwantsen in te zetten bij biologische gewasbescherming in de glasbouw. Men
experimenteert vooral met een soort die zeer algemeen is in Noord- Amerika nml.
De “spined sodier bug” (Podisus maculiventris).
Het is een roofzuchtig en weinig kieskeurig beestje dat insecten uit
8 verschillende orden op zijn menu heeft. Het
wordt reeds wereldwijd ingezet tegen de Coloradokevers en rupsen. In Noord-Europa wordt deze soort al gecommercialiseerd.
Het valt dus te vrezen dat binnenkort
in navolging van het Aziatisch lieveheerbeestje een nieuwe roofzuchtige
exoot in onze invertebratenfauna zal opduiken ! In Zuid-Amerika heeft een roofwants, nml. Triatoma infestans, een
kwalijke reputatie. Deze
“vampierwants” heeft zich sterk kunnen uitbreiden in de sloppenwijken
en zuigt bloed bij mensen en warmbloedige dieren.
Net als de malariamug is zij tussengastheer voor een vorm van de
slaapziekte nml. De ziekte van Chagas (Trypanosoma cruzci). De ziekte die het zenuwstelsel aantast is ongeneeslijk en in een aantal
gevallen dodelijk. Er zijn in Zuid Amerika meer besmettingen dan met HIV of
Hepatitis. Charles Darwin leed na
zijn terugkeer van de expeditie met Beagle waarbij hij uitgebreid Zuid-Amerika
bezocht aan symptonen die volgens bepaalde geleerden aan de ziekte van Chagas
kunnen toegeschreven worden. Over wantsen :Samen met de Cicaden en de Bladluizen behoren de Wantsen tot de Hemiptera
of “halfvleugeligen”. Soorten die tot deze orde behoren hebben als kenmerk
dat de voorvleugels bestaan uit een verhard leerachtig gedeelte en een
transparant vliesachtig deel. Wantsen worden verder in de
onderorde van de Heteroptera geplaatst. Deze term is afgeleid van het Grieks “hetero”
– verschillend en “ptera” – vleugels.
De vleugels worden in rust plat en elkaar gedeeltelijk overlappend over
het achterlijf gelegd. Wantsen zijn
tevens te herkennen aan het
zogenaamde “wantsendriehoekje” (scutellum) dat zich net achter het
halsschild op het achterlijf bevindt. Met
de andere Hemiptera hebben ze verder hun “steeksnuit” gemeen. De groep wordt
dan ook wel “snavelinsecten” genoemd. Deze
steeksnuit of snavel (rostrum) is
een ingewikkeld apparaat dat in rust meestal onder het lichaam gevouwen wordt.
Dit apparaat is doorheen de evolutie uit de vergroeiïng verschillende
oorspronkelijk bijtende monddelen ( labium, mandibels,maxillen) ontstaan. Wantsen kunnen enkel
vloeibaar voedsel opnemen. In de snavel bevindt zich een scherpe holle naald
(stilet) waarmee ze prooien en planten kunnen perforeren en leegzuigen.
Met de naald wordt “speeksel” ingespoten dat helpt
het voedsel uitwendig te verteren. Hierdoor moet minder energie aan de
inwendige spijsvertering besteed worden en worden kleinere hoeveelheden
afvalstoffen geproduceerd. Wantsen
kunnen zowel planteneters (fytofagen) of diereneters zijn (zoöfagen).
Bepaalde soorten zijn in verschillende stadia van hun ontwikkeling
afwisselend fytofaag of zoöfaag. Andere soorten zijn parasitair en zuigen bloed
bij grotere dieren. De bedwants (Cimex lectularis) is een kosmopoliet in
huizen. Hij verbergt zich tussen beddengoed en spleten om ’s nachts bloed bij
mensen en huisdieren te zuigen. In Europa is deze soort gelukkig zeldzaam
geworden. Andere soorten komen o.a.
in vogelnesten en zelfs op vleermuizen voor. Als verdedigingsmiddel hebben wantsen aan de onderzijde van hun lichaam
stinkklieren waarmee ze slechtriekende, bijtende of giftige stoffen kunnen
afscheiden. Een arsenaal aan
chemische wapens dat dient om hen van de spijskaart van potentiële predatoren
te houden. Wantsen behoren tot de hemimetabola of insecten met een
onvolledige gedaanteverwisseling. In
tegenstelling tot insecten met een volledige gedaanteverwisseling
(holometabola) zoals vlinders ontbreekt het popstadium en lijken
juveniele exemplaren al in belangrijke mate op volwassen exemplaren.
Vaak missen ze wel bepaalde determinatiekenmerken zodat juveniele wantsen
moeilijk op naam te brengen zijn. Totdaar de gemeenschappelijke kenmerken ! Wantsen kennen immers een enorme diversiteit in lichaamsbouw
en levenswijze. In België zijn minstens een 500-tal soorten gekend. Wereldwijd
gaat het om minimum 50.000 soorten verdeeld over 73 families.
Ze komen in praktisch alle biotopen te land en in het water voor. Denken
we maar aan de “schaatsenrijders” die op het wateroppervlak leven en in
feite roofzuchtige wantsen zijn. Wantsen vertonen soms een opmerkelijk gedrag.
Zo vertoont de Berkenwants (Elasmucha grisea) een uitzonderlijke
vorm van broedzorg waarvan men weinig vergelijkbare voorbeelden in de
insectenwereld vindt. De
moederwants beschermt het legsel met haar lichaam tegen aanvallen van
sluipwespen en gaat met de nimfen op stap om samen voedsel te zoeken. Het verhaal van de Bedwants is wat minder romantisch.
Tijdens de paring wordt het sperma niet in de geschachtsopening van het
vrouwtje ingebracht. Het
mannetje perforeert tijdens zijn “liefdesdaad” gewoon het achterlijf van het
vrouwtje. Het sperma zwemt dan vrij
in de lichaamsholte van het vrouwtje tot aan de eitjes waar de bevruchting
plaats vindt. Mocht het u
interesseren, dit gedrag heet “traumatische inseminatie” !
Op zoek naar wantsen
:
Je kan nu ook eens actief op zoek gaan naar wantsen.
Bepaalde soorten vindt je gewoon op zicht vaak op warme plekjes in de
vegetatie. Sommige soorten zijn aan
bepaalde planten gebonden. Met een
sleepnet kan je de lage planten bemonsteren.
Als je een lichtgekleurde paraplu omgekeerd onder een struik houdt en
eens flink aan een tak schudt kan nog andere soorten te pakken krijgen. Inventarisatie, u kan ook meewerkenJe kan echter ook meewerken aan het wantseninventarisatieproject.
Je vondsten gaan dan niet verloren en dragen bij tot de kennis van de verspreiding
en de levenswijze van verschillende soorten.........er is op dit vlak nog
pionierswerk te doen ! In een samenwerking tussen de invertebratenwerkgroep Lampyris van de
regio Natuurpunt Schelde-Leie en de Koninklijke Antwerpse Vereniging voor
Entomologie werd gestart met het onderzoek naar 2 soorten die vrij gemakkelijk
te vinden en te herkennen zijn : de Pyjamawants (Graphosoma
lineatum) en de Zuringrandwants (Coreus
marginatus). Een goed idee is om ook eens een thermometer mee te nemen op excursie.
Men kan dan de temperatuur rechtstreeks op de waardplant meten. Dit gegeven is
waarschijnlijk veel belangrijker dan de algemene omgevingstemperatuur omdat
vooral de Pyjamawants op plaatsen met een
warm microklimaat lijkt voor te komen.
Hieronder een lijst met plaatsen waar de Pyamawants reeds waargenomen werd.
Waarnemingen van Pyjamawantsen kan u sturen naar : Lampyris
Invertebratenwerkgroep. Johan Rommelaere, Trekweg 71 9030
Gent e-mail : j.rommelaere@pi.be |