GalliŽ, BelgiŽ en GermaniŽ.

[Home]


Inhoud:

Kaarten


Enkele opmerkingen vooraf

[Top || Enkele opmerkingen vooraf | Gallia omnis | Belgium omne | De "Germanen" | De Keltische beschaving]

1. GalliŽrs (Galli) waren voor de Romeinen zeker geen onbekenden. Zij woonden in het Noorden van ItaliŽ, Gallia citerior of Cisalpina genoemd (d.i. aan deze, de Italiaanse kant van de Alpen). Die GalliŽrs riepen te Rome onaangename herinneringen op: in 387 v.Chr. hadden ze de stad geplunderd en de Romeinen diep vernederd ("Vae victis"). Sedert 191 v.Chr. was dit stukje GalliŽ een Romeinse provincie, maar de Alpijnse bergvolkeren waren nog vrij. In Frankrijk, Gallia Transalpina of ulterior, hadden de Romeinen sedert 118 v.Chr. de controle over de huidige Provence (Gallia Narbonensis genoemd). Caesar was in 58 v.Chr. provinciegouverneur (proconsul) geworden van de Gallische gebieden onder Romeinse controle, die men Gallia togata noemde. De rest van GalliŽ stond bekend als Gallia comata. Rome had verdragen gesloten met belangrijke Gallische stammen (b.v. de Haedui) en Romeinse mercatores (reizende handelaars) doorkruisten al jaren die achterliggende gebieden, maar voor het overgrote deel van de Romeinen was Gallia comata een terra incognita, waarover allerlei fantastische berichten circuleerden. In 56 v.Chr. riep Cicero in de Senaat: Quas regiones quasque gentes nullae nobis antea litterae, nulla vox, nulla fama notas fecerat, has noster imperator nosterque exercitus et populi Romani arma peragrarunt.

2. Toen Caesar begon aan de verovering en meteen de ontsluiting van de gebieden ten noorden van de Alpen, had hij over de meeste bevolkingsgroepen die hij daar zou aantreffen, dus geen of slechts onvolledige gegevens. Ontdekkingsreizigers hadden deze streken bezocht en het verslag van Posidonius van Apamea, die op zoek was gegaan naar de herkomst van de Kimbren en de Teutonen, was pas enkele jaren oud. Zij hadden voor een algemeen beeld gezorgd dat soms vertekend was. Concrete inlichtingen kreeg Caesar van reizende handelaars en bevriende GalliŽrs. Wij kunnen ons inbeelden dat de inlichtingen van die zegslieden evenmin een correct beeld gaven van de soms complexe realiteit. Wij ontdekken in Caesars werk dan ook tegenstrijdigheden: een beschrijving die hij in 57 v.Chr. had gegeven, bleek in 54 v.Chr. niet meer te kloppen of minder goed te rijmen met zijn ondertussen gewijzigde inzichten en plannen. Want Caesar "speelde met namen", om zijn optreden of zijn mislukkingen aannemelijk te maken [1]. Dan is er nog een bijkomend probleem: de moderne geschiedschrijving is óók met namen gaan spelen en op basis van de gegevens van Caesar vinden we nogal wat beschrijvingen van de bevolking van onze gebieden.

3. De toestand in GalliŽ was in die voor-Romeinse periode alles behalve stabiel. Met de regelmaat van een klok verhuisden groepen mensen naar andere gebieden die hen aanlokkelijker leken in het uitgestrekte land dat zich eindeloos leek uit te strekken. Nieuwkomers namen hun plaats in - soms hadden ze eerst de anderen verjaagd of weggepest [2]. Of het nu om kleine groepen ging of om hele "stammen", men krijgt de indruk dat onze gewesten in die tijd zowat de Far West van Europa waren, waar men veeleer van machtsgebied dan van grondgebied mocht spreken, en waar de "grenzen" voortdurend verschoven, al naargelang het gebied regelmatig bewoond of betreden werd door mensen van een bepaalde groep. Men was b.v. geen NerviŽr omdat men in een bepaald gebied woonde, wel omdat men door afstamming tot de groep behoorde die zich b.v. "NerviŽrs" noemde. Caesar schrijft dan ook nooit "in NerviŽ", wel "bij de NerviŽrs".

4. Het heeft bijgevolg geen zin naar grenzen te zoeken, althans niet in de huidige betekenis van dat woord. Caesar spreekt van "confinium", een gemeenschappelijke strook waar geen van de twee buurvolkeren vaste aanspraken kon laten gelden. "Fines" was het gebied waar een bepaalde groep het voor het zeggen had. Soms moest men door kilometers "niemandsland" (woud, of moeras b.v.) alvorens het gebied van een andere groep te bereiken. Enkel in dichtbevolkte streken, waar de invloedssferen elkaar raakten, bestonden min of meer afgebakende grenzen (en dus ook "grensconflicten"). De situatie bestond op alle niveaus: tussen groepen van stammen, tussen stammen onderling ("volkeren"), tussen kleinere groepen ("gemeenschappen"), tussen families ("gehuchten").


Gallia omnis

(Caes., D.B.G., I.1 - kaart Keltisch GalliŽ in de tijd van Caesar in uw atlas)

[Top || Enkele opmerkingen vooraf | Gallia omnis | Belgium omne | De "Germanen" | De Keltische beschaving]

5. In zijn brede betekenis sloeg Gallia op het gebied dat begrensd werd door de PyreneeŽn, de Oceaan, de Rijn en de Romeinse "Provincia" Gallia Narbonensis. Tussen PyreneeŽn en Garonne woonden de Aquitani, tussen Garonne en Seine-Marne de Kelten of GalliŽrs in de eigenlijke betekenis, tussen Seine-Marne en Rijn de Belgae. Achter de Rijn woonden de Germanen. Zo tekende Caesar in 52 v.Chr. de nieuwe "kaart" van onze gebieden. De onderwerping was toen een feit en de Rijn was de nieuwe grens van het imperium. Zes jaar tevoren, in 58 v.Chr. was de realiteit iets ingewikkelder...Dat blijkt wanneer Caesar details geeft over de Belgae en vooral wanneer hij het heeft over de Germanen.


"Belgium omne"

[Top || Enkele opmerkingen vooraf | Gallia omnis | Belgium omne | De "Germanen" | De Keltische beschaving]

6. In boek II laat Caesar door gezanten van de Remi, die hij zelf tot de Belgen rekende, een opsomming geven van de stammen der Belgae, met het aantal manschappen dat zij op de been brachten om de Romeinen de pas af te snijden [3]. Aan de opsomming ligt, naast de grootte van de contingenten, duidelijk een geografische ordening ten grondslag:

  – Bellovaci [4]: 60 000 [van de 100 000 krijgers waarover zij beschikten]
  – Suessiones [5]: 50 000

  – Nervii [6]: 50 000

  – Atrebates [7]: 15 000
  – Ambiani [8]: 10 000

  – Morini [9]: 25 000
  – Menapii [10]: 9 000

  – Caleti [11]: 10 000

  – Veliocasses: 10 000 (?)
  – Viromandui [12]: 10 000

  – Atuatuci [13]: 19 000

  – Condrusi, Eburones, Caerosi, Paemani, qui uno nomine "Germani" appellantur [14]: 40 000

7. Meermaals blijkt Caesar zelf in zijn eerste boeken de Belgen niet echt als GalliŽrs te beschouwen. Dat werd een probleem toen hij ook onze gebieden definitief wilde annexeren: hij mocht immers enkel optreden in Gallië, niet daarbuiten. Dat loste hij op door in zijn inleiding aan het begrip Gallia een ruimere betekenis te geven (wie had hem durven tegenspreken?): opgelet, zegt hij, tot nu toe was GalliŽr voor ons synoniem met Kelt, maar dat blijkt niet juist te zijn, want er wonen nog andere GalliŽrs ten zuiden en ten noorden van de Kelten en GalliŽ is groter dan wij tot nu toe aannamen. Meteen kon hij Aquitanië en België op legitieme wijze veroveren. Het is maar zeer de vraag of de Belgen zichzelf allemaal als GalliŽrs beschouwden... Het is zelfs zeer de vraag of de centraal gelegen Gallische stammen zichzelf wel allemaal Kelten noemden.

Kaart: Germaanse klankstand | de Belgae

8. Zoals Caesar de naam Gallia voor een veel ruimer gebied dan het eigenlijke GalliŽ ging gebruiken, zo deed hij het ook met Belgium (de naam voor het gebied der Belgae). Belgium vinden wij maar een paar keer in De Bello Gallico, en telkens is hiermee een gebied bedoeld dat overeenkomt met de woongebieden van de Ambiani, Caleti, Bellovaci, Suessiones, Silvanectes, de meest zuidelijke gebieden, die Caesar in 57 v.Chr. het eerst had veroverd, die het dichtstbevolkt waren en het rijkst, die b.v. het eerst munten hadden en waar een eigen type van oppidum (burcht) bestond. De naam Belgae, oorspronkelijk gereserveerd voor die zuidelijke stammen, werd door Caesar later toegepast op de noordelijke stammen. Eťn aanwijzing hiervoor: later, toen het Romeinse GalliŽ een feit was en de NerviŽrs een belangrijke positie bekleedden in de provincie Belgica, ging die stam er prat op van Germaanse oorsprong te zijn. Zelfde trotse houding bij de Treveri! (Tac., 28.4.) Caesar schrijft inderdaad dat de meeste Belgen "van Germaanse", dus in zijn taalgebruik: "van over-Rijnse" oorsprong waren [15], een detail dat bevestigd wordt door de plaatsnaamkunde: nog bewaarde toponiemen verraden een "Germaanse" klankstand, behalve precies bij de meest zuidelijke stammen, waar de plaatsnamen een "Keltische klankkleur" vertoonden [16].

gouden "Epsilonstater" van de Nerviërs (60-50 v.Chr.)

bronzen Nervische munt met als legende "VERCIO" (60-50 v.Chr.)

9. Er woonden dus Germanen bij ons, aan dťze zijde van de Rijn en er schijnt, zoals reeds gezegd, een duidelijk hoorbaar verschil te zijn geweest in de talen van de Kelten en die Germanen. Hoe wezenlijk dat verschil was, is niet zo onmiddellijk duidelijk, als je weet dat Belgische stammen die door Caesar niet als Germaans werden beschouwd toch "Germaanse" namen aan hun nederzettingen gaven. Bovendien vinden we voor één en dezelfde nederzetting "Germaanse" en "niet-Germaanse" namen broederlijk naast elkaar... Het lijkt dus vooral een kwestie van "accent" te zijn geweest, zoals West-Vlaams voor een Limburger grotendeels onbegrijpelijk is en vice versa, van dialect dus. Daar"boven" stond het "algemeen" Keltisch, de taal van de handelaars en leidende standen die regelmatige contacten onderhielden over de grenzen heen, en die door hen kon worden aangewend waar nodig. Zij kozen voor hun kinderen Keltische namen[17].


De "Germanen"

(vgl. kaart Belgicae, Germaniae en de Rijngrens in uw historische atlas)

[Top || Enkele opmerkingen vooraf | Gallia omnis | Belgium omne | De "Germanen" | De Keltische beschaving]

10. Behoorden de "Germanen" dan niet tot een ander "ras" ? Nee: hoogstwaarschijnlijk waren zij, net zoals de Kelten en de Belgen, GalliŽrs, die op de beide Rijnoevers woonden ! De Latijnse historicus Tacitus[18] laat uitschijnen dat de Germanen "zuiver" waren, niet aangetast door "beschavende" invloeden en precies daarin verschilden van de inwoners van GalliŽ, die onder invloed van de middellandse zeewereld hun eigen aard stilaan hadden prijsgegeven. Of, om het met Tacitus (Germ., 2.1) te zeggen: Ipsos Germanos indigenas crediderim minimeque aliarum gentium adventibus et hospitiis mixtos - m.a.w.: breng een Germaan naar GalliŽ en hij wordt GalliŽr, en omgekeerd.

De Griek Strabo[19] zegt dat de Germanen een volk waren dat ten oosten van de Rijn woonde. Van de Kelten ten westen van de Rijn onderscheidden ze zich doordat ze "nog groter, nog woester en nog blonder waren". Maar verder leken ze op hen in elk opzicht. "En zo vermoed ik dan," is zijn besluit, "dat ze door de Romeinen 'Germani' werden genoemd omdat die daarmee tot uiting wilden brengen dat zij de eigenlijke, de 'ras'-Kelten waren." Germani betekent in het Latijn namelijk 'echt' in de zin van 'oorspronkelijk'...

Tacitus (2.2-3) spreekt, zoals gezegd, in dezelfde zin, maar geeft een andere reden. Quidam, ut in licentia vetustatis, plures deo ortos pluresque gentis appelationes - 'Marsos', 'Gambrivios', 'Suebos', 'Vandilios' - adfirmant, eaque vera et antiqua nomina, ceterum 'Germaniae' vocabulum recens, et nuper additum, quoniam, qui primi Rhenum transgressi Gallos expulerint ac nunc Tungri, tunc 'Germani' vocati sint. Ita nationis nomen, non gentis, evaluisse paulatim, ut omnes primum a victore [= Caesar19.a] ob metum, mox et a se ipsis invento nomine 'Germani' vocarentur. Die godheid waaruit de Germanen voortkwamen, was Mannus, de zoon van Tuisto, deum terra editum. Dat wordt overgeleverd in carminibus antiquis. En wat lezen we bij Caesar (VI.18) ? Galli se omnes ab Dite patre (de Griekse god van de onderwereld) prognatos praedicant, idque a druidibus proditum dicunt. Ob eam causam spatia omnis temporis non numero dierum, sed noctium finiunt [...] - zoals... de Germanen: nec dierum numerum ut nos, sed noctium computant, weet Tacitus (11.1) te vertellen [20].

Bovendien, om nog even op de Aquitani terug te komen: Caesar vermeldt (III.22) hoe de Aquitaanse aanvoerder Adietuanus een wanhopige uitval doet cum DC devotis, quos illi 'soldurios' appellant - quorum haec est condicio uti omnibus in vita commodis una cum iis fruantur quorum se amicitiae dederint, si quid his per vim accidat aut eundem casum una ferant aut sibi mortem consciscant [...]. Dat doet weer sterk aan de "Germanen" denken en aan Tacitus' woord (14.2): principes pro victoria pugnant, comites pro principe. Tacitus maakt er soms een spelletje van om Caesars beschrijving van de GalliŽrs haast woordelijk toe te passen op de Germanen en Caesar zo in feite te ontmaskeren. Deorum maxime Mercurium colunt, zegt Tacitus over de Germanen (9.1). Caesar zei net hetzelfde over de GalliŽrs (VI.17).

11. In feite waren de oorspronkelijke Germanen Keltische stammen (in de moderne betekenis van die naam) die ten oosten van, m.a.w. achter de Rijn woonden, ergens in Zuid-Duitsland. Caesar deed met de naam wat hij al had gedaan met die van de Kelten/GalliŽrs en de Belgen: hij paste de naam "Germanen" toe op alle stammen die achter de Rijn woonden, maar "vergat" wel te zeggen dat het evengoed als de Aquitani, de Kelten en de Belgen om GalliŽrs ging. Zo kon hij zijn optreden verantwoorden tegenover alles wat hij "Germaans" noemde. Dat hoorde nl. niet thuis in Kelten- en in Belgenland. Het diende ofwel uitgeroeid ofwel teruggejaagd over de Rijn, want "nieuwkomers" waren niet welkom. Zij zorgden voor onrust en versterkten de niet-Romeinse bevolking, zodat er gevaar kwam voor opstand. Meteen kon hij ook zonder gezichtsverlies zijn veroveringstocht van GalliŽ laten eindigen aan de Rijn - daar eindigde de Gallische beschaving... Dát heeft Tacitus (met enig genoegen?) naar het rijk der fabelen verwezen. Wanneer Tacitus in zijn studie over de Germanen zo duidelijk laat verstaan dat hun cultuur op vele punten overeenkomsten vertoonde met de Gallische zoals Caesar die had beschreven, wil hij zijn lezers laten ontdekken dat de grote veldheer in zijn (snelle en oppervlakkige) beschrijving van de Germaanse wereld de realiteit geweld had aangedaan. In de eerste boeken van De Bello Gallico is Caesar trouwens nog niet zo duidelijk wat de Germanen betreft, omdat hij toen nog hoopte ook aan de overkant van de Rijn gebied te gaan veroveren.


De Keltische beschaving

[Top || Enkele opmerkingen vooraf | Gallia omnis | Belgium omne | De "Germanen" | De Keltische beschaving]

12. Het was dus niet zo dat er van AquitaniŽ tot aan de Rijn ťťn cultuur bestond, de Gallische, en vanaf de Rijn een totaal andere cultuur begon, de Germaanse. Zo zegt Hirtius, Caesars luitenant, over de Treveri, waarvan de archeologen een duidelijk "Keltisch volk" maken, ťťn van de rijkere stammen zelfs, en waar de toponymie een "Keltische klankstand" vertoont, dat deze civitas [...] cultu et feritate non multum a Germanis differebat. Anderzijds wijzen archeologische (en dus materiŽle !) vondsten wel degelijk op over-Rijnse invloeden die verschilden van de zuidelijke, centraal-Gallische. Hoe zit dat dan ?

De waarheid zal wel, zoals steeds, in het midden hebben gelegen. Wie een lange lijn trok van Spanje tot Denemarken, kon uiteraard Spanjaarden en Denen vergelijken, en de verschillen zullen, zonder twijfel, opmerkelijk zijn geweest. Maar wie langs deze lijn van volk tot volk reisde, zal haast ongemerkt in elkaar overvloeiende verschillen hebben opgemerkt naast een veelheid aan plaatselijke gebruiken, en minder overhaaste conclusies hebben getrokken. Heel Europa was (en is nog) een smeltkroes van volkeren, stammen, dorpen en gehuchten, die gelijkenisen en verschillen vertonen, al naargelang het standpunt dat men inneemt (taalkunde, huizenbouw, bodemgesteldheid, klimaat [21], religie, ontwikkeling, instellingen...). Of, nu met Caesar: Hi omnes lingua, institutis, legibus differunt.

13. Caesar wilde zoals gezegd zijn Romeinse lezers doen geloven dat aan onze zijde van de Rijn enkel "GalliŽrs" woonden. "Germaans" is bij hem synoniem met "van over de Rijn". Om zijn kunstmatig onderscheid tussen "GalliŽrs" en "Germanen" - dat pas in boek V echt gestalte krijgt - een schijn van werkelijkheid te verlenen, vergelijkt hij in boek VI de levenswijze van "zijn" rijke Gallische Kelten met die van de arme gewone Belgo-Germanen, zoals hij die had kunnen observeren tijdens zijn strooptochten of ze had horen beschrijven. Tacitus zet weer eens de puntjes op de i (28.2): Quantulum enim amnis obstabat quominus, ut quaeque gens evaluerat, occuparet permutaretque sedes promiscuas adhuc et nulla regnorum potentia divisas! En even verder, weer met een verwijzing naar Caesar: Sed utrum Aravisci in Pannoniam ab Osis (Germanorum natione) an Osi ab Araviscis in Germaniam commigraverint, cum eodem adhuc sermone, institutis, moribus utantur incertum est - quia pari olim inopia ac libertate eadem utriusque ripae bona malaque erant.

14. De laatste opmerking van Tacitus is leerrijk: er was, toen Caesar bij ons binnenviel, ook tussen Centraal en Noord-GalliŽ niet zozeer een verschil in beschaving, wel in beschavingspeil. De archeologische vondsten laten dat zo zien: onze gebieden behoorden wel tot de Keltische invloedssfeer, maar rijk waren de noordelijke stammen, zeker die van het huidige BelgiŽ, niet, en schatten zijn hier, op een paar muntschatten na (zoals de schat van Beringen en de Eburonenschat van Heers), niet gevonden.

Dat kwam omdat wij buiten de belangrijke handelsgebieden vielen: oppida (burchten) waren bij ons nooit tot steden (regionale economische centra) uitgegroeid [22], buiten misschien het oppidum op de Kemmelberg, dat althans lang geleden (in de 5de eeuw) v.Chr. export-aardewerk had geproduceerd. Bovendien leefde onze bevolking afgezonderd boven (en in) belangrijke woudmassieven: het Kolen- en het Ardennerwoud [23]. Met deze archeologische argumenten is wel voorzichtigheid geboden: wie weet wat er nog allemaal op opgraving ligt te wachten (de schatten van Beringen en Heers werden ontdekt in 1995 en 2001).

Kaart: Wijnexport naar GalliŽ.

15. Caesar stelt het voor alsof de Belgen met opzet de Italiaanse handel buiten hun gebied hielden (I.1). De Romeinse ruilgoederen werden niet geapprecieerd... Later blijkt dat hij de situatie wat al te eenvoudig heeft voorgesteld en dat zijn gegevens vooral op de noordelijk gelegen "Belgische" stammen (II.15) en op de "Germanen" (IV.2) betrekking hebben. Wij zullen wel niet ver van de waarheid zitten als wij zeggen dat ook die naar het rijkere zuiden en westen (ItaliŽ, centraal Gallië en Britannia) lonkten, maar noodgedwongen meer betrokken waren op het noorden en het oosten, op de Germanen dus om Caesars code te gebruiken, die volledig buiten de lucratieve handel met het middellandse zeegebied vielen. Erg vriendelijk waren deze betrekkingen niet, als we Caesar mogen geloven althans... (I.1). In elk geval wil dat nog niet zeggen dat onze gebieden geen welvaart kenden. Het betekent wel dat er volgens andere normen geredeneerd werd. Laten we Tacitus (5.3) nogmaals aan het woord: Est videre apud illos argentea vasa, legatis et principibus eorum muneri data, non in alia vilitate quam quae humo finguntur. Voor luxe was hier geen plaats...

16. De zuidelijke Belgen (in het huidige Noord-Frankrijk) pikten mťťr dan een graantje mee van het drukke handelsverkeer met de middellandse zeewereld. Al snel bleek dat het ťťn van Caesars bedoelingen was om voor de Romeinse mercatores een vrijhandelsroute te creŽren, die hen rechtstreeks vanuit Gallia Cisalpina over de Alpen naar Zuid-Engeland (tinproducent) moest brengen, via Noord-Frankrijk [24]. De Remi, die daardoor naast hťt overslaggebied bij uitstek van Caesars oorlogseconomie, ook een draaischijf zouden worden in o.a de handel met Britannia, bleven dan ook Caesars trouwste bondgenoten: hij beloofde en bracht vaste inkomsten en gemakkelijke winsten.

Belangrijke centraal-Gallische stammen zoals de Sequani, de Haedui [zie de kaart Romeinse hegemonie in de Middellandse Zee in uw historische atlas] of de Arverni, waar een gedeelte van de machtigen hun inkomsten vooral uit tolrechten moesten halen, bleven of werden zijn ergste tegenstanders toen zij begrepen dat Caesar uiteindelijk de handelsroutes zelf wilde controleren of wilde hertekenen. Dat verklaart de hardnekkigheid van de grote Gallische opstand onder Vercingetorix - de Remi bleven toen opvallend afwezig. Het was de laatste stuiptrekking van de nakomelingen der ijzer- en zoutbaronnen die eeuwenlang de handel tussen Noord- en Zuid-Europa hadden gecontroleerd vanuit hun oppida. De gevestigde aristocratie van de grote Keltische stammen, die op den duur ťn handel ťn tolrechten aan zich voorbij zag gaan, was door de verovering geruineerd. De Romeinse mercatores passeerden hen en streken de winsten zelf op. De locale handel en economie (toen al vlas en wol in de Vlaamse kuststreek !) voer wel bij de nieuwe reusachtige afzetmarkt in het Zuiden. Dat hadden sommige van de Gallische potentes, zoals de NerviŽr Vertico (V.45), snel begrepen. Zij verwelkomden de Romeinen met open armen: een nieuwe aristocratie ontstond.

17. Hoe de gewone mensen onder dat alles te lijden hadden, kunnen wij moeilijk uitmaken. Caesar laat in elk geval uitschijnen dat zij het onder hun eigen potentes met hun krijgersbenden ook niet zo goed hadden. Ongetwijfeld gold hier als elders de gekende waarheid dat "gouden" periodes vooral van goud blijken voor de leidende klassen [25]. In sommige gevallen zat de gewone man tussen hamer en aambeeld: hun leiders niet volgen en tenonder gaan of ze wel volgen en eveneens tenonder gaan [26]. Steeds waren zij aan willekeur overgeleverd, ook aan die van de Romeinse veroveraars: de NerviŽrs bleven b.v. gespaard maar de Atuatuci werden als slaven verkocht (57 v.Chr.). Wanneer Caesar is overgestoken naar Britannia en de eerste gegevens "uit welingelichte bron" bekend raken te Rome, schrijft Cicero droogweg aan zijn vriend Atticus: Etiam illud iam cognitum est, neque argenti scrupulum esse ullum in illa insula neque ullam spem praedae, nisi ex mancipiis. Ex quibus nullos puto te litteris aut musicis eruditos exspectare... ( juli 54). Vrijheid blijkt een rekbaar en zťťr relatief begrip te zijn geweest...

[Top || Enkele opmerkingen vooraf | Gallia omnis | Belgium omne | De "Germanen" | De Keltische beschaving || Home]


Noten

[1] Is het toeval dat precies de stammen die door Caesar op nietsontziende manier worden onderdrukt (de Atuatuci) of uitgemoord (de Eburones, de Usipetes en Tencteri) "Germaans" zijn ? tekst

[2] Een massale volksverhuizing van de HelvetiŽrs (58 v.Chr.) was voor Caesar het voorwendsel om in GalliŽ tussenbeide te komen (I.2-29). In 55 v.Chr. wilden twee Germaanse stammen, de Usipetes en de Tencteri, de Rijn oversteken (IV.1-15) en de Menapiërs verjagen. In beide gevallen dreef Caesar de volksverhuizers op een onbarmhartige manier terug. tekst

[3] Reliquos omnes Belgas in armis esse Germanosque qui cis Rhenum incolant sese cum his coniunxisse. Hier maakt Caesar een duidelijk onderscheid tussen de "Belgae" en de "Germani". Interessant is dat sommige handschriften geven: Germanosque qui ripas Rheni incolunt. tekst

[4] Plurimum inter eos Bellovacos ťt virtute ťt auctoritate ťt hominum numero valere. Hos posse conficere armata milia centum, pollicitos ex eo numero electa milia sexaginta totiusque belli imperium sibi postulare. tekst

[5] Suessiones suos esse finitimos. Fines latissimos feracissimosque agros possidere. Apud eos fuisse regem nostra etiam memoria Diviciacum, totius Galliae potentissimum, qui cum magnae partis earum regionum, tum etiam Britanniae imperium obtinuerit. [...] Oppida habere numero XII, polliceri milia armata quinquaginta. tekst

[6] Totidem Nervios, qui maxime feri inter ipsos habeantur longissimeque absint. Over de NerviŽrs schrijft hij elders dat de Ceutrones, Grudii, Levaci, Pleumoxii en Geidumni onder hun gezag stonden. Over deze groepen weten wij niets. Wel vermoedt men dat in Geidumni eigenlijk Geldumni verborgen zit, dat bewaard bleef in Geldumn-acum, het huidige Geldenaken (Jodoigne). Waarschijnlijk is het territorium van deze stammen, met het gebied van de eigenlijke NerviŽrs, opgenomen in de latere, zeer uitgestrekte civitas Nerviorum, waarvan het middeleeuwse bisdom Kamerijk de grenzen bewaard had. Caesar schrijft dat de Nervii het Belgische volk zijn dat "het verst" af ligt. Dat kan te maken hebben met het feit dat ten noorden en ten oosten van de NerviŽrs "Germaanse" Belgen woonden, nl. de Atuatuci en de "Germani cisrhenani". Een bewijs voor hun aanwezigheid tussen Samber en Maas vormen munten met de legende Verticao (< Vertico, amicus van de Romeinen genoemd door Caesar, V.45).tekst

[7] quindecim milia Atrebates, tekst

[8] Ambianos decem milia, tekst

[9] Morinos XXV milia, tekst

[10] Menapios VIIII milia, In VI.5 schrijft hij: Erant Menapii propinqui Eburonum finibus, perpetuis paludibus silvisque muniti, [...] . In IV.4 schrijft hij dat de Menapii gebieden in cultuur hadden gebracht op beide oevers van de Rijn: Hi ad utramque ripam fluminis agros, aedificia vicosque habebant, [...] . tekst

[11] Caletos X milia, tekst

[12] Veliocasses et Viromanduos totidem, Het is niet helemaal duidelijk of zij elk dat contingent leveren, dan wel of de Veliocasses als een onderdeel van de Viromandui (zoals noot 8) mee worden genoemd. Later is er van hen geen sprake meer. tekst

[13] Atuatucos decem et novem milia, - De Atuatuci zouden afstammen van de Kimbren en Teutonen. Ipsi erant ex Cimbris Teutonisque prognati. Qui, cum iter in Provinciam nostram atque Italiam fecerent, iis impedimentis quae secum agere ac portare non poterant citra flumen Rhenum depositis, custodiam ex suis ac praesidium sex milia hominum una reliquerunt. Hi, post eorum obitum, multos annos a finitimis exagitati, cum alias bellum inferrent, alias inlatum defenderent, consensu eorum omnium pace facta, hunc sibi domicilio locum delegerunt. Het gaat hier waarschijnlijk om een interpretatie door Caesar (zgn. interpretatio Romana) van een overlevering die hij heeft vernomen. Is een deel van de Teutonen hier achtergebleven ? tekst

[14] Condrusos, Eburones, Caerosos, C-/Paemanos, qui uno nomine Germani appellantur, arbitrari ad XL milia. Een vijfde volk leren we kennen in VI.32: Segni Condrusique, ex gente et numero Germanorum, qui sunt inter Eburones Treverosque [...] . tekst

[15] Plerosque Belgas esse ortos a Germanis Rhenumque antiquitus traductos. Propter loci fertilitatem ibi consedisse Gallosque qui ea loca incolerent expulisse, solosque esse qui, patrum nostrorum memoria omni Gallia vexata, Teutones Cimbrosque intra suos fines ingredi prohibuerint. tekst

[16] Over een groot gebied dat door de Rijn doormidden wordt gesneden, werd nog ten tijde van Caesar een taal gesproken die zeer oude Indo-Europese bestanddelen had bewaard. Daarin hadden zich rond 250-200 v.Chr. wijzigingen voorgedaan (de zgn. eerste "Germaanse" klankverschuiving), waarvan de sporen duidelijk aanwezig zijn in talrijke plaatsnamen die in onze gebieden voorkomen naast, soms zelfs samen met de oudere plaatsnamen. De kaarten illustreren dit zeer duidelijk. tekst

[17] De tolk die met de Eburoon Ambiorix (een "keltische" naam !) gaat onderhandelen, was een inwoner van Zuid-GalliŽ (V.36). Hetzelfde gebeurde reeds in 58 v.Chr., toen een vooraanstaand inwoner van de Provincia naar de Germaan Ariovistus werd gestuurd als onderhandelaar propter linguae Gallicae scientiam, qua multa iam Ariovistus longinqua consuetudine utebatur (I.47). tekst

[18] Tacitus, Publius Cornelius (ca. 55 - 116/120 n.C.), Romeins geschiedschrijver. Hij begon zijn geschiedkundige publicaties pas na de dood van keizer Domitianus (96 n.C.), omdat hij zich voordien niet kon uiten zoals hij dat verkoos. Eerst schreef hij zijn drie zgn. kleinere werken: Dialogus de oratoribus, Agricola, en De origine et situ Germanorum, een veelzijdige beschrijving van land en volk van de Germanen, die gebaseerd was op schriftelijke en mondelinge bronnen. tekst

[19] Strabo (Amasia, Klein-AziŽ, ca. 64 v.C. - aldaar 19 n.C.), Grieks aardrijkskundige en geschiedschrijver. Hij was de auteur van een groot geschiedwerk ter voortzetting van de Historiae van Polybius, dat verloren is gegaan, en van een beroemde Geographica in 17 boeken, die bijna geheel behouden bleef. Het werk van Strabo, een aanhanger van de Stoa, berustte vooral op een grote belezenheid. Het is in eenvoudige stijl geschreven en bevat zeer veel gegevens, ook van anekdotische aard. tekst

[19.a] De wending a victore wordt geÔnterpreteerd als "door de Tungri". Het lijkt mij beter te interpreteren als "door de Romeinse overwinnaar" en er een verwijzing in te zien naar Caesar, die de naam heeft toegepast op alle volkeren die van achter de Rijn kwamen (en dus niet inheems waren aan deze kant van de Rijn - die noemde hij GalliŽrs), ob metu omwille van de angst (die die naam inboezemde, ook te Rome). tekst

[20] Nog steeds zeggen de Engelsen "a fortnight", terwijl wij het over "veertien dagen" hebben. tekst

[21] Merk op wat Tacitus (5.1) schrijft: Terra, etsi aliquanto specie differt, in universum tamen aut silvis horrida aut paludibus foeda, humidior qua Gallias, ventosior qua Noricum ac Pannoniam aspicit. tekst

[22] Laten we nogmaals Tacitus (16.1) aan het woord: Nullas Germanorum populis urbes habitari satis notum est, ne pati quidem inter se iunctas sedes. Colunt discreti ac diversi, ut fons, ut campus, ut nemus placuit. Zo woonde ook Ambiorix, en dat was zijn redding (VI.30): Sed hoc quoque factum est, quod, aedificio circumdato silva -ut sunt fere domicilia Gallorum, qui vitandi aestus causa plerumque silvarum atque fluminum petunt propinquitates- comites familiaresque eius angusto in loco paulisper equitum nostrorum vim sustinuerunt. [...] fugientem silvae texerunt. tekst

[23] De Morini en de Menapii woonden in een gebied dat oa. omwille van de bossen haast ontoegankelijk was (continentes silvas ac paludes habebant). Caesar krijgt hen niet te pakken. Reliquis deinceps diebus Caesar silvas caedere instituit et, ne quis inermibus imprudentibusque militibus ab latere impetus fieri posset, omnem eam materiam quae erat caesa, conversam ad hostem conlocabat et pro vallo ad utrumque latus exstruebat. Incredibili celeritate magno spatio paucis diebus confecto, cum iam pecus atque extrema impedimenta a nostris tenerentur, ipsi densiores silvas peterent [...] . Itaque, vastatis omnibus eorum agris, vicis aedificiisque incensis, Caesar exercitum reduxit [...] (III.28-29, verder IV.38, V.5-6). In VI.29 spreekt hij over de Ardennen: [...] per Arduennam silvam, quae est totius Galliae maxima atque a ripis Rheni finibusque Treverorum ad Nervios pertinet milibusque amplius quingentis [onjuist] in longitudinem patet. In V.3 luidde het: [silvam Arduennam] quae per medios fines Treverorum a flumine Rheno ad initium Remorum pertinet. tekst

[24] De voornaamste tinroute liep vanuit Cornwal en de Cassiteriden (de tinmijnen in Zuid Engeland) via het estuarium van de Loire naar de Haedui en van daar over de RhŰne naar Marseille. Vanuit Marseille ging het dan per schip of over land naar Rome. Voor het transport over de Noordzee zorgden de Veneti. Caesar slaagde niet in zijn opzet om deze route (en dus de tollen) volledig onder Romeinse controle te brengen: het geheim van de juiste ligging van de mijnen bleef bewaard. De vloot van de Veneti versloeg hij (letterlijk) verpletterend, zodat hij wel de controle had over hun gebied, maar de speciale transportschepen kwijt was waar het hem uiteindelijk om te doen was. Bovendien hadden een aantal van de Gallische tolpachters en reders hun activiteiten gewoonweg verlegd naar Britannia, en streken dus daar de grote winsten op. Caesar ging dus op zoek naar andere routes en ontdekte de makkelijkere passage vanuit de streek rond Calais. tekst

[25] In omni Gallia eorum hominum qui aliquo sunt numero atque honore, genera sunt duo [nl. de druiden en de ridders] . Nam plebes paene servorum habetur loco, quae nihil audet per se, nulli adhibetur consilio. Plerique, cum aut aere alieno aut magnitudine tributorum aut iniuria potentiorum premuntur, sese in servitutem dicant nobilibus - in hos eadem sunt iura quae dominos in servos. (VI.13) tekst

[26] Bekend is de vervloeking van de Eburoonse "rex" Ambiorix door diens collega Catuvolcus, die zelfmoord pleegt wanneer hij ziet hoe zijn volk na de opstand tegen Caesar genadeloos wordt vervolgd: Catuvolcus, rex dimidiae partis Eburonum, qui una cum Ambiorige consilium inierat, aetate iam confectus, cum laborem belli aut fugae ferre non posset, omnibus precibus detestatus Ambiorigem, qui eius consilii auctor fuisset, taxo, cuius magna in Gallia Germaniaeque copia est, se exanimavit - Omdat Catuvolcus, koning over de helft der Eburonen, die samen met Ambiorix de onderneming [om het garnizoen van Sabinus en Cotta uit te moorden] had opgezet, het door zijn leeftijd niet meer aankon om de vermoeienissen van een oorlog of een vlucht te dragen, pleegde hij, nadat hij Ambiorix, die de eigenlijke initiatiefnemer was geweest van het opzet, met alle mogelijke formules had vervloekt, zelfmoord met gif van de taxus, waarvan er in Gallië en Germanië enorme hoeveelheden groeien. De bevolking is aan zichzelf overgelaten: Quorum pars in Arduinnam silvam, pars in continentes paludes profugit. Qui proximi Oceano fuerunt, hi insulis se occultaverunt, quas aestus efficere consuerunt. Multi, ex suis finibus egressi, se suaque omnia alienissimis crediderunt. - Een deel van hen vluchtte het Ardennerwoud in, een deel in eindeloze moeren. Die het dichtst bij de Oceaan gesitueerd waren, die verborgen zich op de eilanden die regelmatig door de getijden werden gevormd. Velen trokken weg uit hun woongebieden en vertrouwden zich met have en goed toe aan de wildvreemdste [mensen]. (VI.31) Caesar jaagt ze ongenadig op. Bekend is ook de meedogenloze aanpak van Vercingetorix, die tijdens de ultieme opstand vriend en vijand even wreed behandelde (vreselijk is VII.78). Vele Belgen vluchtten in de loop van de verovering naar Engeland en over de Rijn, naar gebieden in het huidige Nederland en Duitsland. tekst


Laatste aanpassing: 11 maart 2007.


Verder: Robert NOUWEN, "Van Caesar tot Tacitus: Kelten en Germanen in het licht van de culturele veranderingen omstreeks de erawisseling", Kleio, 28(1999), 114-124. Recent: De Kelten in Vlaanderen.


© Leopold Winckelmans - 1999-2006.

Valid HTML 4.01!   WebCounter