Een naamwoord dat van geen enkel ander woord
afhankelijk is -m.a.w.: dat alleen kan staan- staat in de
nominatief; in een lexicon of
een woordenboek staan de naamwoorden dus in deze naamval. Naamwoorden die
moeten overeenkomen (congrueren) met een naamwoord in de nominatief staan
uiteraard eveneens in deze naamval.
Een zinsdeel in de NOMINATIEF doet
dienst als ONDERWERP [//
getalsonderwerp]
Gallia est omnis divisa in partes
tres. - Gallië is als geheel (beschouwd)
verdeeld in drie delen.
In de moderne talen is het onderwerp
in de zin steeds uitgedrukt. Vele Latijnse zinnen daarentegen, hebben
geen uitgedrukt onderwerp.
Waar het Nederlands steeds een persoonlijk voornaamwoord
moet
gebruiken, doet het Latijn dit enkel wanneer het de persoon emfatisch
("met nadruk") gebruikt. Dat heeft als gevolg dat, wanneer in
een samengestelde zin het onderwerp hetzelfde blijft, wij in de
vertaling een aantal malen een persoonlijk voornaamwoord moeten gebruiken,
terwijl het Latijn dit niet doet. In het Latijn plaatst men zo'n
gemeenschappelijk onderwerp vaak op de allereerste plaats; in het
Nederlands moet het in één van de samenstellende zinnen worden
geplaatst.
Veni, vidi, vici. - Ik
kwam, ik zag, ik
overwon.
Ego vero oppono auriculam. -
Ík echter hou mijn oortje al klaar.
Quorum de natura moribusque Caesar
cum quaereret, sic reperiebat. - Over hun aard en gewoonten kwam
Caesar, toen hij
(daarover) navraag deed, het volgende te weten.
Caesar, necessariis rebus imperatis,
subsequebatur omnibus copiis -
Caesar volgde, toen de nodige bevelen waren gegeven,
met alle troepen. - Toen hij het nodige bevolen had,
volgde Caesar met alle troepen.
Eorum fines Nervii attingebant. - Aan hun
woongebieden raakten de Nerviërs.
Senatus haec intellegit,
consul videt. Hic tamen vivit.
- De senaat ziet dat in, de
consul ziet (het). Hij nochtans is in
(blijft) leven.
His rebus cognitis, exploratores centurionesque praemittit,
qui locum castris idoneum deligant. -
Toen dat alles geweten was, zond hij verkenners
en centurio's vooruit die een voor een bivak
geschikte plaats moesten zoeken.
Cum per eorum fines triduum iter fecisset, inveniebat ex captivis Sabin
flumen ab castris suis non amplius milia passuum decem abesse. - Toen
hij doorheen
hun woongebieden een mars van drie dagen had gemaakt, kwam
hij van krijgsgevangenen
te weten dat de Sabis niet meer dan tien mijl van zijn kamp gelegen was.
His rebus permotus Q.Titurius cum procul
Ambiorigem suos cohortantem conspexisset, interpretem suum Cn.
Pompeium ad eum mittit rogatum ut sibi militibusque
parcat. - Geschokt door deze dingen zondQ.Titurius, toen hij in de
verte Ambiorix zijn mannen zag aansporen, zijn tolk Cn. Pompeius naar hem
om te vragen dat hij hem en zijn soldaten zou sparen. -
Toen Q.Titurius, door deze dingen totaal van streek,
in de verte Ambiorix zijn mannen zag aansporen, zond
hij zijn tolk Cn. Pompeius naar hem om te vragen
dat hij hem en zijn soldaten zou sparen.
Typisch voor de moderne talen is een loos onderwerp
(HET) of een
plaatsonderwerp (ER), evenals een
voorlopig onderwerp (HET). Het Latijn kent
dit nauwelijks !
Tonat. - Het dondert.
Nemo est qui non sciat. -
Er
is niemand die niet weet.
Dicitur... - Er wordt
gezegd...
Narratur. - Het wordt
verteld.
Turpe est mentire. - Het
is lelijk te liegen.
Mos erat quotannis consules creari. -
Het was een gewoonte dat elk jaar
consuls werden verkozen.
Mittuntur ad Caesarem confestim a Cicerone
litterae. - Er werden naar
Caesar onmiddellijk brieven gezonden door Cicero.
Erant in ea legione fortissimi viri, centuriones.
- Er waren in dit legioen zeer
dappere kerels, centurio's.
Erat unus intus Nervius,
nomine Vertico. - Er was binnen één
Nerviër, Vertico genaamd.
Erat in Carnutibus summo loco natus Tasgetius. -
Er was bij de Carnuten (een man) van
hoge afkomst, Tasgetius.
Ac fuit antea tempus, cum Germanos Galli virtute
superarent. - Er is vroeger een
tijd geweest toen de Galliërs de Germanen in manhaftigheid
overtroffen.
Sunt quos curriculo pulverem Olympicum collegisse iuvat. -
Er zijn er die het geweldig vinden in een karretje
Olympisch stof te verzamelen.
Loos en voorlopig onderwerp komen wel voor met emfase. Zo kent het
Latijn eveneens het herhaald onderwerp, dat enkel emfatisch wordt gebruikt,
ook in het Nederlands.
Idem velle atque idem nolle, ea demum firma
amicitia est. - Hetzelfde nastreven en hetzelfde afwijzen,
dát is uiteindelijk hechte vriendschap.
Zie I.2. voor de verklaring van geslacht en getal van
ea.
Een zinsdeel in de NOMINATIEF doet dienst als
NAAMWOORDELIJK GEZEGDE [of het
naamwoordelijk deel van het naamwoordelijk gezegde].
Onderwerp en gezegde passen zich namelijk zoveel mogelijk aan elkaar aan,
in dit geval dus ten minste in naamval, zo mogelijk (b.v.
bij adjectieven en voornaamwoorden) ook in getal en geslacht.
Horum omnium fortissimi sunt
Belgae. - Van hen allen zijn
de Belgaede dappersten.
Haec est mea
coniunx. - Dat is
mijn vrouw. Het gezegde past zich aan in
naamval [= nominatief], het onderwerp in geslacht en getal
[= vrouwelijk enkelvoud].
Superioris anni munitionesintegrae manebant. - De
versterkingen van het vorige jaar bleven
intact.
In de Nederlandse grammatica onderscheidt men in het naamwoordelijk
gezegde het hoofdwerkwoord of koppelwerkwoord (zijn
[esse], worden [fieri, evadere,
existere] en blijven [manere]) en
een (noodzakelijke) aanvulling of naamwoordelijk deel. In het
Latijn blijft het koppelwerkwoord esse zeer vaak weg, vooral bij
dichters, tenzij de werkwoordsvorm om een of andere reden noodzakelijk
is (b.v. omwille van de wijze of de tijd). Dat is vooral opvallend bij
samengestelde werkwoordsvormen van het type vocatum esse.
Creditis avectoshostes? - Geloven jullie dat
de vijandenweggevaren
(zijn)?
MaterIulia Procilla
fuit. - (Zijn) moeder was (een)
Iulia Procilla.
Loci natura erat haec: -
De aard van het terrein was als
volgt:
Post tamen es tristis et asper, Amor. - Nadien
echter ben je ongenietbaar en hard, Amor.
Dulcius Urbe quid est ? -
Wat is aangenamer dan de stad
(= Rome).
Quae sunt maritimae
civitates. - Dat zijn
kustvolkeren.
Hic dies nostris
gravissimus fuit. - Die dag
is voor de onzen de zwaarste geweest.
Een zinsdeel(stuk) in de NOMINATIEF doet dienst als
BIJSTELLING of BEPALING VAN GESTELDHEID bij
het onderwerp
Gallia est omnis
divisa in partes tres. - Gallia is
als één geheel (beschouwd) verdeeld
in drie delen.
Hannibal, Hamilcaris
filius,
Karthaginiensis. -
Hannibal, zoon van
Hamilcar, van Karthago..
Erant in ea legione fortissimi viri,
centuriones. - Er waren
in dit legioen zeer dappere kerels,
centurio's.
Superior stabat lupus,
longeque inferioragnus. -
Stroomopwaarts stond de wolf,
een heel eind stroomafwaartshet
lam.
Een aantal werkwoorden die een bepaling van gesteldheid als aanvulling
vragen, gedragen zich in een passieve constructie als koppelwerkwoorden:
appellari, vocari, nominari, dici: genoemd worden,
heten
videri: gezien worden als, schijnen, blijken
haberi, putari, duci, reperiri, iudicari: beschouwd worden als, gehouden
worden voor
creari, eligi, deligi, fieri (passief van facere): benoemd worden tot,
gekozen worden als
Cicero creatus est
consul. - Cicero
werd tot consul verkozen.
..., quoniam qui primi, Rhenum transgressi,
Gallos expulerint ac nunc Tungri, tunc
Germani vocati sint. - ..., vermits (diegenen)
die als eersten de Rijn zijn overgestoken en de
Galliërs hebben verdreven en ook de huidige Tongeren,
toen Germanen zijn genoemd.
Vgl.: ..., in loco, quem Aquas Sextias vocant, ... - op de
plaats die ze Aquae Sextiae noemen, ...
... in finibus Carnutum, quae regio totius
Galliae media habetur, ... - ... in het gebied van
de Carnuten, welke streek wordt beschouwd
als het centrale (gebied) van geheel Gallië.
Sunt item quae appellantur
arces. - Er zijn er ook dieelanden worden genoemd (= heten).
Mea Delia, tecum dummodo sim, quaeso segnis
inersque vocer. - Mijn Delia, laat ik maar
lui en vadsig genoemd worden, [=
laat men mij maar lui en vadsig noemen] ik heb niet
liever, als ik maar bij jou kan zijn.
Het ONDERWERP is het zinsdeel dat met
de persoonsvorm overeenstemt in getal (getalscongruentie) en
persoon (persoonscongruentie):
In de eenvoudige, onafhankelijke mededelende zin staat dit
onderwerp links van de persoonsvorm, d.i. op de eerste plaats van de zin.
Als daar een ander zinsdeel staat, komt het onderwerp na de persoonsvorm
maar vóór de voorwerpen te staan. In de moderne talen, die
een vaste volgorde hebben van de zinsdelen in de zin, moet die plaats bezet
zijn om een welgevormde zin te hebben, in het Latijn, waar de volgorde van
de zinsdelen in principe vrij is, niet. Het Latijn kent dus nauwelijks een
loos onderwerp en een plaatsonderwerp, en ook het
voorlopig onderwerp komt slechts zelden voor.
Loos onderwerp: het bij onpersoonlijke werkwoorden
- Het regent.
- Het wordt kouder.
Plaatsonderwerp: er bij een persoonsvorm met het
getalsonderwerp na de persoonsvorm terwijl de eerste plaats onbezet zou
blijven.
- Er is niemand in de kamer. I.p.v.: In de kamer is niemand.
- Er speelden die dag vele kinderen op straat. I.p.v.: Op straat speelden
die dag vele kinderen.
Voorlopig onderwerp: het bij een persoonsvorm waarbij
de eerste plaats onbezet is en men het getalsonderwerp toch na de
persoonsvorm wil laten.
- Het is duidelijk dat zoiets niet kan. I.p.v.: Dat zoiets niet kan, is
duidelijk.
- Het was een ingewortelde gewoonte de nieuwelingen te dopen. I.p.v.: De
nieuwelingen dopen was een ingewortelde gewoonte.
Herhaald onderwerp: dat,... vóór een
persoonsvorm waarbij het getalsonderwerp toch op de eerste plaats staat.
- Dat zoiets niet kan, dat is duidelijk.
- De nieuwelingen dopen, het was een ingewortelde gewoonte.