I. - SYNTAXIS VAN DE NAAMVALLEN


I.1. - DE NOMINATIEF


[vorige - volgende - paradigmes - naamvallen]


I.0. - Definitie

[top || I.0. | I.1. | I.2. | I.3.1. | I.3.2. | I.3.3 | I.4.]

Een naamwoord dat van geen enkel ander woord afhankelijk is -m.a.w.: dat alleen kan staan- staat in de nominatief; in een lexicon of een woordenboek staan de naamwoorden dus in deze naamval. Naamwoorden die moeten overeenkomen (congrueren) met een naamwoord in de nominatief staan uiteraard eveneens in deze naamval.


I.1. - Onderwerp

[top || I.0. | I.1. | I.2. | I.3.1. | I.3.2. | I.3.3 | I.4.]

Een zinsdeel in de NOMINATIEF doet dienst als ONDERWERP [// getalsonderwerp]

In de moderne talen is het onderwerp in de zin steeds uitgedrukt. Vele Latijnse zinnen daarentegen, hebben geen uitgedrukt onderwerp.

Waar het Nederlands steeds een persoonlijk voornaamwoord moet gebruiken, doet het Latijn dit enkel wanneer het de persoon emfatisch ("met nadruk") gebruikt. Dat heeft als gevolg dat, wanneer in een samengestelde zin het onderwerp hetzelfde blijft, wij in de vertaling een aantal malen een persoonlijk voornaamwoord moeten gebruiken, terwijl het Latijn dit niet doet. In het Latijn plaatst men zo'n gemeenschappelijk onderwerp vaak op de allereerste plaats; in het Nederlands moet het in één van de samenstellende zinnen worden geplaatst.

  1. Caesar, necessariis rebus imperatis, subsequebatur omnibus copiis - Caesar volgde, toen de nodige bevelen waren gegeven, met alle troepen. - Toen hij het nodige bevolen had, volgde Caesar met alle troepen.
  2. Eorum fines Nervii attingebant. - Aan hun woongebieden raakten de Nerviërs.
  3. Senatus haec intellegit, consul videt. Hic tamen vivit. - De senaat ziet dat in, de consul ziet (het). Hij nochtans is in (blijft) leven.
  4. His rebus cognitis, exploratores centurionesque praemittit, qui locum castris idoneum deligant. - Toen dat alles geweten was, zond hij verkenners en centurio's vooruit die een voor een bivak geschikte plaats moesten zoeken.
  5. Cum per eorum fines triduum iter fecisset, inveniebat ex captivis Sabin flumen ab castris suis non amplius milia passuum decem abesse. - Toen hij doorheen hun woongebieden een mars van drie dagen had gemaakt, kwam hij van krijgsgevangenen te weten dat de Sabis niet meer dan tien mijl van zijn kamp gelegen was.
  6. His rebus permotus Q.Titurius cum procul Ambiorigem suos cohortantem conspexisset, interpretem suum Cn. Pompeium ad eum mittit rogatum ut sibi militibusque parcat. - Geschokt door deze dingen zond Q.Titurius, toen hij in de verte Ambiorix zijn mannen zag aansporen, zijn tolk Cn. Pompeius naar hem om te vragen dat hij hem en zijn soldaten zou sparen. - Toen Q.Titurius, door deze dingen totaal van streek, in de verte Ambiorix zijn mannen zag aansporen, zond hij zijn tolk Cn. Pompeius naar hem om te vragen dat hij hem en zijn soldaten zou sparen.
Typisch voor de moderne talen is een loos onderwerp (HET) of een plaatsonderwerp (ER), evenals een voorlopig onderwerp (HET). Het Latijn kent dit nauwelijks !
  1. Dicitur... - Er wordt gezegd...
  2. Narratur. - Het wordt verteld.
  3. Turpe est mentire. - Het is lelijk te liegen.
  4. Mos erat quotannis consules creari. - Het was een gewoonte dat elk jaar consuls werden verkozen.
  5. Mittuntur ad Caesarem confestim a Cicerone litterae. - Er werden naar Caesar onmiddellijk brieven gezonden door Cicero.
  6. Erant in ea legione fortissimi viri, centuriones. - Er waren in dit legioen zeer dappere kerels, centurio's.
  7. Erat unus intus Nervius, nomine Vertico. - Er was binnen één Nerviër, Vertico genaamd.
  8. Erat in Carnutibus summo loco natus Tasgetius. - Er was bij de Carnuten (een man) van hoge afkomst, Tasgetius.
  9. Ac fuit antea tempus, cum Germanos Galli virtute superarent. - Er is vroeger een tijd geweest toen de Galliërs de Germanen in manhaftigheid overtroffen.
  10. Sunt quos curriculo pulverem Olympicum collegisse iuvat. - Er zijn er die het geweldig vinden in een karretje Olympisch stof te verzamelen.

Loos en voorlopig onderwerp komen wel voor met emfase. Zo kent het Latijn eveneens het herhaald onderwerp, dat enkel emfatisch wordt gebruikt, ook in het Nederlands.

  1. Idem velle atque idem nolle, ea demum firma amicitia est. - Hetzelfde nastreven en hetzelfde afwijzen, dát is uiteindelijk hechte vriendschap. Zie I.2. voor de verklaring van geslacht en getal van ea.
  2. Illud magni interest. - Dat is van groot belang.

I.2. - Gezegde

[top || I.0. | I.1. | I.2. | I.3.1. | I.3.2. | I.3.3 | I.4.]

Een zinsdeel in de NOMINATIEF doet dienst als NAAMWOORDELIJK GEZEGDE [of het naamwoordelijk deel van het naamwoordelijk gezegde]. Onderwerp en gezegde passen zich namelijk zoveel mogelijk aan elkaar aan, in dit geval dus ten minste in naamval, zo mogelijk (b.v. bij adjectieven en voornaamwoorden) ook in getal en geslacht.

In de Nederlandse grammatica onderscheidt men in het naamwoordelijk gezegde het hoofdwerkwoord of koppelwerkwoord (zijn [esse], worden [fieri, evadere, existere] en blijven [manere]) en een (noodzakelijke) aanvulling of naamwoordelijk deel. In het Latijn blijft het koppelwerkwoord esse zeer vaak weg, vooral bij dichters, tenzij de werkwoordsvorm om een of andere reden noodzakelijk is (b.v. omwille van de wijze of de tijd). Dat is vooral opvallend bij samengestelde werkwoordsvormen van het type vocatum esse.

  1. Mater Iulia Procilla fuit. - (Zijn) moeder was (een) Iulia Procilla.
  2. Loci natura erat haec: - De aard van het terrein was als volgt:
  3. Post tamen es tristis et asper, Amor. - Nadien echter ben je ongenietbaar en hard, Amor.
  4. Dulcius Urbe quid est ? - Wat is aangenamer dan de stad (= Rome).
  5. Quae sunt maritimae civitates. - Dat zijn kustvolkeren.
  6. Hic dies nostris gravissimus fuit. - Die dag is voor de onzen de zwaarste geweest.

I.3.1. - Aanspreking

[top || I.0. | I.1. | I.2. | I.3.1. | I.3.2. | I.3.3 | I.4.]

Een woord(groep) in de NOMINATIEF, buiten zinsverband, doet dienst als AANSPREKING. Zie onder de syntaxis van de vocatief


I.3.2. - Uitroep

[top || I.0. | I.1. | I.2. | I.3.1. | I.3.2. | I.3.3 | I.4.]

Een woord(groep) in de NOMINATIEF, buiten zinsverband, doet dienst als UITROEP


I.3.3. - Titel

[top || I.0. | I.1. | I.2. | I.3.1. | I.3.2. | I.3.3 | I.4.]

Een woord(groep) in de NOMINATIEF, buiten zinsverband, doet dienst als TITEL


I.4. - Bijstelling en bepaling van gesteldheid

[top || I.0. | I.1. | I.2. | I.3.1. | I.3.2. | I.3.3 | I.4. ]

Een zinsdeel(stuk) in de NOMINATIEF doet dienst als BIJSTELLING of BEPALING VAN GESTELDHEID bij het onderwerp

  1. Hannibal, Hamilcaris filius, Karthaginiensis. - Hannibal, zoon van Hamilcar, van Karthago..
  2. Erant in ea legione fortissimi viri, centuriones. - Er waren in dit legioen zeer dappere kerels, centurio's.
  3. Superior stabat lupus, longeque inferior agnus. - Stroomopwaarts stond de wolf, een heel eind stroomafwaarts het lam.

Een aantal werkwoorden die een bepaling van gesteldheid als aanvulling vragen, gedragen zich in een passieve constructie als koppelwerkwoorden:

appellari, vocari, nominari, dici: genoemd worden, heten
videri: gezien worden als, schijnen, blijken
haberi, putari, duci, reperiri, iudicari: beschouwd worden als, gehouden worden voor
creari, eligi, deligi, fieri (passief van facere): benoemd worden tot, gekozen worden als

  1. ..., quoniam qui primi, Rhenum transgressi, Gallos expulerint ac nunc Tungri, tunc Germani vocati sint. - ..., vermits (diegenen) die als eersten de Rijn zijn overgestoken en de Galliërs hebben verdreven en ook de huidige Tongeren, toen Germanen zijn genoemd.
    Vgl.: ..., in loco, quem Aquas Sextias vocant, ... - op de plaats die ze Aquae Sextiae noemen, ...
  2. ... in finibus Carnutum, quae regio totius Galliae media habetur, ... - ... in het gebied van de Carnuten, welke streek wordt beschouwd als het centrale (gebied) van geheel Gallië.
  3. Sunt item quae appellantur arces. - Er zijn er ook die elanden worden genoemd (= heten).
  4. Mea Delia, tecum dummodo sim, quaeso segnis inersque vocer. - Mijn Delia, laat ik maar lui en vadsig genoemd worden, [= laat men mij maar lui en vadsig noemen] ik heb niet liever, als ik maar bij jou kan zijn.

 



Het ONDERWERP is het zinsdeel dat met de persoonsvorm overeenstemt in getal (getalscongruentie) en persoon (persoonscongruentie):

In de eenvoudige, onafhankelijke mededelende zin staat dit onderwerp links van de persoonsvorm, d.i. op de eerste plaats van de zin. Als daar een ander zinsdeel staat, komt het onderwerp na de persoonsvorm maar vóór de voorwerpen te staan. In de moderne talen, die een vaste volgorde hebben van de zinsdelen in de zin, moet die plaats bezet zijn om een welgevormde zin te hebben, in het Latijn, waar de volgorde van de zinsdelen in principe vrij is, niet. Het Latijn kent dus nauwelijks een loos onderwerp en een plaatsonderwerp, en ook het voorlopig onderwerp komt slechts zelden voor.

Loos onderwerp: het bij onpersoonlijke werkwoorden

- Het regent.
- Het wordt kouder.

Plaatsonderwerp: er bij een persoonsvorm met het getalsonderwerp na de persoonsvorm terwijl de eerste plaats onbezet zou blijven.

- Er is niemand in de kamer. I.p.v.: In de kamer is niemand.
- Er speelden die dag vele kinderen op straat. I.p.v.: Op straat speelden die dag vele kinderen.

Voorlopig onderwerp: het bij een persoonsvorm waarbij de eerste plaats onbezet is en men het getalsonderwerp toch na de persoonsvorm wil laten.

- Het is duidelijk dat zoiets niet kan. I.p.v.: Dat zoiets niet kan, is duidelijk.
- Het was een ingewortelde gewoonte de nieuwelingen te dopen. I.p.v.: De nieuwelingen dopen was een ingewortelde gewoonte.

Herhaald onderwerp: dat,... vóór een persoonsvorm waarbij het getalsonderwerp toch op de eerste plaats staat.

- Dat zoiets niet kan, dat is duidelijk.
- De nieuwelingen dopen, het was een ingewortelde gewoonte.

terug


© Leopold Winckelmans - 1999-2006.

Valid HTML 4.01!   WebCounter