Albius Tibullus

[Home || El. I.1, I.3 | Verkl. I.3 || Vert. I.3]


Romeins hereboer (?) en dichter. Gabii, 54 v.Chr. (?) - 19 v.Chr. Werken: ElegieŽn.


Deze begaafde Latijnse dichter was een lid van de literaire salon van M. Valerius Messalla Corvinus, beschermheer van (o.m.) Ovidius.

Over zijn leven weten wij niet veel. Hij stierf in 19 v.Chr. en was geboren rond 54 v.Chr., waarschijnlijk te Gabii, een Latijns stadje "in regione Pedana". Hij behoorde tot de gegoede Romeinse ridderstand - hijzelf spreekt wel over zijn armoede (paupertas), maar zijn vriend Horatius dacht daar anders over. Als zovele jonge Romeinse ridders van stand voor hem volgde hij, amicitiae causa, zijn patronus op diens veldtochten, naar het Oosten (30 v.Chr.) en naar GalliŽ (28 v.Chr.). Elk jaar weer vertrok hij tegen zijn zin en zo laat mogelijk naar de campagnes...

Horatius' portret van de jonge dichter leert ons dat hij een ernstige, gewetensvolle jongeman was, zeer begaafd bovendien, die alles volmaakt wilde en zelf "de beste" wilde zijn. Zowel uit dergelijke gedichten die door vrienden aan hem werden gewijd, als uit zijn eigen werken komt hij dan ook naar voor als een typische romantische figuur die aan "Weltschmerz" leed, zich niet goed in zijn vel voelde bij de onvolmaaktheid en hardheid van de maatschappij. Overheersend in al zijn elegieŽn is een verlangen (utopisch voor een Romein van zijn stand) naar een leven zonder lastige verplichtingen, een hunkeren naar de zachte troost die rust en stabiliteit kunnen bieden aan een kwetsbaar karakter, bovenal een drang om "geliefd" te zijn.

Op zijn 27ste was Tibullus al een gevierd dichter, en hij moet dus zeer jong zijn geweest toen hij zijn eerste successen oogstte. Het zgn. corpus Tibullianum -een "corpus" zijn alle werken die op naam van ťťn auteur zijn overgeleverd- omvat vier boeken, waarvan alleen de eerste twee zeker van Tibullus zijn. Afgezien van enkele gelegenheids- en pastorale gedichten bevatten zij liefdeselegieŽn over Delia en, nadat deze hem in de steek had gelaten, over Nemesis (beide namen zijn pseudoniemen). Zijn elegieën verraden een weinig agressief temperament, afkerig van geweld en oorlog. Hierdoor spreekt hij meer aan dan Propertius, met wie hij de belangrijkste vertegenwoordiger van de Latijnse liefdeselegie is. Tibullus' poŽzie leest vrij vlot, omdat hij minder een poeta doctus wil zijn en meer naar directe uitdrukking streeft dan andere collega's - qui sapere et fari possit quae sentiat, schreef Horatius.

In het derde boek van het corpus Tibullianum zijn de elegieŽn overgeleverd van een zekere Lygdamus over zijn geliefde Neaera. Het vierde begint met een loflied op Messalla en omvat verder o.m. epigrammen waarin de dichteres Sulpicia, een nichtje van Messalla, haar liefde tot Cerinthus uitzingt. De zes gedichten van Sulpicia (in totaal slechts 40 verzen) verdienen bijzondere aandacht; ze zijn oprecht en eenvoudig, zonder gebruik van enig mythologisch apparaat, en de gevoelens die zij tot uitdrukking brengt, zijn zeer modern.

Tibullus' werk werd reeds in de Oudheid letterlijk van de vergetelheid gered: het dunne boekje met zijn verzamelde gedichten draagt er de kenmerken van. Een tweede maal gebeurde dit in de vroege Renaissance, toen Tibullus opnieuw de harten veroverde met zijn zachte, eenvoudige melancholie. Aan de jong gestorven dichter -hij fantaseerde zo vaak over zijn eigen dood- heeft Ovidius een ontroerende elegie gewijd vol verwijzingen naar Tibullus' teksten. Een gedicht van de renaissancedichter Pierre de Ronsard bewijst dat niet alleen hijzelf, maar ook zijn pupil, de schone HťlŤne, zulke teksten van Tibullus en van Ovidius door en door kenden.

[Home | top]


© Leopold Winckelmans - 1999-2006.

Valid XHTML 1.0!   WebCounter