Sulpicia - Corpus Tibullianum III.13 (IV.7)

Commentaar

[Home]



I. Inleiding (1-2)

Top || 1-2 3-4 5-6 7-8 9-10

tandem | venit am|or / qua|lem tex|isse pud|ori
quam nu|dass' ali|cui / sit mihi | fama ma|gis.

Tandem, eindelijk, van iets waarop men lang heeft gewacht, of tenslotte.

Venit kan een indicatief perfectum praesens zijn ("hij is nu bij mij") of een indicatief perfectum historicum ("hij kwam naar mij", ik kreeg bezoek van hem).

Amor is de liefde als gevoel, als boven-menselijke kracht (numen) en als god. Wij hebben de keuze.

Qualem (antecedent: amor) kan je zien als een betrekkelijk voornaamwoord [ 1] bij amor: een liefde van een soort die... (een beperkende relatiefzin). Ik interpreteer het liever als een schijnrelatief: eindelijk is de liefde gekomen: iets dergelijks..., zo iets / iemand... (een uitbreidende betrekkelijke bijzin).

Tegere [2] (afdekken, verbergen ) heeft ook de betekenis van afschermen of beschermen tegen een dreiging. De dreiging komt van pudor. De datief (pudori) is niet ongewoon ter vervanging van [a +] ablatief, wat een normale constructie zou zijn bij tegere in deze betekenis. Pudore is een tweede lezing in A die zelfs niet eens noodzakelijk is, daar dichters zowel -i als -e gebruiken, echter meestal "metri causa". Dat laat meerdere mogelijkheden open: 1° natuurlijk [a] pudore, 2° een ablatief instrumentalis (middel - reden): afschermen met of uit pudor. Toch -d.i. met het oog op de uiteindelijke interpretatie- lijkt een ablatief weinig waarschijnlijk, gezien 1°: het parallellisme in de cola en 2°: v.9 (voorlopig nog veraf !): vultus componere famae, dat hetzelfde zegt in een concreet beeld. Een datief staat b.v. ook met latere i.p.v. de klassieke accusatief [2.a].

Pudor is de schaamte, de verlegenheid vóór- of nadat men iets heeft gedaan, evenals de schande die volgt op wat men doet[3]. De term is bij dichters vaak een synoniem van pudicitia: ingetogenheid, kuisheid en de patrones daarvan: Pudicitia. De moeite waard: R. A. Kaster, The Shame of the Romans.

Alicui is (één of ander) iemand. De vorm is drielettergrepig (a-li-cui) i.p.v. vierlettergrepig (a-li-cu-i), een scansie die nog voorkomt, o.a. bij Ovidius. Het gebruik van de datief wijst erop dat nudare (ontbloten, onthullen) in zijn betekenis van openbaren, vertellen is gebruikt, maar het staat ook tegenover tegere: blootstellen aan een dreiging.

Fama est (het verhaal wil dat... , men zegt dat...) vraagt een infinitiefconstructie, zoals b.v. in Ovidius' Esse viros fama est in Hyperboraea Pallene. De vorm waarin Sulpicia de zin heeft gegoten ( een infinitief zonder accusatief) geeft aan sit mihi fama de betekenis van ferar in de laatste regel. Daarenboven kan de typische constructie met quam aan de toehoerder iets gesuggereerd hebben in de zin van praestat, malo, ... , zoals in Esse quam videri praestat. Dus is malle hier aanwezig onder de vorm van magis + volitieve conjunctief. Met als resultaat: Qualem texisse pudori quam nudasse alicui ferri malo. [4]
Sit mihi fama is dus synoniem met ferar (fama betekent naast reputatie, roddel, etc. [5] ook: overlevering, verhaal). Als zodanig markeert de uitdrukking het einde van het inleidend distichon, zoals dicetur het einde van deel één en ferar dat van deel twee (zie verder). Zij alludeert hier op gedichten die van haar "spreken" (of zouden kunnen spreken) [5.a.].

Deze uitspraak werpt een speciaal licht op de betekenis van Tandem venit amor. Zij heeft al wel eens gevoelens gehad voor een jongen, vroeger, maar dit is anders, dit is zo'n ongelooflijk gevoel... Vandaar: qualem, zoiets / ~ iemand... De zin is ook belangrijk voor het vervolg van het epigram: hoe men ook vertaalt, de betekenis blijft dat zij niets heeft gedaan (of: zou doen) wat niet hoorde. En dat mag (of moet) gezegd worden[6].

Bemerk nu de opbouw van het distichon: aABb, met A en B parallel en a + b een pentameter :
Tandem venit amor | qualem texisse pudori / quam nudasse alicui | sit mihi fama magis.

De vier halve verzen worden nu stuk voor stuk uitgewerkt in het corpus van het epigram: vier disticha die twee delen vormen, welke respect. aan de hexameter (vv. 3-4 en 5-6) en de pentameter (vv. 7-8 en 9-10) beantwoorden .


Top || 1-2 3-4 5-6 7-8 9-10

I. Amor

I.1. Tandem venit Amor (3-4)

exo|rata me|is / il|lum Cythe|rea Ca|menis
attulit | in nos|trum / deposu|itque si|num

exorata meis illum Cytherea Camenis - De schikking van de woorden tovert de toehoorder een zeer teder beeld voor ogen: de moeder met haar kind, vergezeld van de Muzen[7]. Wij mogen niet vergeten dat van al deze goden en godjes tempels en altaren en vooral afbeeldingen bestonden, dat beelden, beeldjes, schilderijen, fresco's, etc. hen tot leven lieten komen. Zo zag de toehoorder hierin zonder moeite de concrete figuren.

Exorare: door smeken vermurwen, overreden, afsmeken.

Cytherea, het welbekende epitheton voor Venus, vinden we in het corpus Tibullianum niet meer. Dit is de enige keer dat het is gebruikt.

Het centraal geplaatste illum -de welbekende, hém- is natuurlijk Amor/Eros, het kleine zoontje van Aphrodite. Illum is het lijdend voorwerp van attulit en deposuit, en ook van exorata, zoals in Ovidius' (Met., 9.700): Dea sum auxiliaris opemque | exorata fero, nec te coluisse quereris | ingratum numen. Nadat zij hem afsmeekte met haar gedicht(en), bracht de Griekse godin hem naar haar en legde hem aan haar hart.

Camena -oorspronkelijk een bronnymf met profetische gaven- is de Latijnse naam voor Musa. De naam staat zowel voor de godin als voor het werk dat zij inspireert: meis Camenis = mijn inspiratie = mijn poëzie.
Ik heb de indruk dat Sulpicia met meis Camenis vooral wil benadrukken dat ze "Latijnse" verzen schrijft, d.w.z. een oud Latijns genre beoefent. Toch geeft ze misschien ook te verstaan hoe nederig en klein die Muzen zijn tegenover de dochter van Zeus, m.a.w. dat Sulpicia niet de verfijning of geleerdheid heeft van de "Alexandrijnen". Of misschien hoe die nederige en kleine Muzen tegenover de dochter van Zeus staan, m.a.w. dat Sulpicia de verfijning of geleerdheid van de "Alexandrijnen" niet moet hebben. Daarom laat ze meis Camenis met de Olympische Cytherea contrasteren. Camenae vinden we slechts driemaal gebruikt in het corpus Tibullianum, hier en twee maal in de Panegyricus Messalae[8].
Wie de verbinding Muzen - poëzie - gebed vergezocht vindt, moet bedenken: 1° dat de Romeinen de gedichten voordroegen en 2° dat de technische term voor "gedicht" evengoed "carmen" was als voor de magische gebeden. Vaak waren gedichten ook echte "gebeden" tot een god (Apollo, Amor, Venus,...)[9] . Wat Sulpicia hier zegt, was dus een zeer reëel iets, niettegenstaande het ook een topos was: Ovidius, Tristia, 2.22: exorant magnos carmina saepe deos. 3° Het zat in het taaleigen, wat we kunnen afleiden uit b.v. Cicero, Phil., 2.4.8: Quo me teste convinces ?.

attulit deposuitque in nostrum sinum - Venus heeft Amor naar Sulpicia gebracht, zij mocht hem aan haar hart drukken en zij mag hem bij haar houden. Het is een zeer sterk beeld en zeer tekenend voor haar nieuwe gevoelens: dit is Amor in persoon, zij en niemand anders heeft de "echte"[10].

Adferre wordt gebruikt met een L.V. als delectationem, dolorem, luctum, spem,... en een datief van de belanghebbende persoon: blijdschap, pijn, verdriet, hoop doen ontstaan bij iemand. Hier staat in + accusatief : brengen (naar), omdat het beeld dat vraagt. Maar 1° amor is tegelijk hetgeen zij voelt én Amor, het numen dat de oorzaak is van haar gevoelens, en 2° in + acc. en datief zijn verwisselbaar in poëzie. Beide betekenissen van adferre zijn hier m.i. aanwezig.

In nostrum sinum staat er op de eerste plaats zo omwille van deponere: plaatsen, neerzetten, deponeren op/in. Deponere heeft ook de betekenis van toevertrouwen, in handen geven; dan staat er gewoonlijk in + ablatief of a(pu)d + accusatief voor de plaats waar en de persoon waaraan iets in veilige bewaring wordt gegeven. Maar ook nu kunnen we aannemen dat beide betekenissen samen aanwezig zijn.

Sinus heeft hier alle betekenissen van ons woord boezem en zijn synoniem hart (b.v.: iemand aan het hart drukken). De complexu eius ac sinu, zegt Cicero over de boezemvrienden van Catilina, met een uitdrukking die hij ook gebruikt in zijn brieven: sit in sinu et complexu meo, "laat hem aan mijn hart en in mijn armen komen".[11]

Top || 1-2 3-4 5-6 7-8 9-10

I.2. Qualem texisse pudori... (5-6)

exol|vit / pro|missa ve|nus / mea | gaudia | narret
dice|tur si | quis / non habu|isse su|a.

Volg eerst de groei van vers 5 en de steeds wisselende betekenis van de woordcombinaties:
Exsolvit promissa (i.e.: Cytherea). |
Exsolvit promissa Venus. |
Exsolvit promissa [,] Venus mea. |
Exsolvit promissa [,] Venus [,] mea [,] gaudia. |
Exsolvit promissa Venus mea gaudia. Narret. of
Exsolvit promissa, Venus mea, gaudia. Narret. of
Exsolvit promissa, Venus mea. Gaudia narret.
Weer interpretatiemogelijkheden genoeg dus... en de lijst is niet exhaustief. Wie vervulde "beloften" ? Was het Amor ("Venus" is dan vocatief) of was het Venus ? Wie mag iets vertellen en wat ?

Dit centrale vers, dat nog de intimiteit van de vorige verzen heeft, is een afgerond geheel, mooi en evenwichtig gestructureerd. Toch blijkt de gedachtengang niet afgerond. Het enjambement narret /dicetur leidt ons naar vers 6, dat de tweede helft van het epigram aankondigt: (...) si quis | non habuisse sua (gaudia) / suam (puellam / Venerem ? lezing van A). Vraag is hoe wij (...) moeten invullen. De mogelijkheden zijn: Mea gaudia narret of Narret (wij komen hierop dadelijk terug). Hoe men deze twee verzen ook wilde interpreteren, de betekenis was m.i. duidelijk genoeg: Sulpicia was niet van plan hem ook maar één detail te verklappen.

De overgang Cytherea - Venus markeert (opzettelijk) een overgang in de toon: wat als een gevoelige elegie is begonnen verandert in een epigram. De tedere beelden van de eerste verzen -die bij nader inzien sterk erotisch kunnen geïnterpreteerd worden- maken plaats voor de gewone parafrases uit de erotische poezie -die dan eveneens, weer bij nader toezien, in de zin van de eerste verzen kunnen worden geïnterpreteerd ! Hoe men b.v. Venus mea ook wilde interpreteren, de zin was duidelijk genoeg: alles is geweest zoals ik verwachtte dat het ging zijn.

Exsolvere betekent: een schuld inlossen, een belofte vervullen, zoals in Civero's Non exsolvit quod promiserat (Off., 2.7).

Promissa (participium van promittere - beloven, in het vooruitzicht stellen, verwachtingen wekken [12]) kan alleen staan ("beloften"), maar ik zie het liever bij gaudia.

Gaudia staat in de poezie té vaak voor lichamelijk genot om er die betekenis hier niet onmiddellijk aan vast te knopen. Daarnaast is er uiteraard de neutrale betekenis: [voorwerp van] vreugde, blijdschap.

Venus mea [13]staat zowel voor de godin als voor de (lichamelijke) liefde, de lust. Ook die betekenis is in de poezie té verspreid om hier niet verondersteld te worden, zeker in combinatie met gaudia. Als we promittere interpreteren als in het vooruitzicht stellen mogen we ook de heldere morgenster, de planeet Venus, niet uitsluiten en er een verwijzing in zien naar astrologische praktijken. [14] !

Narrare heeft hier de betekenis van spreken ("het ganse verhaal doen"). Narret heeft wel als onderwerp quis - vaak wordt mea gaudia als L.V. van narret gezien en Venus als onderwerp. Dat kan uiteraard, maar waarom niet sua als het lijdend voorwerp zien en lezen: "Als er van iemand verteld wordt dat hij niet de pleziertjes heeft gehad die hij verwachtte, mag hij zijn verhaal vertellen"? M.i. verwijst Sulpicia hier naar de elegie en naar haar vrienden(?)-elegische dichters, die inderdaad enkel vertellen over het genot dat zij niet vinden of hebben gevonden. Dus betekent dit vers: Ik ga er niets over schrijven [: inderdaad, ik mag het niet, omdat ik nu eenmaal wél genot heb gevonden]. [Dit afwijzen van de romantische, aan Weltschmerz lijdende elegie sluit goed aan bij het no-nonsens karakter van Sulpicia's verzen en het doet mij onwillekeurig denken aan Sallustius' hooghartig afwijzen (Catilina, 4.1) van diegenen die enkel "het land bewerken" en "jagen" kennen om de ledige uren van hun bonum otium op te vullen.] In elk geval is de betekenis duidelijk: ik vertel niets.

Habere heeft z'n betekenissen van in bezit hebben, hebben (waar je recht op hebt), ook van kennen, weten (uit ondervinding: ± beet hebben), misschien van [angst, hoop,...] hebben.

Waarschijnlijk wel sua (gaudia), maar de lezing van A, nl. suam (puellam?), mag niet onmiddellijk uitgesloten worden[15]...


Top || 1-2 3-4 5-6 7-8 9-10

II. Fama

II.1. quam nudasse alicui... (7-8)

non ego | signa|tis / quic|quam man|dare ta|bellis
me legat | id ne|mo / quam meus | ante ve|lim

Ook vers 7-8 groeien weer langzaam en zetten ons voor verrassingen:
Non ego (narram of dicar)[16]. |
Non ego (dicar) signatis quicquam mandare tabellis (i.e: non narram). Deze betekenis verdwijnt op haar beurt in het enjambement naar v.8, dat het vorige vers in een totaal nieuwe constructie omtovert:
Non ego [... ?] signatis quicquam mandare tabellis / me [=acc. cum inf.]. Non krijgt sterke emfase door de plaatsing aan het begin van het vers, en ook me krijgt nu sterke emfase op deze plaats: ík [17]. Het vervolg groeit langzaam naar een pointe:
[acc.c.inf.] legat. (wie?) |
[acc.c.inf]: legat id [id herhaalt de voorwerpszin].|
[acc.c.inf]: legat id nemo. |
[acc.c.inf]: legat id nemo quam meus |
[acc.c.inf]: legat id nemo quam meus ante |
[acc.c.inf]: legat id nemo quam meus ante velim. Velim vertelt ons eindelijk wat na ego dient te worden ingevuld.

Zeker ben ik hier van niets, integendeel: de copiisten hebben met dit vers veel moeilijkheden gehad en er zijn te veel varianten die kunnen leiden tot diametraal tegengestelde interpretaties en vertalingen: ne [i.p.v. nec ?] legat id nemo quam meus ante velim (Plantijn - lezingen van g) - me legat ut [17.a]nemo quam meus ante velim (Cuiacianus-Postgate) - me legat id venio qm meus ante velim (A) en eventuele andere combinaties. Ik heb gekozen voor de lezing van A, met nemo i.p.v. venio[18]. Maar ook dan is niets zeker... Eerst mijn interpretatie van dit distichon: Dat ík niet één woord op papier zet, dat niemand vóór mijn (minnaar) dàt leest, dat zou ik willen. En nu ben ik wat uitleg verschuldigd...

Non staat wel bij quicquam en niet bij signatis, zoals soms is gesuggereerd: de schikking (non ego signatis quicquam mandare tabellis) is een bijkomend argument.

Signata tabella kan een briefje, een nota zijn. Tabellae staat voor het welbekende dubbel wastafeltje, signataeals het verzegeld en/of ondertekend was en dus te identificeren, maar ook "officieel" (dat laatste is nogal eens de betekenis van signata bij tabella) of "geheim". Briefjes circuleerden inderdaad druk tussen de heimelijke geliefden en een slavin b.v. speelde voor go-between[19].
Eens geopend kon iedereen de inhoud lezen en weten waar het vandaan kwam. Zo kon alles mooi op weg zijn om een rumor te worden, met als gevolg: fama. Dus kan Sulpicia hier wijzen op het feit dat ze niet zó was. Of ze kan simpelweg laten voelen dat ze wil dat alles openbaar wordt, wat mogelijk in de gedachtengang is van het slot van het epigram, maar niet met het begin. Misschien moeten we interpreteren "officieel" en er een waarschuwing in zien: denk maar niet dat ik een engagement aanga door alles "officieel" te maken. Om een exacte opinie te vormen van de achterliggende gedachten, loont het de moeite er de woordenboeken op na te slaan voor de betekenissen van (ob)signare en tabella, en ook Horatius, Epist., 1.13 eens te herlezen, of b.v. Catullus, 68.45-46.

Mandare, overhandigen, toevertrouwen aan, b.v. litteris, memoriae (datief): op schrift stellen, opschrijven. Er is echter ook de betekenis een opdracht toevertrouwen, gelasten, (iemand iets) toevertrouwen ... en dan zou signatis tabellis een instrumentale ablatief kunnen zijn... We mogen deze interpretatie niet onmiddellijk uitsluiten.
Mandare wordt gewoonlijk beschouwd als een infinitief na velle zijn [type: Volo gratus haberi], een lezing die sterk de interpretatie en ook de tekstkritiek van het vervolg heeft beïnvloed.

Me is accusatief-onderwerp van mandare. Dat me is uitgedrukt in een infinitiefconstructie na velim is niet ongewoon. De gevoelswaarde is dan nogal eens dat men zichzelf tot iets moet dwingen; dat past hier wel in de context.[20]
De infinitiefconstructie hangt m.i. nochtans af van legat en id is dan een benadrukt "dát", met de betekenis: i.p.v. wat jij verwachtte (nl.: dat ik het ganse verhaal ging doen). De betekenis is dan de volgende: Dat niemand vóór mijn (minnaar) dit zou lezen, (nl. dat ík niet één woord aan een ondertekend briefje toevertrouw) dat wens ík... Legat zal later blijken een conjunctief te zijn bij velim. Voorlopig echter is het een gewone volitieve conjunctief praesens.

Onderwerp van legat is nemo quam meus ante. Nemo is niemand of Niemand. M.i. laat Sulpicia alicui en quis in dit woord echoën, en we moeten ons bewust zijn van de connotatie nemo - ne quis, met een verwijzing naar de alicui en de quis van de inleiding en het eerste deel. We krijgen dan "iemand" en "vertellen" én in de inleiding, én in het eerste én in het tweede deel.

Quam meus ante is een schikking voor antequam meus die we nog vinden. Meus is haar "vriend". Eerste verrassende wending: niemand mag het lezen, in die zin dat haar jongen de eerste moet zijn om het te vernemen, daarna geldt de restrictie niet meer.

Velim + conjunctief maakt van een eventueel verbod ("niemand mag...") een volwaardige wensconstructie (Utinam nemo legat id...)[21] ("ik zou willen/ik hoop dat niemand...") die het laatste distichon inleidt: dat hoop ik, maar...

Hier ligt een eerste pointe, denk ik. Ik weet alles, lijkt Sulpicia te zeggen, wie je ook mag zijn, ik weet dat jij iets van mijn (poëtische) correspondentie hebt gelezen en publiek gemaakt. Goed, deze wastafeltjes mag je openen en dan deze boodschap lezen: dat je niets gaat ontdekken over wat er is gebeurd. Les deze verzen maar, met hun duizend verschillende betekenissen, en vertel ze maar rond, zodat niemand het uiteindelijk nog weet. Dit zijn smerige versjes, want door "nemo" te gebruiken sluit ze de mogelijkheid in dat het haar eigen minnaar was die de schuld droeg. Maar de echte pointe moet nog komen...

Top || 1-2 3-4 5-6 7-8 9-10

II.2. sit mihi fama magis. (9-10)

sed pec|casse iu|vat / vul|tus com|ponere | famae
taedet | cum dig|no / digna fu|isse fer|ar.

Volg weer v.9: sed peccasse iuvat, vultus componere famae.Dit leest men als volgt: maar ik vind het leuk te doen wat niet mag, de schijn op te houden omwille van mijn/een reputatie. Weer zorgt het enjambement van taedet in v.10 voor verwarring. sed peccasse iuvat, vultus componere famae taedet. |
sed peccasse iuvat, vultus componere famae taedet cum digno. |
sed peccasse iuvat, vultus componere famae. Taedet cum digno digna fuisse. |
sed peccasse iuvat, vultus componere famae taedet. Cum digno digna fuisse ferar. of
sed peccasse iuvat, vultus componere famae taedet, cum digno digna fuisse ferar. of
sed peccasse iuvat, vultus componere famae taedet cum digno. Digna fuisse ferar. De pointe ligt dus in het zeer zorgvuldig gekozen laatste woord: de schijn ophouden is ze beu, fuisse staat bij ferar.

Blijvende oorzaak van verwarring is de conjunctief praesens ferar. Die lees ik als een conjunctief na een cum historicum (wat baat het nog, nu ik toch al hét onderwerp van gesprek ben) maar die kan evengoed een aansporing inhouden ("men moet vertellen dat ik waardig ben geweest met iemand die waardig is"). Deze dubbelzinnigheid wordt niet opgelost. Wat dit betekent en meteen hoe we de rest moeten lezen wist enkel de bestemmeling van dit briefje... Maar laat ons eerst de details bekijken...

Sed (maar) leidt óf een tegenstelling in (maar toch of niet (alleen)... maar (ook)) óf een nieuwe gedachte ("genoeg daarover": Maar... of En...).

Peccare (est tamquam transilire lineas zegt Cicero) kan in al zijn betekenissen toepasselijk zijn in dit gedicht: een fout maken, iets doen dat niet mag of niet kan, vaak zondigen op sexueel gebied: ontrouw zijn [22].
Peccasse kan een "infinitief aorist" zijn (ofwel neutraal ofwel een gebeurd feit zoals texisse en nudasse ) in contrast met componere (gewoonte)[23]. Het kan ook een "infinitief perfectum" zijn (een gebeurtenis mét zijn gevolgen). Men kan dus kiezen tussen: "te zondigen", "te hebben gezondigd", "tot het clubje der zondaars te behoren".

Iuvat: het is prettig, het is aangenaam, het doet goed. Met een infinitiefconstructie. Zij heeft er geen spijt van dat zij niet binnen de perken is gebleven.[24].

Vultus componere: "zijn gezicht(en) in de plooi zetten", zich ernstig houden, een masker opzetten, de schijn ophouden. Bij Ovidius vinden we de uitdrukking in dezelfde context: consedere simul Pudor et Metus. Omne videres / numen ad hanc vultus composuisse suos.[25]

Wat bedoelt Sulpicia ? Alles hangt af van de context waarin we fama moeten lezen. Famae is een datief van doel: voor, met het oog op mijn reputatie. Fama is, zoals in v.2, de reputatie, hetgeen "ze (zullen) zeggen". Vraag is dan wie "ze" zijn: "de mensen" of de vrienden, m.a.w. gaat het om haar reputatie als lid van een aanzienlijke Romeinse familie, of gaat het om haar reputatie als lid van een clubje vrienden[26]. Dan kan vultus componere voor iets totaal anders staan !

Taedet is ons "het is walgelijk, het hangt me de keel uit". Met een infinitiefconstructie.

Cum kan als voorzetsel met digno staan of als voegwoord (cum histiricum) met ferar.

Digno kan nu een ablatief zijn na cum of na digna. Kan een datief bij esse (= habere ?) in aanmerking komen ? Dignus [+ ablatief] betekent waard(ig) omwille van zijn kwaliteiten (dignum esse >< merere: idem, maar dan omwille van zijn arbeid of prestaties), iemand of iets waard(ig) , in overeenstemming met de rang, stand of waarde: passend, behoorlijk, ... Niet zozeer dignus zelf, wel de ablatief bepaalt de juiste betekenis.[27]

Digno digna [28] betekent dan "een waardig(e jongen) waardig",en we kunnen onmogelijk weten wat zij hiermee juist bedoeld heeft. Betekenis: "ik gedroeg mij zoals hij zich gedroeg" - ik was goed want hij was goed - ik was slecht want hij was slecht - ik was verlegen want hij was verlegen - ik deed niets want hij deed niets - ik gedroeg mij naar mijn stand want dat deed hij ook.

Fuisse met digno als een datief: "dat een waardig partner mij als een waardig partner heeft gehad" - met cum digno: "dat ik mij met een waardig partner waardig heb gedragen" met de dubbele bodem dat "fuisse cum" de connotatie kon hebben van "slapen met" - met digno digna (zie hoger) of digna... Wij hebben de keuze.

Ferre is "mondeling (een bericht) ronddragen", rondvertellen, overleveren[29].

In ferar legt Sulpicia haar laatste pointe. Het woord is bestemd om totaal onverstaanbaar te blijven voor elke buitenstaander, waarschijnlijk ook voor degene die probeerde hun correspondentie in handen te krijgen. Alleen haar vriendje kende de exacte betekenis van peccasse en van digno, want hij alleen wist wat er echt was gebeurd en dus waarop deze woorden sloegen. Wij, de buitenstaanders "par excellence", weten niet eens of ferar wens was of realiteit...

Laatst bijgewerkt: 18-12-2000. - leopold.winckelmans@pandora.be


Noten

1. Vgl. Tib., II.5.7-10: nunc indue vestem / sepositam, longas nunc bene pecte comas,/ qualem te memorant Saturno rege fugato / victori laudes concinuisse Iovi.
III.4.29: Candor erat qualem praefert Latonia Luna, ... tekst

2. Vgl. Tib., III.6.12. tekst

2.a.Ernout-Thomas, § 90. Het gebruik van een datief bij werkwoorden die betekenen "verbergen" is uitzonderlijk, maar er zijn enkele voorbeelden van (b.v. latere, onbekend zijn, verborgen zijn in Cic., post reditum, 6.13 en Silius Italicus, 12.614). tekst

3. Vgl. Tib., I.3.83-84: at tu casta precor maneas, sanctique pudoris / adsideat custos sedula semper anus. [= kuisheid] en III.2.7: nec mihi vera loqui pudor est vitaeque fateri, ... [= schaamte]. tekst

4. De constructie texisse quam nudasse vraagt om een inleidend werkwoord als praestat, malo, etc. [B.v.: accipere quam facere praestat iniuriam (Cicero, Tusc., 5.56 - andere voorbeelden in Ernout-Thomas, §196 en 454). Deze betekenis ligt in sit mihi fama magis, dat we kunnen parafraseren als me ferri praestat of (gezien het weglaten van de accusatief klassiek is bij velle, nolle, malle, ...) ego ferri malo. Deze interpretatie is m.i. de eenvoudigste; zij is niet de enige (b.v. pudori en/of alicui als datief bij sit, mihi als datief van standpunt - zie ook http://www.hnet. uci.edu/classics/cane/sulpicia.html). Voor de constructies vgl. Tib., II.3, 29-32: felices olim, Veneri cum fertur aperte / servire aeternos non puduisse deos. / Fabula nunc ille est, sed cui sua cura puella est, / fabula sit mavult quam sine amore deus. Het specifieke van de constructie van fama est kan worden geïllustreerd met enkele voorbeelden van Ovidius: Saepe suas illi fama est dixisse sorores (Met., 4.305); Numine decepto risisse Galanthida fama est. (Met., 9.316); Nunc quoque Darda,iam fama est consurgere Romam, [...] (Met., 15.431). Noteer ook: Trans Rhenum ad Germanos pervenit fama diripi Eburones atque ultro omnes ad praedam evocari. (B.Gall., 6.35.4). tekst

5. Vgl. rumor in Tib., III.20/IV.14.
Angst voor de spot van de anderen is eigen aan de echt verliefde, zie o.a. Tib., I.4.83-84: parce, puer, quaeso, ne turpis fabula fiam, / cum mea ridebunt vana magisteria. Zie ook Catullus, 78.a, 80.5-6. tekst

5.a. Zie St. HINDS, Allusion and intertext, Cambridge, 1998, 1-10. tekst

6. Vgl. Tib., III.19/IV.13.7-8: nil opus invidia est, procul absit gloria vulgi: / qui sapit, in tacito gaudeat ille sinu. Zie ook Propertius, 2.25: in tacito cohibe gaudia clausa sinu. tekst

7. Vgl. misschien Tib., III.15/IV.9.3: omnibus ille dies nobis natalis agatur, ... tekst

8. Paneg., 24: at quodcumque meae poterunt audere Camenae en 191: non te deficient nostrae memorare Camenae. tekst

9. B.v.: Tibullus, Eleg. , III.9, 10, 12 en 11, die allemaal rond Sulpicia draaien.Vgl. III.11/IV.5. 13-20. Nec tu sis iniusta, Venus. Vel serviat aeque / vinctus uterque tibi, vel mea vincla leva./(...) / Optat idem iuvenis quod nos, sed tectius optat: / Nam pudet haec illum dicere verba palam. / At tu, Natalis, quoniam deus omnia sentis, /adnue: quid refert, clamne palamne roget ? Vgl. ook eens II.4.15-20: ite procul, Musae, si non prodestis amanti: / non ego vos ut sint bella canenda colo,/ (...) / ad dominam faciles aditus per carmina quaero: / ite procul, Musae, si nihil ista valent. tekst

10. Vgl. het contrast in Tib., I.6.59-60: haec (= tua mater) mihi te adducit tenebris multoque timore / coniungit nostras clam taciturna manus: ... tekst

11. Vgl. voor het beeld Tib., I.1.31-32: ... non agnamve sinu pigeat fetumve capellae / desertum oblita matre referre domum. en I.5.25-26: Consuescet numerare pecus, consuescet amantis /garrulus in dominae ludere verna sinu. Ook Tib., I.1.45-46: quam iuvat immites ventos audire cubantem /et dominam tenero continuisse sinu. (Vgl. I.2.73-74: et te dum liceat teneris retinere lacertis / mollis et inculta sit mihi somnus humo.) Verder Tib., I.8.35-36: at Venus inveniet puero concumbere furtim / dum timet et teneros conserit usque sinus. III.3.7-8: ... sed tecum ut longae sociarem gaudia vitae / inque tuo caderet nostra senecta sinu, ... III.8/IV.3.23-24: at tu venandi studium concede parenti / et celer in nostros ipse recurre sinus. tekst

12. Zie Tib., II.6.49-50: saepe, ubi nox mihi promissa est, languere puellam / nuntiat aut aliquas extimuisse minas. tekst

13. Voor Venus mea vgl. Tib., III.6,47-48: etsi perque suos fallax iuravit ocellos / Iunonemque suam perque suam Venerem, (...). Voor de punt na mea of na gaudia, vgl. b.v. Tib., I.4.71-72: blanditiis vult esse locum Venus ipsa. Querellis,/supplicibus miseris, fletibus illa favet. tekst

14. Zie o.a. Tib., I.5.39-40: saepe aliam tenui, sed iam cum gaudia adirem / admonuit dominae deseruitque venus., II.1.11-12: vos quoque abesse procul iubeo, discedat ab aris, cui tulit hesterna gaudia nocte venus., 3.71-72: tunc, quibus aspirabat Amor, praebebat aperte /mitis in umbrosa gaudia valle venus. III.9/IV.3.19: ne veneris cupidae gaudia turbet aper. Verder I.6.14, 8.57, 9.76, III.19/IV.13.2 en 14. Vgl. nu Catullus, 68.23-24.
Voor de verwijzing naar de planeet Venus ter vergelijking deze strofe van Horatius (Od., I.5.5-8) die de sterrenhemel en de natuurverschijnselen van de lente evoceert : Iam Cytherea choros ducit imminente Luna [conjunctie Venus - maan] iunctaeque Nymphis Gratiae decentes alterno terram quatiunt pede dum graves Cyclopum Volcanus ardens visit officinas. tekst

15. Vgl. Tib, I.2.65-66: ferreus ille fuit qui, te cum posset [A: possit] habere, / maluerit praedas stultus et arma sequi. Vgl. ook met Tib., II.3.29-30, waar deos door zowel felices en aeternos. tekst

16. We vinden herhaaldelijk een distichon ingeleid met Non ego. Zie Tib., I.1.41, 57; 2.63: Non ego totus abesset amor, sed mutuus esset / orabam, nec te posse carere velim. en 83-87; 6.73-74: non ego te pulsare velim; III.6.59-61. Vgl. ook I.4.7: Sic ego. Tum Bacchi respondit rustica proles (...). tekst

17. Vgl. Tib., I.3.25-26: quidve, pie dum [A: deum] sacra colis, pureque lavari / te, memini et puro secubuisse toro. tekst

17.a. Vgl. Tib., I.2.2: occupet ut fessi lumina victa sopor. tekst

18. Venio zou geven: legat id meus antequam venio. Mag ik ook een conjectuur voorstellen ? Mooi is m.i. legat id nescio quam (of: quem) meus ante velim = legat id meus ante nescio quam/quem. (Vgl. Tib., I.6.5-6: (...) iam Delia furtim / nescio quem tacita callida nocte fovet.) tekst

19. Vgl. Tib., II.6.45-46: Lena necat miserum Phryne furtimque tabellas / occulto portans itque reditque sinu. In de brieven van Cicero vinden we meerdere voorbeelden van pueri die de brieven brengen en eventueel wachten op het antwoord. De bijgelovige puer in Tib., I.3.11-12 is ook de loopjongen van zijn meesteres Delia, en brengt haar ex triviis de omina die hij heeft opgevangen. tekst

20. Vgl. Tib., III.20/IV.14: nunc ego me surdibus auribus esse velim. tekst

21. B.v. vorige noot en Velim ne intermittas. of Quam vellem Romae mansisses ! (Ernout-Thomas, p. 241). Zie b.v. ook Catullus, 68.37-38. In carmen 68 ook deze interessante passage (45-46) die een licht kunnen werpen op Sulpicia's bedoelingen: Sed dicam vobis, vos porro dicite multis / milibus et facite haec carta loquatur anus. tekst

22. Vgl. Tib., I.6.71: et si quid peccasse putet, ducarque capillis (...) III.20/IV.14: Rumor ait crebro nostram peccare puellam. tekst

23. Dit gedichtje alleen kan volstaan als illustratie van Ernout-Thomas, § 274. Vgl. Tib., I.1.45: quam iuvat immites ventos audire cubantem /et dominam tenero continuisse sinu., 2.27-28; IV.47: nec te paeniteat duros subiisse labores / aut opera insuetas atteruisse manus., 6.3-4: (...) an gloria magna est / insidias homini composuisse deum ?; 6.24: tunc mihi non oculis sit timuisse meis. ;8.25-26: sed corpus tetigisse nocet, sed longa dedisse / oscula, sed femori conseruisse femur. 9.30: (...): nunc me flevisse loquentem, / nunc pudet ad teneros procubuisse pedes. Andere voorbeelden verspreid over de voetnoten. tekst

24. Vgl. Tib., III.11/IV.5: uror ego ante alias: iuvat hoc, Cerinthe, quod uror, / si tibi de nobis mutuus ignis adest. tekst

25. Fasti, V.29-30. tekst

26. Vgl. Tib., III.15/4.9: omnibus ille dies nobis natalis agatur. Over omnibus nobis doet men moeilijk (gewoonlijk worden dit vers en zijn pentameter als corrupt beschouwd). De betekenis is m.i. duidelijk: die verjaardag moet gevierd worden met ons allemaal ! Datief ? Lees Ernout-Thomas, § 95. vooral Note. Ablatief ? Vgl. b.v. Romulus in caelo cum dis agit aevum. tekst

27. Iuvenes patre digni - dignus domino servus - vir patre, avo, maioribus dignus kunnen pejoratief of positief bedoeld zijn, afhankelijk van de context waarin ze zijn gebruikt. Vgl. de fluctuerende betekenis in Tib., III.1.7-8: Carmine formosae, pretio capiuntur avarae / gaudeat ut digna est versibus illa novis. tekst

28. Voor de schikking zie b.v. Tib., I.9.80: et geret in regno regna superba tuo. Voor de wederkerigheid b.v. het bekende illum absens absentem auditque videtque van Vergilius (Aeneis, IV.83). tekst

29. Vgl. Tib., I.8.73: Saepe etiam lacrimas fertur risisse dolentes (...), 9.61-62: Illam saepe ferunt convivia ducere baccho, /dum rota Luciferi provocat orta diem. Zie ook Catullus, 69: laedit te quaedam mala fabula, qua tibi fertur / valle sub alarum trux habitare caper. tekst


© Leopold Winckelmans - 1999-2006.

Valid HTML 4.01!   WebCounter