Albius Tibullus, Elegie 1.3

Commentaar


[Home | inleiding | tekst | vertaling]

Inhoud

Zakelijk commentaar op 1-10 | 11-20 | 21-30 | 31-40 | 41-50 | 51-60 | 61-70 | 71-80 | 81-90 | 91-94


[top]   [1-10 | 11-20 | 21-30 | 31-40 | 41-50 | 51-60 | 61-70 | 71-80 | 81-90 | 91-94]

1. Aegaeas undas: de Egeïsche golven, de Egeïsche zee.

Messalla: Marcus Valerius Messalla Corvinus, Tibullus' beschermheer, was op weg naar het Oosten voor een militaire operatie.

cohors: de stafcompagnie, de cohors amicorum. Tibullus ging met zijn beschermheer mee op diens veldtochten als stafofficier. Militaire ervaring opdoen bij de staf van een of ander groot generaal was de eerste stap naar een politieke loopbaan, maar een "soldaat" was Tibullus zeker niet, evenmin als andere dergelijke politici-in-de-dop.
Volgende passage uit Caesar (D.B.G., 1.39) spreekt voor zichzelf. Caesar gaat de confrontatie aan met de Germaanse condottiere Ariovistus en bezet Vesontio, waar de praatjes en de sterke verhalen over de Germanen hun werk doen: er ontstaat een panische angst. "Hic [de angst] primum ortus est a tribunis militum, praefectis reliquisque qui, ex Urbe amicitiae causa Caesarem secuti, non magnum in re militari usum habebant." Toch was Tibullus niet zo'n slecht militair: bij de veldtocht in Gallië ontving hij "militaria dona", werd hij dus extra beloond voor zijn diensten.

3. ignotis terris: ignotus,-a,-um: onbekend (d.i.: waar ik niets of niemand ken, waar ik een vreemde ben).
Phaeacia: Korfoe, Grieks eiland in de Ionische Zee, gescheiden van de kust van Epirus en Albanië door de 3 tot 18 km brede Straat van Korfoe, 590 vierkante km. Het noorden is bergachtig (Pantokátos, 906 m), het midden heuvelachtig, het zuiden een laagvlakte; ook de kusten zijn laag. Het klimaat is zacht en betrekkelijk regenrijk, de plantengroei weelderig; het eiland is van oudsher een bijzonder populaire vakantiebestemming. Het werd doorgaans beschouwd als het eiland van de Phaeaken uit de Odyssee (het eilandje Pontikonissi zou het versteende Phaeakenschip zijn). Later was het o.m. een Romeins vlootstation en ten slotte een deel van de Romeinse provincie Macedonia.

4. modo: als maar... leidt een voorwaardelijke wenszin in.

Een soort van aposiopese: de hoofdzin ("dan komt alles nog wel in orde") staat er niet, want die wordt naar de achtergrond gedrongen door een nieuwe gedachte: Wat als de dood echt komt?? Vers 5 is dan ook een dringende smeekbede aan het adres van de dood.

5. abstineas: (aansporing in de 2de persoon) blijf toch weg...

6. legere: verzamelen, bijeenzoeken. - Na de verassing is het de taak van de naaste verwanten de overblijfselen te verzamelen en te bergen. De "as" wordt bijgezet in het familiegraf. Je ziet hoe het beeld van de mater dolorosa (cf. de Piëta van Michelangelo) van alle tijden en alle culturen is.
    maestus,-a,-um: rouw-, bedroefd - sinus,-us: boezem, ook: plooi. In de plooien van haar rouwkleed. Aan haar bedroefde hart.

7. Assyrius,-a,-um: Assyrisch i.p.v. Syrisch
    dedere: schenken (met de bijgedachte van iets kostbaars, waarvan men niet zomaar afstand doet)
    odor,-oris: parfum (vgl. Ndl.: "Welk parfum gebruik je ?" en "Een heerlijk parfum omgaf haar.")

8. sepulchra: "graven" (een "poëtisch meervoud" of: van hem en van z'n vader, denk ik, want Tibullus spreekt nooit over hem, ook niet hier) - familiegraf lijkt een goede vertaling.

9. mittere: "laten gaan" - Delia moest hem haar fiat geven, anders vertrok hij niet. De realiteit zal wel even anders zijn geweest: hij moest mee met Messalla, willen of niet. Even verder blijkt dat hij er zélf niet zo erg mee opgezet was ! Ook voor Tibullus gold het "Dulcius urbe quid est ?" (Sulpicia, 3.14)

10. omnes: staat bij deos of bij ante.

[top]   [1-10 | 11-20 | 21-30 | 31-40 | 41-50 | 51-60 | 61-70 | 71-80 | 81-90 | 91-94]

11. sors,-rtis: lot - een staafje, stukje hout, steen, boon, etc. dat uit werd getrokken en waaraan (via een systeem van corresponderende cijfercombinaties b.v.) een "orakel" (ev. orakelspreuk) werd gekoppeld. Uit bewaarde verzamelingen van dergelijke orakels blijkt hoe nogal wat toepassingen betrekking hadden op geldzaken en op (verre) reizen... Hier gaat het misschien om houten plankjes met daarop b.v. "redibit" en "non redibit", die door een neutrale hand in een kruik of pot werden gedaan, waarna de godheid die je om een uitspraak had gevraagd (Hermes/Mercurius b.v.) uw hand naar het juiste antwoord leidde. Delia heeft driemaal geprobeerd, steeds met hetzelfde resultaat. Wat Tibullus beschrijft, was in de Oudheid dagelijkse kost, in alle lagen van de maatschappij. Bij de dichters werden dit soort bijgelovige praktijken echter gekoppeld aan de intellectuele status: wie een filosofische opleiding had genoten, deed daaraan niet mee.
    puer: de slaaf, de huisknecht, die de boodschappen deed, berichten ging brengen en terugbracht, etc.

12. referre: (terug)brengen, (een bericht) brengen, komen vertellen.
    e triviis: lett. "van de driesprongen, de pleintjes" (waar de mensen elkaar ontmoetten en de nieuwtjes uitwisselden), van de straat, straat-. Daar zaten de schoolmeesters, de volksfilosofen, de meisjes van plezier, de paria's,...
    omen,-inis: Een voorteken waar niet om was gevraagd, een soort verwittiging dus vanwege de goden, die je om het even wanneer en om het even waar kon krijgen. Zo hoorde een Romeins generaal die op veldtocht zou vertrekken, plots de langgerekte roep van een vijgenverkoopster die haar Caunische vijgen aanprees : "Cààweneààs". Daarin had hij de roep van de goden moeten horen: Cave/ne/eas = "Pas op ! Ga niet !" Maar hij hoorde gewoon Cauneas = "Caunische (vijgen)" en ging wel, om nooit meer weer te keren... Een "omen" is dus ernstig te nemen, behalve als een puer het e triviis komt vertellen: oude wijvenpraat...

13. deterrere: afschrikken [ironisch bedoeld]

14. flere: bewenen [overgankelijk]
    respicere: omkijken, over de schouder kijken, angstig zijn.

15. solator: [haar] trooster
    mandata dare: volmachten geven, schikkingen treffen [voor het beheer van eigendommen tijdens zijn afwezigheid, bescherming van moeder en zuster, etc.]

16. tardus,-a,-um: vertragend
    usque: voortdurend
    mora: uitstel

17. causari: voorwenden, als uitvlucht gebruiken, als excuus inroepen. Heeft drie voorwerpen : twee substantieven en één infinitiefzin.
    aves: de [vlucht van de] vogels. Een bewust gezocht teken van de goden telkens wanneer de (echte) Romein voor een belangrijke beslissing stond. Romulus en Remus hielden auspiciën toen moest uitgemaakt worden wie van hen de eerste koning van Rome zou worden. Tot het raadplegen van een orakel verlaagt de echte Romein zich niet... Hij wendt zich tot de auguren, die de auspiciën hielden of uitlegden.
    omina: zie v.12. Die van Tibullus zijn uiteraard niet e triviis.

18. Saturni dies: zaterdag, de dag van Saturnus. Niet alleen was Saturnus de patroon van allerlei ongelukken, de zaterdag was de dag van de joodse sabbat, waarvoor de Romeinen een diep ontzag hadden gekregen. De joodse kolonie te Rome was vrij groot, en hun godsdienst kreeg belangstelling. Heel wat Romeinen onderhielden de sabbatsrust en dus ook het arbeids- en reisverbod dat ermee verbonden was.
    ingredi iter: de reis aanvatten, vertrekken, zich op weg begeven
    tristis: slecht
    mihi: ook bij dedisse

20. offendere: stoten. Struikelen over de drempel van de deur gold als een slecht voorteken: het huis wilde de reiziger niet laten vertrekken, of, bij een huwelijk, de bruid niet binnenlaten.
    porta: de poort, het poortgebouw

[top]   [1-10 | 11-20 | 21-30 | 31-40 | 41-50 | 51-60 | 61-70 | 71-80 | 81-90 | 91-94]

21. Amor of Cupido: bij de Romeinen de naam voor de Griekse god Eros, de personificatie van de liefde. In de Griekse literatuur werd hij gezien als oerkracht; bij de Romeinen werd hij voorgesteld als een speels, gevleugeld knaapje, dat in opdracht van zijn moeder, Venus, met pijl en boog de harten in liefde doet ontsteken. In de liefdespoëzie is hij een vervelend, verwend joch dat niet liever doet dan de mensen plagen.
    invito Amore: tegen de zin van Amor

22. egredi: buitengaan, buitenstappen, weggaan

23. tua: je. Het bezittelijk voornaamwoord dat aan een substantief voorafgaat, wijst op een affectieve relatie (dierbaar aan...): mea puella = meisje van me. Volgt het, dan wil het de bezitter identificeren: puella mea = mijn meisje [t.o. dat van hem, enz.].
    Isis: Oudegyptische godin, echtgenote van Osiris, van wie zij, nadat hij door zijn vijandige broer Seth gedood is en door haar weer opgewekt is uit de dood, haar zoon Horus ontvangt: een mythe over het leven dat uit de dood verrijst. Haar tempel stond op het eiland Philae. In de Hellenistische periode verspreidde haar eredienst zich over gans de toen bekende wereld, ook te Rome, waar zij zeer populair was. Met de Romeinen kwam hij naar de door hen veroverde gebieden, ook naar onze streken. De (Egyptische) cultus was in de ogen van de rechtgeaarde Romeinen uiteraard exotisch en te mijden.
    prodesse: helpen, van nut zijn

24. aes,-ris: brons, koper. De "kopertjes" waar het hier over gaat zijn piepkleine koperplaatjes die over een staafje zitten, dat tussen de twee benen van een houten vorkje geklemd zit en voortdurend tegen elkaar slaan als de vork tegen de andere hand word geslagen. Het instrument, de sister, was typisch iets van de Isiscultus. Het moet geklonken hebben als een tamboerijn.

25. pius,-a,-um: plichtbewust
    sacra colere: de rituelen onderhouden
    purus,-a,-um: rein
    lavari: zich wassen (medium)

26. secubare: alleen slapen
    torus: bed

27. mederi: genezen

28. picta tabella: een beschilderd plankje, schilderijtje

29. votivus,-a,-um: votief-, beloofd
    persolvere: inlossen
    vox, vocis: uitlating, woord, kreet, spreuk

30. linum: linnen, vlas. De gewaden van de (Egyptische) priesters van Isis waren van hagelwit linnen, dit in tegenstelling tot de wollen toga van de Romeinen.
    tectus,-a,-um: van tegere: bedekken, bekleden. Ofwel heeft Delia het hoofd bedekt door één kant van het gewaad over het hoofd te leggen, zoals vanouds gebruikelijk was bij godsdienstige handelingen. Ofwel bedoelt Tibullus gewoon dat zij het linnen, Egyptisch gewaad draagt.

[top]   [1-10 | 11-20 | 21-30 | 31-40 | 41-50 | 51-60 | 61-70 | 71-80 | 81-90 | 91-94]

31. resolvere: losmaken, losknopen

32. insignis: opvallend. Delia valt op door haar frisse verschijning en haar edel Romeins voorkomen, temidden van de troep Isis-aanbidders en vooral -aanbidsters, vaak uitheems en van lagere sociale afkomst. Het is duidelijk dat Tibullus Delia hier voorstelt als één van de gelegenheidsaanbidsters, die, als Isis hem redt, voor één keer ook de minder prettige kanten moet meemaken en zich ten aanschouwen van iedereen "belachelijk" moet maken. Tibullus lijkt het met Isis op een akkoordje te willen gooien. Red mij nu eens, zegt hij. Dan moet ze doen wat ze allemaal heeft beloofd, want dan zal ze niet anders durven. Dat zal haar leren uw naam te misbruiken wanneer ze mij op een afstand wil houden, lijkt hij met een knipoog naar Isis te zeggen. Heel hoog lijkt hij de religiositeit van Delia weer niet in te schatten.
    Pharos: eilandje voor de Egyptische kust bij Alexandrië, door Alexander de Grote via een dam verbonden met de kust. Het was vooral bekend door de onder Ptolemaeus II (in 279 v.C.) gebouwde, vermoedelijk 120 m hoge vuurtoren, die gold als een van de zeven wereldwonderen.

33. mihi contingit: ik krijg de gelegenheid, de kans
    Penates: Romeinse beschermgoden van het huis, die werden vereerd aan de huiselijke haard, in het atrium. Hun dienst was verbonden met die van Vesta en de Lares. Ook de Romeinse staat had zijn penates.

34. tus,-ris: wierook, mv.: - korrels
    Lares: bij de oude Romeinen de beschermgeesten van het familiebezit: huis en veld. Men offerde hen dagelijks bij de maaltijd en bij alle bijzondere gebeurtenissen in het gezin. Op kruispunten van veldwegen (die de eigendommen afbakenden) vereerde men de lares compitales, op zee de lares permarini. De lares praestites waren de beschermgoden van de staat. Ook steden hadden hun eigen lares. Men beeldde de lar uit (vooral in bronzen beeldjes en op wandschilderingen) als een dansende jongeling met opgeschorte tunica en geschoeide voeten. In de ene opgeheven hand hield hij een hoornvormige beker, in de andere een schaal.

35. Saturnus: Ouditalische god, werd reeds vroeg geïdentificeerd met de Griekse god Cronus. Door zijn zoon Jupiter verjaagd, vluchtte hij naar Latium, waar hij de landbouw en wijncultuur invoerde; zijn heerschappij betekende een periode van bloei en ongestoord geluk, de zgn. Gouden Eeuw.

36. in + acc.: met het oog op
    patefacere: openstellen, ontsluiten

37. caeruleus,-a,-um: diepblauw [epitheton voor de volle zee]
    pinus: pijnboom, ceder. De ceder was uiteraard niet de enige boomsoort die hout voor schepen leverde; wel was de (Libanon)ceder sinds de Griekse Oudheid het symbool voor stevig en onverwoestbaar scheepshout. "Pinus" kan hier zowel slaan op de boegbalk als op de mast. Het is een pars pro toto voor "schip", maar uiteraard waren het deze onderdelen die de strijd aanbonden met de zee en dus hier op hun plaats waren.
    contemnere: verachten, trotseren. Een universeel beeld doorheen de Antieke Literatuur is dat de mens, die thuishoort op het droge, zichzelf overschat wanneer hij denkt dat hij de zee, die hij niet kent, de baas kan. Vandaar dat de zee, als zij de kans krijgt, ongenadig wraak neemt. Een gelijkaardige opvatting ligt mee aan de basis van de hedendaagse vlieg-, vaarangst enz. - zat trouwens verwerkt in het verhaal van Daedalus en Icarus: Daedalus overwon de natuur, maar moet er een vreselijke prijs voor betalen.

38. effusus,-a,-um: van effundere: uitgieten, uitstorten. Overdrachtelijk betekend het neer laten vallen, ontplooien, enz. Hier in combinatie met "sinus", zoals reeds gezegd een plooi, het in een plooi neerhangende (Latijnse) zeil.

39. vagus,-a,-um: zwervend, thuisloos
    repetere: zoeken, gaan zoeken, gaan halen
    compendium : winst, opbrengst

40. premere: drukken, benauwen, overladen, volstouwen
    navita = nauta [vgl. Cauneas ~ Caveneeas]
    merx,-cis: koopwaar
    externus,-a,-um: uitheems
    rates,-is: vaartuig, boot

[top]   [1-10 | 11-20 | 21-30 | 31-40 | 41-50 | 51-60 | 61-70 | 71-80 | 81-90 | 91-94]

41. validus,-a,-um: sterk en gezond, krachtig
    iugum: juk. Dit juk, waarvan iedereen wel eens hoort spreken maar waarvan niemand meer weet wat het precies is, was ooit een zeer belangrijke uitvinding geweest van de mens, die het mogelijk maakte lastdieren tot echte trekdieren te maken. Het bestond uit een houten constructie die over de nek van één of meer lastdieren werd gelegd en tot onder de hals kwam, zodat het dier met de schoft en de schouders tegen het juk duwde en dus meer kracht kon zetten. Het was dus de voorloper van ons paardenhoofdstel. Reeds in de Oudheid was het een symbool van onderwerping omdat door het juk het hoofd niet meer fier rechtop kon worden gehouden en omdat gevangenen "onder het juk" werden gezonden, d.w.z. onder een gelijkvormige constructie door moesten gaan waarbij zij verplicht waren het hoofd te buigen en zich figuurlijk te onderwerpen.

42. domitus,-a,-um: getemd, onderworpen
    frenos: teugels. Zie iugum. Wat het juk voor de trekdieren was, was het bit met de teugel voor het paard.
    mordere: bijten, knabbelen.

43. fixus,-a,-um: van figere: vastzetten. Vandaar zowel in de grond geplant als vaststaand.

44. regere: leiden, richten, vaste richting geven, regelen, organiseren, naar zijn hand zetten, ... Hier: indelen, toewijzen.
    certus,-a,-um: vaststaand, onveranderlijk, zeker
    fines,-ium: gebied, hier stuk (grond), eigendom
    arvum: bouwland
    lapis,-idis: (grens)steen, bij ons de grens- of scheipalen, die op de hoeken van een stuk land diep onder de oppervlakte werden gestoken door de landmeter als een blijvend merkteken om, b.v. bij betwisting, als uitgangspunt dienen. Het aloude gewoonterecht voorzag de afschuwelijkste straffen voor diegene die een grenspaal "verzette". Verhalen werden verteld van mensen die dat ooit hadden gedaan en als straf eeuwig moesten zwerven met de paal op hun schouder. De laatste tijd ontmoet men ze blijkbaar niet meer. "Waar mag ik hem zetten ?" vroegen dergelijke uitgeputte sukkelaars, of: "Draag mijn paal...". Dat laatste mocht je nooit doen ! Dan nam je namelijk de paal over tot je zelf iemand anders bereid vond... Zeg , als je er ooit een ontmoet, gewoon: "Zet je hem waar je hem hebt gevonden." Dat is het enige bevel dat de geest met de scheipaal van zijn eeuwige zwerftocht kan verlossen en eindelijk de eeuwige rust zal bezorgen...
Bij de Romeinen bleef hij zichtbaar op de hoeken van het rechthoekig stuk grond. Toen Tibullus schreef, was de lapis het symbool van de verdeling van de ager publicus in percelen ten voordele van de veteranen, wij zouden zeggen: van de overheidscontrole.

45. mel,mellis: honing. In het meervoud, want elke eik bevatte zijn voorraad wilde honing.
    quercus,-us: eik. De wilde bijen, die hun nest bouwen in een holle boom, zijn iets wat voor ons tot een fantasiewereld behoort. In het natuurlandschap van het oude Europa waren zij een realiteit. Wanneer er teveel honing in het nest zat, droop die wel eens langs de stam via spleten, zoals de hars uit pijnbomen. In de reële wereld waren bijen verantwoordelijk voor dergelijke buitenkansjes voor mens en dier (zoals de beer in Van den vos Reynaerde), in het gouden tijdperk gebeurde dat overal (dabant) en vanzelf (ipsae).
    ultro: vanzelf, uit eigen beweging

46. securus: gerust, zonder zorgen [Vgl. bij Vergilius : "Ea cura quietos sollicitat."]
    ubera lactis: uiers (vol) melk. Reeds in het Oude Testament was het Beloofde Land het "land dat overloopt van melk en honing". Het (utopisch) verlangen van de mens naar een leven dat vrij is van beslommeringen van alle dag, die rechtstreeks verband houden met in leven blijven en het goed hebben, is universeel en van alle tijden. Een overvloed aan melk (drank én voedsel) en honing (de enige zoetstof die men kende) was daarvan het symbool. De beschrijvingen van het "gouden tijdperk" en later bij ons van een "luilekkerland" zijn voorbeelden van utopieën, beschrijvingen van een ideale samenleving, als een soort vlucht uit de harde realiteit van alle dag naar een ideale fantasiewereld. Het zijn de utopieën van de gewone man, dit in tegenstelling tot wat men in de literatuur als zodanig vermeld vindt : Plato's ideale Staat, Utopia van Thomas More, etc. Zij zijn daarom niet minderwaardig en zeker niet onbelangrijk, omdat zij ons leren waar de gewone, ongeletterde meerderheid van de bevolking mee bezig was.
Het samenlevingsideaal wordt enerzijds gesitueerd in het verleden, toen het, door de schuld van sommige slechte mensen kapot werd gemaakt (het Aards Paradijs is daar een voorbeeld van), anderzijds na dit aardse bestaan, als een beloning voor wie correct heeft geleefd (de Hemel, en hier, bij Tibullus, het Elysium). Iedere beschaving heeft haar eigen modellen waarin zij haar idealen projecteert.

48. immitis: hard, gevoelloos, meedogenloos
    ars: kunde, techniek, vakmanschap, kunst
    faber: stielman, smid. De ambachtsman, die de natuur naar zijn hand kan zetten, in oude tijden de metaalbewerkers, gold en geldt soms nog als een soort tovenaar. De ondergang van de gouden eeuw zette in toen de mens, niet tevreden met wat de natuur hem gaf, deze naar zijn hand ging zetten. Symbool daarvan zijn de faber en zijn ars. De gevolgen van zijn werk, voor de wereld en voor Tibullus, komen nu aan bod.

50. letum: dood, ondergang. Leti is een onderwerpsgenitief bij viae.
    repente: opeens, plots. In het volledige verhaal van de evolutie na het gouden tijdperk, is de overgang minder plots en gaat de mensheid eerst nog door het zilveren en bronzen tijdperk, alvorens in het ijzeren tijdperk te komen.

[top]   [1-10 | 11-20 | 21-30 | 31-40 | 41-50 | 51-60 | 61-70 | 71-80 | 81-90 | 91-94]

51. parcere: sparen, medelijden hebben (= laten leven)
    timidus,-a,-um: angstig, bevreesd voor. Timidum (bepaling van gesteldheid) bevat een verklaring: "(Omdat ik) schrik heb (van de goden),...". Wanneer Tibullus niet wil sterven, is het niet omdat hij verkeerd heeft geleefd, integendeel: hij is godvrezend en doet dus niets dat nefas is.
    periurium: meineed.

53. fatalis,-is,-e: door het lot beschikt
    explere: volledig maken, voldoen

54. nota: karakter, letterteken
    os, ossis: been (mv.: beenderen, gebeente). Wij lezen hier zonder moeite over, maar hierin zit toch ook Tibullus' besef dat, als hij niet te Rome sterft, hij niet passend begraven zal zijn, d.w.z.: verast. Het geheel is een uiting van de universele hoop, die ieder mens eigen is dus, om in de herinnering te blijven voortleven en zo zijn beperktheid in tijd te overstijgen. Wij hebben ze ontmoet bij Sallustius (et, quia vita ipsa qua fruimur brevis est, memoria nostri quam maxume longam efficere) en zullen ze ontmoeten bij Horatius (multaque pars mei vitabit Libitinam). De lijst kan zonder moeite worden uitgebreid.

55. consumere: verteren, opgebruiken

56. Messalla: Tibullus' naam is één naam uit vele, dus moet hij respect afdwingen via zijn bekende beschermheer, de grote veldheer Messalla. Dit is dus geen verwijt aan zijn patroon, maar een compliment. Het is typisch voor de fijnbesnaarde Tibullus dat hij nooit zomaar zijn "siroop smeert". Voor wie dit niet gelooft, volgende passage uit El.I.1 (53-58):

Te bellare decet terra, Messalla, marique,
    ut domus hostiles praeferat exuvias.
Me retinent vinctum formosae vincla puellae
    et sedeo duras ianitor ante foras.
Non ego laudari curo, mea Delia, tecum
    dummodo sim. Quaeso, segnis inersque vocer.

57. facilis,-is,-e: inschikkelijk, gemakkelijk
    tener,-era,-erum: tenger, teder, lief(lijk)

58. Venus: Aphrodite, de Griekse godin van vruchtbaarheid, zinnelijke liefde en schoonheid. In Griekenland bevond zich het beroemdste heiligdom van Aphrodite in Korinthe. Homerus noemt Aphrodite de dochter van Zeus en Dione; volgens andere bronnen ontstond zij uit zeeschuim. De Romeinen hebben de Ouditalische vegetatiegodin Venus met Aphrodite vereenzelvigd. Venus was de moeder van Amor, een rotverwend kind (improbus) dat zich amuseerde met zijn boogje en pijltjes en de mensen daarmee de duivel aandeed.
    ducere: leiden, meenemen naar. De zielen van de afgestorvenen werden door Hermes/Mercurius naar de onderwereld gebracht. Tibullus, kampioen van de liefde, krijgt Venus als gids, en de Elysische velden zijn zijn Eeuwige Jachtvelden, Walhalla, etc., zijn Zevende Hemel.
    Elysische velden: (Elysium) naar antieke voorstellingen een lieflijke vlakte aan het uiteinde van de aarde, waar de uitverkorenen der goden (helden, dichters en denkers), zonder de dood te ondergaan, werden opgenomen, en hun leven verder konden leven in ideale omstandigheden...

59. choreae: (rei)dansen. Wat wij "volksdansen" zouden noemen.
    vigere: in ere zijn, dagelijkse kost zijn, de norm zijn
    vagari: (doelloos) rondzwerven. Hier vindt men overal wat men in Rome slechts in de volière aantreft.

60. dulcis: zacht, lieflijk
    sonare: laten horen, laten klinken
    tenuis: zacht, kwetsbaar, frêle, broos, teer
    guttur,-uris: keel. Let op de klankexpressie in deze verzen, waardoor het plots klinkende gekoer van onzichtbare tortelduifjes wordt gesuggereerd.

[top]   [1-10 | 11-20 | 21-30 | 31-40 | 41-50 | 51-60 | 61-70 | 71-80 | 81-90 | 91-94]

61. casia: kaneel. Soort laurier. De specerij kaneel wordt al eeuwen gebruikt en is een populaire geur- en smaakstof in voedingsmiddelen, zeep en medicijnen. Een kaneelboer verzamelt de kelk, die te zien is aan de basis van de geelbruine kaneelbes. Uit dit materiaal wordt geurige kaneelolie gedestilleerd. Kaneelstokjes worden gemaakt van de strak opgerolde en gedroogde bast van de stam van de kaneelboom. Onmisbaar ingrediënt in warme wijn met kruiden.
    seges,-etis: bouwland, akkers

62. benignus,-a,-um: welwillend, vruchtbaar, gewillig

63. series: rei, sliert
    immiscere: vermengen met, verenigen met

64. ludere: zich amuseren, flirten
    adsiduus,-a,-um: voortdurend, onafgebroken
    proelia miscere: gevechten ontketenen, voor handtastelijkheden zorgen

65. rapax,-acis: roofzuchtig
    amanti: wanneer hij een meisje heeft

66. myrteus,-a,-um: mirte- In de oudheid was de mirte het symbool van de liefde, het huwelijk en de vruchtbaarheid en was als zodanig aan Venus gewijd. Een krans van mirtenbladeren werd ook de dode om het hoofd gelegd, terwijl zegevierende Romeinse veldheren soms de murtea corona droegen in plaats van de uit laurierbladeren gevlochten krans. In Duitstalige landen wordt de bloesem (Brautmyrt) als bruidsbloem voor haarkrans en boeket gebruikt als symbool van reinheid van de jonge vrouw.
    sertum: van serere: vlechten: Krans, kroon.

67. sedes,-is: verblijf, (verblijf)plaats
    profundus,-a,-um: diep

68. abdere: verbergen

69. Tisiphone: één van de Erinyen, in de Griekse mythologie de wraakgodinnen, de met slangenhaar bedekte dochters van de nacht, ontstaan uit bloeddruppels van Uranus. Zij vervolgden de misdadiger tot hij zich van zijn schuld gereinigd had; dan veranderden zij in Eumeniden (welgezinden). Bij de Romeinen heetten zij Furiae (razenden) of Dirae (vreselijken).
    impexa: ongekamd
    ferus,-a,-um: woest, wild
    angues,-is: slang

70. saevire: razen, tekeergaan
    impius,-a,-um: goddeloos, misdadig

[top]   [1-10 | 11-20 | 21-30 | 31-40 | 41-50 | 51-60 | 61-70 | 71-80 | 81-90 | 91-94]

71. Cerberus: in de Griekse mythologie de veelkoppige hond die de ingang tot de onderwereld bewaakte.
    serpens,-ntis: kruipdier, serpent
    os, oris: muil

72. stridere: grommen
    aeratus,-a,-um: bronzen, koperen, met brons beslagen. Suggereert de sterkte en de grootte van deze deuren. Dergelijke deuren (weliswaar uit de late Oudheid) kan men nog zien te Rome in de tempel van Romulus, op het forum romanum.
    excubare: zich languit leggen, zich uitstrekken.

73. Ixion: in de Griekse mythologie koning van de Lapithen, door Zeus onder zijn tafelgenoten opgenomen. Toen hij zich aan Hera wilde vergrijpen, werd hij door Zeus in de Tartarus geworpen, waar hij aan een vurig rad gebonden werd, dat in een duizelingwekkende vaart steeds maar doordraait.

74. noxius,-a,-um: schadelijk, verderfelijk

75. porrigere: uitstrekken
    Tityus: in de Griekse mythologie een reus die zich vergrepen had aan Leto en door haar kinderen Artemis en Apollo werd gedood. In de onderwereld werd hij gestraft: twee gieren pikten aan zijn steeds weer aangroeiende lever.
    iugerum: bunder. Een oude vlaktemaat die naar de streek in grootte varieerde.

76. ater,-tra,-trum: donker.
    viscus,-eris: ingewand. Enkelvoud, want het gaat om zijn lever.

77. Tantalus: in de Griekse mythologie een zoon van Zeus, koning van Phrygië (ook wel: Lydië) en vader van Pelops en Niobe. Aanvankelijk was hij een gunsteling van de goden. Hij zondigde door overmoed en werd in de onderwereld vreselijk gestraft: tot aan zijn lippen stond hij in het water, terwijl boven zijn hoofd een tak met vruchten hing; als hij wilde drinken, week het water terug en reikte hij naar de vruchten, dan boog de tak naar boven, zodat eeuwige honger en dorst zijn deel werden, een straf die als Tantaluskwelling spreekwoordelijk werd.

79. Danaïden: in de Griekse mythologie de vijftig dochters van de koning Danaus. Toen diens tweelingbroer Aegyptus de meisjes wilde dwingen tot een huwelijk met zijn vijftig zonen, vluchtte Danaus met zijn dochters op een door Athena gebouwd schip, maar gaf ten slotte toe. In de bruidsnacht doodden de meisjes, behalve één, hun echtgenoten. Zij moesten als straf voor eeuwig een vat volscheppen dat altijd leeg bleef.

80. Lethe: in de Griekse mythologie een rivier in de onderwereld, waaruit de schimmen van de gestorvenen dronken om vergetelheid te vinden.

[top]   [1-10 | 11-20 | 21-30 | 31-40 | 41-50 | 51-60 | 61-70 | 71-80 | 81-90 | 91-94]

81. violare: geweld aandoen, ontheiligen, aanraken. De vier voorbeelden hadden betrekking op misbruik van vriendschap en het schenden van vertrouwen of een aanslag op de eerbaarheid van een vrouw die een ander toebehoorde.
    meos amores: mijn liefde (letterlijk, vaak overdrachtelijk: liefje)

82. optare: wensen, vragen. Men hield er steeds rekening mee dat één of andere rivaal een vervloeking had uitgesproken.
    lentus,-a,-um: traag, langzaam, langdurig
    militiae,-arum: legerdienst

83. castus,-a,-um: kuis, rein. Castus en sanctus (door de goden beschermd: heilig) wijzen doorgaans op een religieus taboe(zie o.m. vv. 25-26). Wanneer dat niet geëerbiedigd werd, zou er een sanctie volgen vanwege de goden. Herlees nu de straffen in de onderwereld.
    pudor,-oris: eer(baarheid), kuisheid

84. adsidere: erbij zitten. De oude vrouw (een tante, de grootmoeder, de moeder,...) die steeds bij het ongehuwde meisje is om erop te letten dat zij niet "aangerand" of "verleid" wordt (Een Griek klaagde: "Als een schildwacht, niet van ons weg te slaan, verlamt de oude ons met haar blik."). Soms kneep het oudje -omdat het terugdacht aan haar eigen jeugd ?- wel eens een oogje dicht. Tibullus kon dat zeer appreciëren, als hij maar de gelukkige was. Het oude vrouwtje dat de minnaar een handje hielp, was conventioneel geworden sinds de Griekse liefdespoëzie en was via het toneel (Terentius) en uit de praktijk overbekend bij elke Romein. Elders noemt Tibullus de moeder van Delia, die hem wel zag zitten als liefje voor haar dochter, anus.
    sedulus,-a,-um: ijverig. In verbinding met semper: altijd bezig.
    anus,-us: oude vrouw

85. fabella: verhaaltje. Tijdens de lange spinavonden werden de sagen, legenden, mythen en sprookjes van generatie op generatie mondeling doorgegeven, en er werd een aardig stukje geroddeld.
    lucerna: lamp, lichtje. Bekijk enkele reproducties van antieke lampen.

86. deducere: halen uit, trekken uit
    stamen,-inis: draad
    colus,-us, vr.: spinrokken (stok waaromheen de te spinnen wol zit, en waaruit stukje bij beetje de vezels worden getrokken die met de andere hand tot een draad in elkaar worden gedraaid).

87. circa: vlakbij
    pensum: dagwerk, dagtaak. Van pendere (wegen), want de wol die elke dag door de spinster moest worden verwerkt, werd afgewogen.
    adfigere: concentreren op

88. remittere: aan de kant leggen, opzij leggen
    paulatim: beetje bij beetje

Gans dit tafereel, samen met een gelijkaardige passus uit El. I.7, inspireerde Ronsard bij het schrijven van zijn Sonnet pour Hélène.

90. caelo: uit. De verrassing zal compleet zijn. Gewoonlijk was er wel iemand die het grote nieuws was komen brengen: "Tibullus is terug in Rome!".
    adesse: er zijn, voor, bij, naast (iemand) staan

[top]   [1-10 | 11-20 | 21-30 | 31-40 | 41-50 | 51-60 | 61-70 | 71-80 | 81-90 | 91-94]

91. turbare: in de war brengen, verwarren

92. nudare: ontbloten. Nudato pede: op blote voeten. Een typisch woordspelletje, waar de dichters zo van hielden: met blote, Delia, loop, voeten.

Elegie I.6, waarin hij klaagt over Delia's ontrouw, eindigt met identieke beelden, maar in een totaal andere toon:

At, quae fida fuit nulli, post victa senecta
    ducit inops tremula stamina torta manu
firmaque conductis adnectit licia telis
    tractaque de niveo vellere ducta putat.
Haec animo gaudente vident iuvenumque catervae
    commemorant merito tot mala ferre senem.

93. hunc illum: deze (hic) heerlijke (ille, in zijn betekenis van "bekende, waarover gesproken wordt").
    Aurora: Eos, in de Griekse mythologie de verpersoonlijking van de dageraad; zij was de zuster van Helius en Selene (zon en maan). Homeros noemt haar de "rozevingerige", Theocritus de "blankpaardige".
    Lucifer: in het Grieks Phosphoros, de "lichtdrager" of ochtendster.

94. nitere: schitteren

[top]   [1-10 | 11-20 | 21-30 | 31-40 | 41-50 | 51-60 | 61-70 | 71-80 | 81-90 | 91-94]


© Leopold Winckelmans - 1999-2006.

Valid XHTML 1.0!  WebCounter