Publius Vergilius Maro

Home


Romeins herenboer en dichter. Andes, 70 v.Chr. - Brundisium, 19 v.Chr. Werken: Bucolica (herdersdichten), Georgica (leerdicht over de landbouw), Aeneïs (epos over Aeneas), Appendix Vergiliana (bevat enkele jeugdwerken).


Inhoud


Mantua me genuit

[Top || Mantua me genuit, Calabri rapuere, tenet nunc Parthenope. Cecini pascua rura duces]

Mantua in Gallia Cisalpina

Publius Vergilius Maro werd geboren op 15 oktober 70 v.Chr. Hij was een Romeins burger van Mantua in Gallia Cisalpina, toen nog een Romeinse provincie. Andes, nu Pietola, een nederzetting in de buurt van de stad, was volgens de antieke vitae (levensbeschrijvingen) zijn eigenlijke geboorteplaats. Zijn familie was welstellend en, als wij een aantal verspreide gegevens koppelen, kunnen we aannemen dat Vergilius later de eigenaar was van ongeveer 90 ha landbouwgrond. In zijn Bucolica evoceerde hij zijn domein:

[...], qua se subducere colles
incipiunt mollique iugum demittere clivo,
usque ad aquam et veteres, iam fracta cacumina, fagos,
omnia [...] (IX.7-10)

[...], vanwaar de heuvels
wat lager worden en in langzaam glooien
de rug ontspannen - tot de rand van 't water
en de oude beuken met hun kale kruinen.
[...] (Van Wilderode)

De moeder van Vergilius heette Magia Polla (=Paula). Magii vinden we o.a. te Cremona: een Numerius Magius van Cremona was praefectus fabrum van Pompeius tijdens de burgeroorlog. Van Vergilius wordt verteld dat hij te Cremona zijn jeugd doorbracht. We mogen dan ook aannemen dat de familie daar resideerde in die periode.

De vader van Vergilius was (weer volgens de antieke biografen) van eenvoudige afkomst: een "pottenbakker" zeggen de enen, de anderen noemen hem een "mercennarius", een betaalde kracht, in dienst van de Magius die later zijn schoonvader zou worden. Magius zelf was een "viator", een "bode" in dienst van een magistraat van lagere rang.

Dat deze details mondgemeen zijn gebleven is het beste bewijs voor de latere welstand van de familie: "boekhoudertje" wordt bij ons ook meestal gebruikt voor de eigenaar van een groot kantoor, wanneer die zich heeft opgewerkt en precies daardoor de jaloezie van anderen opwekt. Het zou b.v. best kunnen dat vader Maro eigenlijk een pottenbakkersbedrijf had en dat hij o.a. vaste leverancier was van een zekere Magius, eigenaar van een landbouwbedrijf dat jaarlijks vele honderden amforen van hem afnam, en die een erefunctie bekleedde in het lokale bestuur.

Vergilius verloor zijn vader vrij vroeg. Vader Vergilius liet zijn zoon, zoals gezegd, een aanzienlijke erfenis na, die deze laatste toeliet te leven als een grand seigneur. Moeder, die aan drie zonen het leven had geschonken, hertrouwde met een Valerius, en had van hem nog een zoon: Valerius Proculus. Die zou Vergilius overleven. De twee andere broers stierven jong, Silo als kind en Flaccus als jongeman.

Wanneer wij de namen -Magia Paula, Vergilius Maro, Vergilius Silo, Vergilius Flaccus, Valerius Proculus- zien, mogen wij besluiten dat de families, zeker die der Magii, tot de bovenlaag van de plaatselijke bevolking hebben behoord. Mogelijk stamden zij af van Romeinse burgers die indertijd de landbouwkolonies bevolkten, die in de provincie waren gesticht. Mantua zelf ontving het burgerrecht immers pas in 49 v.Chr., van Caesar.

Rome in Latium

Als Romeins burger uit de provincie kwam Vergilius naar Rome met de bedoeling carrière te maken, in de welsprekendheid en in de politiek, zoals b.v. Cicero, Sallustius en Horatius. Of er Vergilii of Magii te Rome leefden -de jonge Vergilius kan daar onmogelijk alleen hebben gewoond- is niet overgeleverd. Stamden de Magii misschien uit de omgeving van Rome? Eén detail, een passage uit de Aeneïs, kan daarop wijzen: onder de tegenstanders van de Trojanen in de oorlog met de Aborigines noemt Vergilius, naast een aantal andere en bekende legendarische namen, een zekere Magus, mogelijk als de stamvader der Magii. Die tracht zijn leven af te kopen door zijn fortuin aan te bieden aan Aeneas... (X.521-536). Een verwijzing naar een oude familiehistorie uit de woelige periode der eerste burgeroorlogen? Was Magius een telg van verarmde locale adel die via de mesalliance van zijn dochter met de ondernemende Vergilius aan nieuw kapitaal was geraakt?

Vergilius, de oudste zoon, werd voorbestemd om zijn familie het aanzien te bezorgen dat haar tot de sociale top van gans het rijk zou doen behoren. De begaafde jongen liep tot zijn vijftiende school te Cremona, waar het gezin zoals gezegd waarschijnlijk ook resideerde, daarna even te Milaan en ging dan naar de grote stad, de Urbs, om er zich verder te bekwamen. Het mag duidelijk zijn dat de jonge Cisalpijn er langzaamaan in aanraking moest komen met de bovenlaag van de Romeinse maatschappij. In deze periode was Caesar, de provinciegouverneur van Gallia, bezig met zijn Gallische veroveringen. Hij lijkt op de jonge Vergilius indruk te hebben gemaakt en we mogen ons afvragen of dat door de familie van zijn moeder werd geapprecieerd: de Magii van Cremona waren blijkbaar geen populares...

Vader en vooral moeder mogen ervan hebben gedroomd hun oudste zoon te laten doordringen tot de Romeinse ambtsadel, het werd al snel duidelijk dat hij daarvoor niet geschikt was. Hij was verlegen, kon moeilijk uit zijn woorden geraken en was te zeer de zoon van zijn vader: groot, grof van gestalte ("met de constitutie van de Noordenwind") en boers noemen de biografen hem. Ook de familiale achtergrond speelde Vergilius parten: Rome was Mantua of Cremona niet, zoals hij een herder laat zeggen in zijn Bucolica:

Urbem quam dicunt Romam, Meliboee, putavi
stultus ego huic nostrae similem, [...] (I.20-21)

In mijn onwetendheid was ik van mening
dat zelfs de stad, die Rome wordt geheten,
geleek op ónze stad,
[...] (Van Wilderode)

In deze periode moeten Vergilius' broer Flaccus en kort daarna ook zijn moeder zijn overleden. Toen hij 25 jaar was, op 15 oktober 46 v.Chr., kreeg Vergilius, volgens de wet, de volle beschikking over zijn vaderlijk erfdeel. Hij zou geen tweede Sallustius worden, die op dat ogenblik ging doorstoten naar het consulaat... Hij had het ook niet nodig: zijn domein verschafte hem alle mogelijkheden om een kommerloos bestaan te leiden en zijn tijd te verdelen tussen zijn bedrijf en zijn intellectuele arbeid, tussen Andes en Rome. Details uit zijn latere leven wijzen erop dat Vergilius niet de ambitie of de energie had om het "te maken in het leven", evenmin als b.v. Tibullus en in tegenstelling tot b.v. Horatius. Het was toen al wel duidelijk dat hij een begenadigd dichter was.


Calabri rapuere

[Top || Mantua me genuit, Calabri rapuere [1], tenet nunc Parthenope. Cecini pascua rura duces]

Dan werd, op 15 maart 44 v.Chr., Caesar vermoord. De tegenstanders van de dictator trokken zich o.l.v. Brutus en Cassius terug in het Oosten, terwijl de aangenomen zoon van Caesar, de jonge Octavius, zich te Rome opwierp als diens erfgenaam en zijn naam veranderde in C. Iulius Caesar Octavianus. Hij werd zo de rivaal van Caesar's trouwe rechterhand, Marcus Antonius, die trachtte het regime van Caesar te consolideren en hem op te volgen. Antonius moest het onderspit delven in de (burger)oorlog van Modena.

Antonius en Octavianus verzoenden zich in het najaar van 43 v.Chr. en vormden samen met Lepidus een triumviraat. Lepidus commandeerde drie legioenen in de Provence en Spanje, Octavianus twintig legioenen in Africa, Sicilië en Sardinië (de graanschuren van Rome) en Antonius eveneens twintig legioenen in Gallia comata en Cisalpina, bastions van de authentieke Caesarianen. Het Oosten was in handen van hun tegenstanders, de Caesarmoordenaars. De voor- en tegenstanders van Caesar ontmoetten elkaar op het slagveld te Philippi in oktober 42, waar één van de laatste grote veldslagen tussen Romeinse legioenen onderling eindigde in een complete overwinning voor Octavianus en Antonius. Toen het gevaar in het Oosten bezworen was, kreeg de rivaliteit tussen deze twee weer de bovenhand, ondanks verscheidene verzoeningen.

Na Philippi moesten de vele veteranen van de triumviri een stuk grond toegewezen krijgen zoals hen was beloofd... Octavianus was verantwoordelijk voor de praktische regelingen, Antonius zou in het rijke Oosten het nodige geld verzamelen. Want de ager publicus, de gronden in staatsbezit, die weer waren toegenomen door de confiscatie van het bezit van vele Romeinen die de verkeerde kant hadden gekozen, volstond niet en er moest onteigend worden. Achttien van de meest welvarende steden zouden de nodige gronden moeten leveren.

Partitis post victoriam officiis, cum Antonius Orientem ordinandum, ipse veteranos in Italiam reducendos et municipalibus agris conlocandos recepisset, neque veteranorum neque possessorum gratiam tenuit, alteris pelli se, alteris non pro spe meritorum tractari querentibus. (Suetonius, Aug., 13)

Na de overwinning werden de taken verdeeld. Antonius kreeg de taak om orde op zaken te stellen in het Oosten, hijzelf om de veteranen terug naar Italië te brengen en de gronden van de municipiën toe te wijzen. Hij haalde zich de verwijten én van de veteranen én van de eigenaars op de hals: de enen kloegen dat ze werden weggejaagd, de anderen dat ze niet kregen waarop ze meenden recht te hebben.

De hele operatie nam jaren in beslag en zorgde ook in Gallia Cisalpina voor een enorme sociale onrust. Daar werd b.v. het gebied van Cremona voorbestemd voor de veteranen. Vergilius verloor toen zijn eigendom: de ager van Cremona was niet groot genoeg, en hij moest samen met vele Mantuanen zijn grond afstaan: Mantua miserae nimium vicina Cremonae. Met zijn bezit konden 60 veteranen bediend worden (zo kunnen we ons een idee vormen over de grootte van zijn domein). Het is zeer waarschijnlijk dat de veteranen het recht in eigen handen namen toen ze Vergilius' eigendom bezetten. Maar niemand durfde tegen de veteranen ingaan en de dichter was zijn bezit kwijt, hoewel hij nog probeerde zijn gelijk te halen langs juridische weg. Soldatenvolk bleek ongevoelig voor zijn reputatie als kunstenaar:

                                    [...] sed carmina tantum
nostra valent, Lycida, tela inter Martia, quantum
Chaonias dicunt, aquila veniente, columbas. (IX.11-13)

                                    [...] Maar tussen
geweld van wapenen zijn onze verzen
zoveel waard als de duiven van Dodona
wanneer de arend valt ! (Zo luidt het spreekwoord.)
(Van Wilderode)

Gouverneur van Gallia Cisalpina was sedert november 43 v.Chr. Asinius Pollio, aanhanger van Antonius. Het was Asinius Pollio die Vergilius aanzette Bucolica te schrijven. Met hem als patronus moest Vergilius voor geen onteigening vrezen. In de zomer van 41 v.Chr. verloor Antonius de controle over Gallia Cisalpina, nadat Octavianus bloedig afrekende met Antonius' clan in de oorlog van Perusia . De iurisconsultus Alfenus Varus volgde Pollio op. Samen met Cornelius Gallus (zelf een begenadigd dichter en afkomstig uit Gallia Narbonensis) stond hij in voor de verdeling van de geconfisqueerde gronden in naam van Octavianus. Hij was verantwoordelijk voor Vergilius' onteigening. Ook aan Varus heeft Vergilius gedichten opgedragen, tevergeefs... De Po-vlakte zat vol aanhangers van Caesar die liever Antonius zagen dan de jonge parvenu die Octavianus toen nog was; dat was de reden voor het stugge optreden van Varus, die voor Octavianus' rekening werkte. Dan moet Verglius zijn onteigend na de oorlog van Perusia (41 v.Chr.), misschien zelfs tijdens het consulaat van Asinius Pollio (40 v.Chr.); die trok zich in 39 v.Chr. ontmoedigd uit het politieke leven terug.

Of Vergilius de Po-vlakte ooit nog weerzag weten we niet... Tevergeefs had de dichter op zijn beschermer te Rome gerekend. Voor het eerst in zijn leven ervoer hij aan den lijve het recht van de sterkste en ook hoe de machtigen hem wel duldden in hun kringen maar niet bereid waren hun eigen belangen op te geven voor de zoon van een "pottenbakker". Hij was toen rond de dertig jaar en we mogen gerust aannemen dat hij verloofd was. Het is niet moeilijk te begrijpen dat een huwelijk onmogelijk werd... Zijn leven was gebroken. Die slag is hij waarschijnlijk nooit helemaal te boven gekomen... Enkele details bij de biografen wijzen daarop: hij kleedde zich slordig, schoor zich niet zorgvuldig, leed blijkbaar aan een kwalijke maagzweer, was snel geïrriteerd en had vaak migraine. In de Bucolica zijn deze gebeurtenissen alomtegenwoordig, en ook in de Georgica verschijnt nog zijn infelix Mantua (II.198).

In elk geval was zijn poëtisch talent ondertussen bekend genoeg, en langs deze weg zou Vergilius zich nu een positie in de maatschappij verwerven. Vergilius vond een nieuwe patronus: de Etrusk Cilnius Maecenas, de rechterhand van Octavianus die te Rome de onbetwiste meester was. Horatius, andere illustere beschermeling van Maecenas en Vergilius' jongere vriend, beschreef onze dichter als volgt:

Iracundior est paulo, minus aptus acutis
naribus horum hominum, rideri possit eo quod
rusticius tonso toga defluit et male laxus
in pede calceus haeret; at est bonus, ut melior vir
non alius quisquam, at tibi amicus, at ingenium ingens
inculto latet hoc sub corpore. [...] (Sat., 1.3 29-34).

Hij maakt zich wat te snel boos, is geen partij voor de scherpe
tongen van de mensen hier, men kan met hem lachen omdat
z'n toga erbij hangt, nog boerser dan z'n baard, en z'n losse sandaal
slecht zit aan z'n voet. Maar, hij is een beste kerel, een beter man
vind je nergens, en een vriend voor je, en een enorm talent
schuilt onder dat onverzorgde uiterlijk. [...]

Blijkbaar kreeg Vergilius via Maecenas van Octavianus zelf compensatie voor het verlies van z'n domein. Uit zijn testament blijkt in elk geval dat hij het grootste deel van zijn fortuin als zijn persoonlijke eigendom beschouwde waarover hij vrij mocht beschikken: één vierde gaf hij aan Augustus, één twaalfde aan Maecenas. De helft ging naar zijn halfbroer, de resterende twaalfden naar zijn beste vrienden.


Tenet nunc Parthenope

[Top || Mantua me genuit, Calabri rapuere, tenet nunc Parthenope. Cecini pascua rura duces]

De biografen zeggen dat Vergilius een huis had in Rome, naast het park van Maecenas, en verder goederen in Campania (Nola?) en Sicilië. Maar hij woonde, nadat zijn situatie weer min of meer stabiel was geworden, zo goed als permanent te Napels. Te Rome liet hij zich zo weinig mogelijk zien. En, zeggen de biografen, wanneer hij op straat werd herkend vluchtte hij het dichtstbijzijnde huis binnen... Het doet aan onze moderne vedetten denken. Vergilius' werken waren inderdaad ontzettend populair en niemand kon ze beter reciteren dan hijzelf.

Te Napels (Parthenope) voelde Vergilius zich blijkbaar goed, althans zo beschrijft hij zichzelf aan het einde van zijn Georgica, d.w.z. rond 30 v.Chr.:

Illo Vergilium me tempore dulcis alebat
Parthenope, studiis florentem, ignobilis oti
Carmina qui lusi pastorum audaxque iuventa,
Tityre, te patulae cecini sub tegmine fagi. (IV. 563-566)

Te dien tijde werd ik, Vergilius, gevoed door het lieflijke
Parthenope,

De overmoed en de zorgeloosheid van zijn jonge jaren ("audax iuventa") hadden stilaan plaats gemaakt voor de bezadigdheid van de veertiger ("studiis florentem"). Hij had een roeping gevonden en wijdde zich in stilte aan iets groters. De Romeinse geschiedenis had hem van in zijn jeugd geïnteresseerd - nu voelde hij zich sterk genoeg om die in verzen neer te leggen en hij was er al mee bezig. In het derde boek van zijn Georgica kondigde hij zijn groot project aan:

Mox tamen ardentes accingar dicere pugnas
Caesaris, et nomen fama tot ferre per annos
Tithoni prima quot abest ab origine Caesar. (III.46-48)

De reden waarom had hij even tevoren gegeven, met een duidelijke verwijzing naar zijn voorganger Ennius. Die had de Romeinen hun eerste epos gegeven dat die naam waardig was en schreef van zichzelf: Volito vivus per ora virum ("Ik zal nog tijdens mijn leven op ieders lippen liggen"). Vergilius zou dus niet de eerste zijn om Rome een epos te geven, wel zou hij de beste zijn:

[...] Temptanda via est, qua me quoque possim
tollere humo victorque virum volitare per ora. (III.8-9)

Jarenlang wachtte Octavianus, jarenlang wachtte de Romeinse literaire wereld op dit magnum opus. Nu en dan lekte er iets uit. Augustus schreef Vergilius dat hij hem iets, al was het maar één zinnetje zou sturen om zich een idee te vormen over het geplande werk; uiteindelijk las Vergilius hem drie boeken - waaronder het vierde (de liefdeshistorie van Dido en Aeneas) en het zesde (Aeneas' afdaling naar de onderwereld). Dat was rond 23 v.Chr. Ook anderen kregen gedeelten te horen. Maar niemand wist wat het eindresultaat zou zijn. Een overbekend distichon van Propertius laat voelen hoe gespannen de verwachtingen waren:

Cedite Romani scriptores, cedite Graï:
Nescio quid maius nascitur Iliade. (II.34.65-66)

Voor de inwoners van Napels was Vergilius' naam als het ware een bevestiging van wat ze in hem zagen: hij kwam uit een andere wereld. een man die zoveel wist over de oudste geschiedenis van Italië, die zo Spartaans en archaïsch leefde, kon enkel een Parthenias zijn, één van de Spartaanse kolonisten die in legendarische tijden Tarentum hadden gesticht. Die bijnaam gaven ze hem dan ook. Pittig detail (zoals steeds bij dergelijke volkse bijnamen): de Partheniae waren onwettige kinderen... In 1986 werd in Aquileia, op het oude forum, een voetstuk gevonden met daarop de tekst: PVBLIO VALERIO MARONI PATRI VERGILI, d.i. Voor Publius Valerius Maro, vader van Vergilius. Datering: 4de eeuw na Chr. Hierover is al wel wat inkt gevloeid, maar men weet niet wat men ermee aan moet. Als we het nuchter bekijken, dan heeft iemand in Aquileia, in de loop van de 4de eeuw v.Chr., een monument(je) opgericht voor een beroemde stadsgenoot, nl. Publius Valerius Maro, omdat hij de (stief)vader was van de grote dichter Vergilius (die zijn bijnaam Maro in dat geval van zijn (stief)vader had).

Toen Vergilius 51 jaar oud was, en de twaalf boeken die de Aeneïs zou tellen zo goed als klaar waren, vertrok hij voor een reis naar het Oosten. Drie jaar gaf hij zich, om de plaatsen te bezoeken die hij in zijn werk beschreven had: zijn epos mocht geen fouten bevatten. Te Athene ontmoette hij Augustus, die terugkeerde naar Italië. Waarschijnlijk zag Augustus dat Vergilius zijn krachten had overschat. Hij overtuigde de dichter om samen met hem terug naar Italië terug te gaan. Augustus had juist gezien: tijdens een bezoek aan Megara liep de verzwakte Vergilius een zonneslag op die hem fataal zou worden. Hij was doodziek toen hij in de haven van Brindisi aankwam. Hij stierf er op 21 september 19 v.Chr. Zijn as werd bijgezet in een graf langs de weg Napels-Puteoli. Geen pompeus grafschrift kon beter zijn leven weergeven dan de twee lapidaire verzen die de biografen ons overleveren, en die hij zelf zou hebben gemaakt:

Mantua me genuit, Calabri rapuere, tenet nunc
    Parthenope. Cecini pascua, rura, duces.

Mantua heeft mij voortgebracht, Calabrië rukte mij weg, nu ben ik voor altijd
van Napels. Gezongen heb ik, van weiden, velden, leiders.


[1] Vergilius stierf te Brundisium in Calabria. Maar het verwijst eveneens naar het beslissende keerpunt in zijn leven: een gedwongen vertrek naar de andere kant van Italië... [terug]


© Leopold Winckelmans - 1999-2006.

Valid HTML 4.01!   WebCounter