Publius Vergilius Maro

Home


Romeins herenboer en dichter. Andes, 70 v.Chr. - Brundisium, 19 v.Chr. Werken: Bucolica (herdersdichten), Georgica (leerdicht over de landbouw), Aene´s (epos over Aeneas), Appendix Vergiliana (bevat enkele jeugdwerken).


Cecini pascua, rura, duces

[Top || Mantua me genuit, Calabri rapuere, tenet nunc Parthenope. Cecini pascua rura duces]

Vergilius was een Cisalpijn. Door omstandigheden werd hij een dichter en een Romein. Op dit mozaiek uit Susa (het antieke Hadrumetum) is hij afgebeeld als Romeins ridder (in toga met smalle purperen boord), tussen twee muzen: rechts Kleio, de muze van de geschiedschrijving, die hem dicteert uit een boekrol, links Melpomene, muze van het drama, die aandachtig toeluistert. Vergilius heeft zelf op de schoot een opengerolde liber waarop de woorden Musa, mihi causas memora, quo numine laeso quidve (Aen., 1.8-9.a). In zijn rechterhand heeft hij schrijfgerief. De symboliek is duidelijk. Zoals hij zelf had gevraagd, komt Klio hem de verhaalstof influisteren, terwijl Melpomene hem de kracht geeft om op basis van de historische gegevens een indrukwekkend drama te scheppen: de Aeneïs.


Bucolica

[Top || Mantua me genuit, Calabri rapuere, tenet nunc Parthenope. Cecini pascua rura duces]

Bucolica zijn herdersdichten. Vergilius schreef ze in navolging van de Griek Theocritus. Asinius Pollio had hem op het idee gebracht zijn naam te vereeuwigen door als eerste pastorale of herderspoëzie te schrijven in het Latijn en de regels van de aemulatio (de rivaliteit van een navolger met z'n literaire model) wilden dat het Griekse model duidelijk herkenbaar bleef - wel moest Vergilius proberen het beter te doen. De herdersliederen waren nieuw en vernieuwend en kenden groot succes in het mondaine Rome. Later heeft Vergilius tien van zijn Bucolica gebundeld uitgegeven. Men noemde ze ook Eclogae ("uitgekozen (gedichten)"), omdat het de tien beste stukken waren uit een ongetwijfeld heel wat omvangrijker reeks.

De Bucolica beschrijven de "herders", de cowboys van de antieke wereld, ruige en eenvoudige kerels die hun leven sleten tussen het vee dat zij verzorgden en bewaakten. In zijn Griekse modellen, de Idyllen van Theocritus, vond Vergilius de scènes en de thema's die eigen waren aan de bucolische poëzie. De veehoeders dragen namen als Tityrus, Damon of Corydon, ze spelen op zelfgemaakte panfluiten en schalmeien, en maken liederen over hun liefjes die Galatea, Amaryllis, Nysa of zo heten. Af en toe ontmoeten ze elkaar, vertellen elkaar de laatste nieuwsjes of houden een zangwedstrijd. Als ze zich niet bekommeren om hun kudde geiten of runderen, luieren zij op een plekje in de schaduw. Decor is een landelijk landschap, dat vaak in detail is beschreven, vol lommerrijke beuken, mals gras, koele bossen, ruisende beekjes en zachtmurmelende bronnen, kleurrijke bloemen en geurende kruiden. Kortom, de herders leidden een idyllisch leven vol van de bucolische geneugten, die enkel in de ogen van de rijke stedelingen bestonden. De realiteit was wel even anders natuurlijk.

Vergilius schreef zijn herdersliederen in de jaren 42-39 v.Chr. Het laatste gedicht heeft hij blijkbaar speciaal geschreven om zijn bundel af te sluiten. Het zou in 37 v.Chr. geschreven zijn. De eerste lijnen van de eerste ecloge zetten de toon van gans de gedichtenbundel:

Tityre, tu patulae recubans sub tegmine fagi
silvestrem tenui musam meditaris avena?
Nos patriae fines et dulcia linquimus arva.
Nos patriam fugimus! Tu, Tityre, lentus in umbra
formosam resonare doces Amarillyda silvas? (Buc., 1.1-5)

Tityrus, languit in de schaduw van een brede beuk lig jij
een herdersliedje te oefenen op je fijne riet(fluit)je?
Wij verlaten onze geboortegrond! En onze geliefde weiden...
Wij moeten weg uit ons land! En jij, Tityrus, lui in de schaduw
leer je de bossen (je) na te zingen (hoe) mooi Amaryllis (is)?

Aan het woord is Meliboeus, een boer, en de eerste ecloge is niets anders dan het gesprek tussen Meliboeus en de pas vrijgelaten slaaf Tityrus. Thema van het gedicht is de Umwertung aller Werte als gevolg van de massale landonteigeningen na de burgeroorlogen. De vrije grondeigenaars van vroeger bezaten niets meer, terwijl de laagste klassen hun dieren net als vroeger konden laten grazen op de vage gronden die van niemand waren. Dat aansluiten bij de Italiaanse actualiteit was het "nieuwe" in Vergilius' navolging van Theocritus: hele passages lijken zo vertaald uit zijn Griekse model, maar Vergilius heeft ze verplaatst naar zijn eigen tijd en zijn eigen werkelijkheid, de thema's zijn niet Siciliaans, zoals bij Theocritus, maar Cisalpijns, vooral in zijn meer recente gedichten.

Er is voor elk wat wils in de bundel der Bucolica, die volgens een spiegelstructuur is opgebouwd. Aan Buc. I beantwoordt IX (samen: 150 regels), waarin twee herders het hebben over het onrechtvaardige van de landonteigeningen. Aan Buc. II, een lied over de onmogelijke liefde van de smoorverliefde herder Corydon, beantwoordt Buc. VIII, waarin twee herders over de liefdesperikelen zingen van een man en een vrouw (samen: 181 regels). Aan Buc. III beantwoordt VII (samen: 181 regels): de twee gedichten hebben een zangwedstrijd tussen herders als onderwerp. Aan Buc. IV, de meest raadselachtige ecloge, een lied over over de geboorte van een goddelijk kind, beantwoordt Buc. VI, waarin kosmische thema's zijn verwerkt (samen: 149 regels). Centraal staat dan Buc. V, waaraan de afsluitende Buc. X beantwoordt. Dergelijke spiegelstructuur vinden we dikwijls ook binnen de gedichten zelf.


Georgica

[Top || Mantua me genuit, Calabri rapuere, tenet nunc Parthenope. Cecini pascua rura duces]


Aene´s

[Top || Mantua me genuit, Calabri rapuere, tenet nunc Parthenope. Cecini pascua rura duces]

[Home]


© Leopold Winckelmans - 1999-2006.

WebCounter