Caesar, De bello Gallico.

V.38-43

[Home | Index vertalingen]

38.1. Overmoedig door deze overwinning, vertrekt Ambiorix dadelijk met de ruiterij naar de Atuatuci -die grensden aan zijn machtsgebied. Noch de nacht, noch de dag laat hij verlopen en hij geeft opdracht dat het voetvolk hem achterna moet komen.

2. Nadat hij de situatie heeft uitgelegd en zo de Atuatuci in een roes heeft gebracht, komt hij de volgende dag bij de NerviŽrs aan en zet hen aan de kans niet te laten schieten om zich voor altijd te bevrijden en om zich te wreken op de Romeinen voor het onrecht dat zij te lijden hebben gehad. 3. Hij maakt duidelijk dat twee legaten gedood werden en dat een groot deel van het leger ten onder is gegaan; 4. kinderspel is het, als het plóts overrompeld wordt tenminste, het legioen dat met Cicero overwintert uit te moorden. Met het oog daarop biedt hij zijn medewerking aan. Gemakkelijk kan hij met deze woorden de NerviŽrs overtuigen.

[top]

39.1. Daarom trekken zij, na haastig boden te hebben uitgezonden naar de Ceutrones, de Grudii, de Levaci, de Pleumoxii, de Geldumni, die allemaal onder hun gezag staan, zo talrijk mogelijke troepen samen en haasten zich op een onverwacht moment naar het winterkanp van Cicero. Omdat het nieuws van Titurius' dood hem nog niet is gebracht, 2. overkomt het hem ook -dat was (nu eenmaal) niet te vermijden- dat enkele militairen die naar de bossen getrokken waren om brandhout en hout voor de versterkingen te halen, door de plotse komst van de ruiterij werden afgesneden.

3. Als zij die hebben ingesloten, beginnen Eburonen, NerviŽrs, Atuatuci -en ook de bondgenoten en vazallen van hen allen- met een grote legermacht het legioen te bestoken. De onzen lopen snel te wapen en beklimmen de wal. 4. Met moeite komt men die dag door, omdat de vijanden al hun hoop op een vlugge afloop stelden en er van overtuigd waren dat zij, eens zij deze overwinning behaald hadden, voor altijd overwinnaar zouden zijn.

[top]

40.1 In allerijl worden door Cicero brieven naar Caesar gestuurd. Hoewel grote beloningen in het vooruitzicht stonden (als zij ze hadden overgebracht tenminste...), worden de boden gepakt, omdat alle wegen afgezet waren. 2. 's Nachts worden uit dat timmerhout dat ze met het oog op de versterkingen hadden bijeengebracht, zeker 120 torens opgetrokken. Met ongelooflijke snelheid wordt alles wat aan de vestingswerken onafgewerkt bleek, voltooid.

3. Na de volgende dag nog veel grotere troepen te hebben opgetrommeld, bestormen de vijanden het kamp, zij vullen de gracht op. 4. Door de onzen wordt op dezelfde wijze als daags te voren weerstand geboden. Datzelfde gebeurt de volgende dagen onafgebroken.

5. Geen moment van de nacht blijft onbenut voor het werk; noch aan de zieken, noch aan de gewonden wordt gelegenheid tot rusten gegeven. 6. Wat bij de bestorming van de volgende dag nodig is, wordt 's nachts in gereedheid gebracht. Vele aan de punt gebrande palen, een grote hoeveelheid walsperen worden klaargemaakt. De torens worden van planken voorzien, tinnen en borstweringen van vlechtwerk worden vastgevlochten. 7. Cicero zelf gunde zich, hoewel hij in zeer zwakke gezondheid was, zelfs de nachtelijke uren niet om te rusten, zodat hij uiteindelijk bij een opstootje door het geroep van de soldaten gedwongen werd zichzelf te sparen.

[top]

41.1. Dan zeggen hoofden en vooraanstaanden van de NerviŽrs, die enige aanspraak op een onderhoud of een reden tot vriendschap met Cicero kunnen doen gelden, dat ze een onderhoud willen. 2. Daartoe in de mogelijkheid gesteld, vermelden zij hetzelfde als Ambiorix met Titurius had besproken: dat geheel GalliŽ onder de wapens is, 3. dat de Germanen de Rijn zijn overgestoken, dat de winterkwartieren van Caesar en van de anderen belegerd worden.

4. Zij spreken ook over de dood van Sabinus; met vertoon wijzen ze op Ambiorix om hun woorden kracht bij te zetten. 5. Zij vergissen zich, zeggen ze, als zij op enige bijstand hopen vanwege mensen die niet eens geloven in hun eigen zaak. Zij nochtans staan tegenover Cicero en het Romeinse volk zo, dat ze zich tegen niets verzetten tenzij tegen een inkwartiering, en ook niet willen dat deze gewoonte ingang vindt. 6. Voor hun part kunnen zij ongedeerd het winterkamp verlaten en zonder vrees vertrekken, naar welke streek zij maar willen.

7. Cicero antwoordt hierop slechts één ding: dat het niet de gewoonte is van het Romeinse volk voorstellen te aanvaarden van een gewapende vijmd. Als zij de wapens willen neerleggen, 8. dat zij dan op hem een beroep doen als bemiddelaar en gezanten naar Caesar sturen; hij verwacht, gezien diens rechtvaardigheidsgevoel, dat zij zullen bekomen wat zij eisen.

[top]

42.1. Nu ze dit plan mogen vergeten, sluiten de NerviŽrs het winterkamp in met een wal van tien voet en een gracht van vijftien voet. 2. Deze zaken hadden ze bij ons leren kennen door de contacten van de vorige jaren en, nu ze bepaalde personen uit ons leger krijgsgevangen hadden genomen, werden ze er door hen vertrouwd mee gemaakt. 3. Maar daar ijzeren gereedschap dat aan dat doel was aangepast, niet in massa aanwezig was, werden ze gedwongen de graszoden met hun zwaard uit te steken en de aarde uit te halen met hun handen en manteltjes. 4. Juist op grond van dit gegeven kon men zich een idee vormen van de enorme massa mensen: want op minder dan drie uur voltooiden ze een versterking van vier mijl in omtrek.

5. De volgende dagen begonnen ze torens berekend op de hoogte van de wal, muurhaken en schutdaken -dat hadden dezelfde gevangenen aangeleerd- gereed te maken en in elkaar te steken.

[top]

43.1. De zevende dag van de belegering, toen er een zeer sterke wind was opgestoken, begonnen ze gloeiende kogels in zachte klei en gloeiend gemaakte werpspiezen naar de barakken te slingeren, die naar Gallische gewoonte met stro waren gedekt. 2. Die vatten snel vuur en verspreidden het door de hevigheid van de wind, naar elke hoek van het kamp.

3. De vijanden begonnen onder zeer luid geschreeuw, alsof de overwinning reeds behaald was en verzekerd, de torens en schutdaken vooruit te duwen en met ladders de wal te beklimmen. 4. Maar zo groot was de moed van de soldaten en zo hun onverschrokkenheid dat er niet alleen -hoewel ze langs alle kanten door de hitte werden geschroeid, door een enorme massa projectielen werden bestookt en hoewel ze begrepen dat heel hun bagage en al hun have en goed in vlammen opgingen- niemand van de wal afkwam, maar dat zelfs niet één over de schouder keek, en dat ze zelfs nu verbeten en dapper vochten.

5. Die dag was voor de onzen veruit de zwaarste; maar toch had hij dit resultaat, dat er die dag een groot aantal vijanden gewond en gedood werd omdat ze zich onderaan de wal hadden verdrongen en de laatsten aan de voorsten geen kans gaven om te wijken.

6. Toen het vuur althans een beetje geluwd was en toen er op een bepaalde plants een toren aangerold was en de wal raakte, weken de centuriones van het derde cohort van de plaats waar ze stonden, en riepen al hun manschappen terug; ze begonnen met hoofdbewegingen en met geroep de vijanden uit te dagen, "of ze misschien wilden binnenkomen". Maar niemand van hen durfde vooruitkomen. 7. Dan werden ze, nadat ze van alle kanten met stenen waren bekogeld, naar beneden geworpen, en de toren werd in brand gestoken.

[Top]


© Leopold Winckelmans - 1999-2006.

Valid HTML 4.01!   WebCounter