Horatius, Satiren, I.9

[Home | Index vertalingen]

Ik was op weg, toevallig langs de Via Sacra, zoals dat mijn gewoonte is
met in mijn hoofd weet ik veel wat voor versjes, totaal daarin verdiept.

Komt daar iemand op mij toegelopen -ik ken hem enkel van naam! - mijn hand wordt vastgegrepen...
- "Hoe gaat het zoal, allerbeste vriend ?"
- "Redelijk voor het ogenblik," zeg ik, en: "Het beste nog... "

Wanneer hij maar blijft meegaan, maak ik er korte metten mee:
"Dat was het dan, zeker? "
Maar hij: "Je móét me toch kennen! Ik ben een ontwikkeld persoon!"
Mijn reactie: "Nú ga je in mijn achting stijgen..."

Wanhopig zocht ik weg te komen: nu eens sneller stappen... dan weer blijven staan, mijn slaafje weet ik veel wat in het oor zeggen, terwijl het zweet tot onder aan mijn hielen dreef.
- "O jij Bolanus, jij had geluk met je driftigheid!" zei ik aldoor - niemand hoorde het- terwijl hij er maar op los taterde, de wijken aanprees - ja de hele stad!

Omdat ik maar niet reageerde, zei hij:
- "Jij zou je leven geven om weg te raken, ik heb het al lang in de gaten. Maar tevergeefs: ik laat je nooit meer los, ik hou vol. Welke richting wil je vanhier eigenlijk uit?"
- "Het loont niet de moeite dat jij de omweg maakt. Ik wil iemand gaan bezoeken die jij niet kent, over de Tiber, ver. Hij ligt ziek... bij de tuinen van Caesar. "
- "Ik heb niets dat ik moet doen en ik hou van beweging: ik ga het hele eind met je mee."

Ik laat mijn oortjes hangen zoals een slecht geluimd ezeltje, wanneer het gebukt gaat onder een vracht die voor zijn rug te zwaar is. De ander steekt van wal:
- "Als ik mijzelf goed ken, dan ga je Viscus als vriend niet hoger aanslaan, ook Varius niet. Want: wie kan meer -en sneller!- verzen schrijven, wie soepeler zijn lichaam bewegen? Op wat ik zing zou... ja zelfs Hermógenes zou daarop jaloers zijn."
Dit was het moment om te interveniŽren:
- "Heb jij een moeder, verwanten, die jou nodig hebben, gezond en wel? "
- "Ik heb helemaal niemand meer. Allemaal heb ik ze begraven"
- "De gelukkigen... Nu alleen mij nog. Maak er een eind aan. Want het droeve lot is nabij voor mij, dat mij als kind door een Sabijns oudje werd gezongen, nadat met de gewijde pot was geschud:

    Hem zal geen wreed venijn noch een zwaard eens vijands wegnemen
    Pijn in de zij evenmin als een hoest, geen traagmakend pootje.
    Eens, vroeg of laat, maakt een praatvaar hem af: de praatzieken
    Als hij is wijs, moet hij dus, eens volwassen, vermijden."

We waren aan de gebouwen van Vesta gekomen nadat reeds een vierde deel van de dag voorbij was, en, "toevallig", moest hij toen voor de rechtbank verschijnen onder borgstelling. Als hij dat niet zou doen, zou hij z'n zaak verspelen.
- "Als je mijn vriend bent, sta me dan even terzij," zegt hij.
- "Ik mag doodvallen als ik óf in staat ben te blijven staan, óf iets afweet van burgerlijk recht... En: ik moet mij haasten naar... - je weet wel."
- "Nu weet ik niet wat ik moet doen," zegt hij, "jou in de steek laten of mijn zaak"
- "Mij, alstublieft!"
- "Ik ga dat niet doen," zegt de andere.
Nu begint hij zelfs voorop te lopen. Ik, want het is onbegonnen werk je te willen meten met een winner, ik ga dan maar mee...

- "Maecenas," herbegint hij, "en jij, hoe gaat dat eigenlijk?"
- "Hij gaat met niet veel mensen om en heeft heel wat gezond verstand... "
- "Niemand heeft behendiger zijn kans gegrepen! Je zou een fantastisch helper hebben, die de tweede rol zou kunnen spelen, als je déze man hier zou willen introduceren... Mijn kop eraf als je ze al niet allemaal aan de kant had sta..."
- "Wij leven daar niet op die manier zoals jij denkt. Geen huis is zuiverder dan dat, geen meer afkerig van dergelijke kwalijke praktijken. Het maakt mij niets uit, ik zeg het je, dat deze rijker is of die meer ontwikkeling heeft. Ieder heeft zijn eigen plaats."
- "Fantastisch wat je vertelt... nauwelijks te gelov..."
- "En toch is het zó."
- "Je maakt me razend nieuwsgierig, nu ga ik nog willen nauwer in contact komen met hém."
- "Je moet enkel maar willen: met jouw kwaliteiten neem je hem stormenderhand voor je in. En het is iemand die kan veroverd worden, en daarom heeft het moeilijk met het eerste contact."
- "Ik zal mij niet laten kennen! Ik ga zijn personeel omkopen met geschenken. Ik ga het niet opgeven wanneer ik vandaag voor een gesloten deur zal komen te staan. Ik zal mijn momenten kiezen: ik ga "op hem botsen" op kruispunten, hem begeleiden... Ja, zonder grote inspanningen heeft het leven niet veel in petto voor stervelingen..."

Terwijl hij z'n uiteenzetting geeft, zie, daar "botst" Fuscus Aristius "op ons", voor mij een dierbaar vriend en hém moet hij goed kennen.
"Vanwaar kom je?" en "Waarheen ben je op weg?" vraagt en antwoordt hij.
Ik begin aan zijn toga te trekken, in zijn verdacht gevoelloze armen te knijpen, gebarend met mijn hoofd en draaiend met mijn ogen, opdat hij mij zou verlossen. De flauwe plezante maar lachen en doen alsof hij niets begrijpt; mijn gal(blaas) maar branden in mijn lever.
- "Da's waar! Weet ik veel waarover, maar je wilde me toch onder vier ogen spreken, je hebt het al een paar maal gezegd."
- "Ik weet het wel, maar ik ga het op een meer geschikt moment doen: vandaag is de dertigste én sabbat. Wil jij besneden joden voor het hoofd stoten?"
- "Ik ken geen enkel taboe," zeg ik.
- "Maar ik wel! Ik ben een ietsje zwakker, eentje uit velen. Je gaat het me vergeven - ik ga je op een ander moment spreken."
Dat zo een donkere dag voor mij moest opkomen! De snoodaard neemt de benen en mij laat hij stikken - het mes op de keel.

"Toevallig" komt hém iemand tegemoet... zijn tegenstander! En die roept met donderstem: "En waar ga jíj naartoe, smeerlap?" en vraagt: "Mag ik U als getuige nemen?" Ja wát, ík hou mijn oortje al klaar... Hij sleept hem naar het gerecht - geschreeuw aan beide kanten, dus een toeloop van álle kanten... zó heeft Apollo míj gered!

[top]


© Leopold Winckelmans - 1999-2006.

Valid HTML 4.01!   WebCounter