Horatius, Oden, I.37

[Home | Index vertalingen]

Nu moet er gedronken worden, nu met vrije voet
gestampt worden op de grond, nu met Saliarische schotels
het aanligbed van de goden versieren
daarvoor is het de hoogste tijd, broeders.

Voordien was het heiligschennis een Caecubische boven te halen
uit voorvaderlijke kelders, zolang voor het Kapitool
een koningin de ineenstorting -waanzinnig-
en voor het imperium de begrafenis bereidde

met een besmette troep door de ziekte afzichtelijke
mannen, zonder controle om het even wat
hopend en door de gunstige Fortuin
beroesd. Maar die waanzin verminderde

het nauwelijks één schip dat van het vuur gespaard bleef,
en haar door de Mareotische wijn troebele geest
kwam tot de werkelijkheid, de angst,
door Caesar, die haar van Italië vluchtend,

met roeiers opjaagde, zoals een havik
de weke duiven, of een haas de snelle
jager in de vlakten van het besneeuwde
Haemonia, om haar in ketenen te werpen

dit door het lot gezonden toonbeeld: want zij zocht
waardiger ten onder te gaan, en zij is niet als een vrouw
teruggedeinsd voor het zwaard en afgelegen
kusten heeft zij met de snelle vloot niet opgezocht.

Zij heeft gedurfd én haar ingezakte paleis te bekijken
met onbewogen gelaat, sterk, én wilde
slangen vast te nemen om donker
vergif langs haar lichaam op te drinken,

vrijer nu in een doordachte dood,
de wrede Liburniërs natuurlijk niet gunnend
zich als een gewone vrouw te laten wegvoeren naar een trotse
triomftocht, zij een niet gewone vrouw.

[top]


© Leopold Winckelmans - 1999-2006.

Valid HTML 4.01!   WebCounter