Horatius, Oden, I.4

[Home | Index vertalingen]

De scherpe winterkou lost op bij de heerlijke komst van lente en westenwind,
lieren sleuren aan droge scheepskielen,
en het vee vindt geen vreugde meer in de stallen of de boer bij het vuur
en de weiden glinsteren niet meer vol met grijze rijp.

Reeds leidt de Cytherische reien, Venus onder de volle maan,
en de bevallige GratiŽn, verstrengeld met de Nymfen,
stampen de grond met wisselende voet, terwijl de vurige Vulcanus
de drukkende Cyclopenateliers bezoekt.

Nu past het of met groene mirte het glanzende hoofd te beladen
of met de bloemenzee die op de losgekomen aarde staat.
Nu past het ook te offeren aan de Faun in lommerrijke bosjes
of hij 't nu met een ooilam eist of 't liever met een geitenbokje wil.

De bleke dood stampt met even harde voet tegen de krotten van de armen
en de torens van de koningen. O zalige Sestius,
de balans van een korte levenstijd verbiedt ons weidse plannen op te zetten:
weldra heeft duisternis u in z'n macht en de Geesten van het verhaaltje,

en het schimmige huis van Pluto. Dáár, als je er éénmaal bent heengegaan,
zal je geen wijnkoningskronen meer verloten met de teerlingen,
evenmin de lieflijke Lycidas aanbidden, door wie alle jongens nu
in gloed staan en weldra de meisjes een warm gevoel gaan krijgen.

[Top]


© Leopold Winckelmans - 1999-2006.

Valid HTML 4.01!   WebCounter