Horatius, Oden, I.9

[Home | Index vertalingen]

Zie je hoe hij daar staat, in diepsneeuw schitterend wit,
de Soracte, en de last niet meer draaglijk is
voor de kreunende wouden en door de vorst
bijtend scherp de stroompjes stilstaan.

Jaag de kilte weg met houtblokken op de haard
breed bij te stapelen, en nog royaler:
haal vierjarige uit de Sabina,
wijn, o Thaliarchus: een amfoor.

Geef de rest in handen van de goden. Zodra die
de winden hebben doen liggen op het woeste zeeoppervlak
vechtend op leven en dood, worden de cipressen
noch de oude essen gegeseld.

Wat morgen zal zijn, moet je vermijden uit te vinden en
welke het toeval ook zal geven van de dagen, moet je als winst
boeken en zoete liefdesavontuurtjes
mag je niet laten nu je jong bent, jij, en evenmin reidansen,

zolang je nog groen bent en veraf de grijze
knorrigheid. Nu moeten én het Marsveld én de pleintjes
met het zachte gefluister tegen het vallen van de nacht
opgezocht worden op het afgesproken uur,

nu ook 't signaal vanuit een intiem
hoekje heerlijk gegiechel van een onzichtbaar meisje
en een liefdespand afgepakt van een arm
of een vinger die nauwelijks tegenwerkt.

[top]


© Leopold Winckelmans - 1999-2006.

Valid HTML 4.01!   WebCounter