Sallustius, De Catilinae coniuratione.

I-V, XIV

[Home | Index vertalingen]

Inleiding (I-IV)

I.1. Alle mensen, die ernaar streven méér te zijn dan de rest van de levende wezens, past het uit alle macht moeite te doen om niet onopgemerkt door het leven te gaan, zoals de beesten die de natuur heeft gevormd met het hoofd omlaag en slaven van hun buik. 2. Nu is gans onze kracht gesitueerd in de geest en het lichaam. Van de geest gebruiken wij bij voorkeur de leiding, van het lichaam de diensten; het ene hebben wij gemeen met de goden, het andere met de dieren.

3. Daarom lijkt het mij juister met de mogelijkheden van de intelligentie in plaats van met die van de lichaamskracht roem te verwerven en - vermits het leven zelf waarover wij mogen beschikken, kort is - de herinnering aan ons zo lang mogelijk te laten duren. 4. Want roem verbonden met rijkdom en schoonheid, is vergankelijk en broos, innerlijke kwaliteit valt op en heb je voor altijd.

5. Nu is er onder de stervelingen lang hevige discussie geweest over de vraag of de krijgskunde nu door lichaamskracht of door de kwaliteit van de geest het meest vooruitging. 6. Want voor je aan iets begint is er overleg, en zodra je hebt overlegt is er prompte actie vereist. 7. Zo hebben ze, elk van beiden op zichzelf ontoereikend, elkaars hulp nodig. II.1. Zo gingen dus de koningen - want dat is op de wereld de eerste benaming geweest voor "oppergezag" - elk hun eigen weg en trainden ze, een deel de intelligentie, anderen het lichaam; het leven van de mensen werd toen trouwens geleid zonder ambitie, ieder was best tevreden met wat hij had.

2. Nadat echter in Azië Cyrus, in Griekenland de Spartanen en de Atheners het in hun hoofd haalden stadstaten en naties te onderwerpen, overheersingsdrang te gaan beschouwen als een reden tot oorlog, het toppunt van roem te gaan leggen in een enorm imperium, toen ondervond men uiteindelijk door de ervaringen in de praktijk dat in de oorlog intelligentie het meest vermag.

3. 4. 5. 6. 7. Landbouwactiviteiten, scheepvaart, bouwkunde, dat alles staat of valt met de kwaliteit van de geest.

8. Vele stervelingen nu, overgeleverd aan hun buik en de slaap, zonder ontwikkeling en cultuur, gaan door het leven als passanten. Voor hen is, en dat voorwaar tegen de natuur, het lichaam een bron van genot, de geest een bron van moeilijkheden. Tussen hun leven en dood zie ik althans geen enkel verschil, vermits over geen van beide wordt gesproken. 9. Maar voorwaar, leven en over z'n leven beschikken doet in mijn ogen hij die, op een of andere taak geconcentreerd, de roem zoekt van een briljante verwezenlijking of van een fatsoenlijke studie.

[top]

III.1. Nu wijst, temidden van de grote hoop dingen, de natuur ieder een andere weg. Het is schoon het juiste te doen in het belang van de staat, ook het juiste zeggen is alles behalve dom; zowel in vredes- als in oorlogstijd heeft men de kans om op te vallen; zowel mensen die daden hebben gesteld als mensen die daden hebben verteld, worden in groten getale geroemd. 2. En hoewel alles behalve gelijke roem is weggelegd voor hem die geschiedenis schrijft en voor hem die ze maakt, toch vind althans ik geschiedenis schrijven verreweg het lastigst. Vooreerst omdat gebeurtenissen met woorden moeten worden geëvenaard [= "het relatieve belang van de gebeurtenissen uit de beschrijving moet blijken" of "gebeurtenissen met woorden moeten geëvoceerd worden"]. Vervolgens omdat de meesten menen dat hetgeen je als fouten aan de kaak stelt, gezegd is uit kwaadwillendheid en jaloezie. En wanneer je schrijft over de grote kwaliteiten en de roem van mannen van eer, neemt eenieder zonder meer aan wat hij gelooft zelf gemakkelijk te kunnen doen, maar wat daarboven uitstijgt beschouwt hij als vals, alsof het om verzinsels gaat.

3. Nu werd ik, als piepjonge kerel, eerst zoals de meesten in al mijn voortvarendheid naar de politiek gedreven, en daar was veel dat mij niet ging. Immers, in plaats van bescheidenheid, in plaats van onbaatzuchtigheid, in plaats van kwaliteit heersten vermetelheid, corruptie, hebzucht. 4. Hoewel ik in mijn hart deze dingen verafschuwde, onbekend als ik was met kwalijke praktijken, temidden van zoveel verdorvenheid zat onze naïeve leeftijdsgroep, bedorven in de politieke strijd, gevangen; 5. en werd ik - terwijl ik nochtans afstand nam van de kwalijke gewoonten der anderen - niet minder gegeseld met roddel en nijd door diezelfde drang naar politieke ambten die de rest geselde met roddel en nijd.

IV.1. Toen mijn geest bijgevolg, na veel ellende en gevaar, tot rust was gekomen en ik tot de conclusie was gekomen dat ik mij de rest van mijn jaren ver van het politieke bedrijf moest houden, was het niet de bedoeling mijn kostbare vrije tijd te verprutsen met rondlummelen en nietsdoen, evenmin mijn jaren door te brengen totaal in beslag genomen door jagen of het bewerken van het land, wat werk is voor slaven.

2. Maar bij een voornemen en een liefhebberij, waarvan kwalijke politieke aspiraties mij hadden afgehouden, daar ben ik weer bij aanbeland, en ik heb besloten gebeurtenissen uit de geschiedenis van het Romeinse volk in detail te beschrijven, geselecteerd naargelang ze mij waard leken om op te tekenen voor later; des te meer omdat mijn geest vrij was van hoop, vrees en partijtucht. 3. Bijgevolg zal ik een korte uiteenzetting geven, zo waarheidsgetrouw mogelijk, over de poging tot staatsgreep van Catilina. Want die gebeurtenis vooral beschouw ik als gedenkwaardig, wegens het nooit geziene karakter van de misdaad én van de dreiging voor de staat.

4. De persoonlijkheid van die man moet toch even worden toegelicht, voor ik een begin maak met mijn uiteenzetting.

[top]

Karakter van L. Sergius Catilina (V)

V.1. Lucius Catilina, geboren uit een adellijk geslacht, was een zeer sterk man, zowel psychisch als fysisch, maar met een slecht en verdorven karakter.

2. Sinds zijn jonge jaren waren burgeroorlogen, moordpartijen, plunderen, onenigheid tussen burgers hem dierbaar, en daar vormde hij zijn jeugdige persoonlijkheid.

3. Lichaam: bestand tegen vasten, koude, waken, meer dan iemand kan geloven. 4. Geest: vermetel, achterbaks, geslepen, in staat om eender wat voor te wenden of te verbergen. Begerig naar andermans bezit, kwistig met het zijne. Vurig in zijn passies. Voldoende spreekvaardigheid, gezond verstand te weinig.

5. Op zijn denken stond geen maat en steeds zette hij zijn zinnen op buitenissige, ongelooflijke, overdreven dingen. 6. Na de alleenheerschappij van Lucius Sulla had een onweerstaanbare drang zich van hem meester gemaakt om de staatsmacht in handen te krijgen, en met welke middelen hij dàt ging bereiken kon hem geen barst schelen, zolang hij voor zichzelf maar een koningschap zou verwerven.

7. Zijn tomeloze geest was daar met de dag meer en meer mee bezig, door zijn gebrek aan persoonlijk vermogen en zijn medeplichtigheid aan misdaden, twee zaken die hij met de eigenschappen waarover ik hoger heb verteld nog erger had gemaakt. 8. Een extra-aansporing waren de normen van een verdorven burgergemeenschap, die verwoest werden door twee afschuwelijke, onderling totaal tegengestelde kwalen, nl. luxe- en geldzucht.

[top]

Catilina's omgeving (XIV)

14.1. In die zo grote en zo verdorven gemeenschap had Catilina - iets dat zeer eenvoudig te verwezenlijken was - rond zich zwermen van alle mogelijke verlopen en misdadige mensen, als waren het lijfwachten.

2. Want elke ontuchtige, overspelige, kroegloper die met hand, buik, lul zijn vaderlijk erfdeel had verkwist, en wie enorme schulden had opgehoopt om daarmee een schanddaad of een misdaad af te kopen, 3. bovendien, van overal, alle mogelijke vadermoorders en heiligschenders, gerechtelijk veroordeeld of voor hun daden een veroordeling vrezend, daarbij mensen die door hun hand en hun tong in leven werden gehouden met meineed en bloed van burgers, kortom allen die werden opgejaagd door schande, gebrek, een slecht geweten, dat waren Catilina's intimi en naaste vrienden. 4. Als er iemand in zijn vriendenkring versukkelde die nog vrij was van schuld, dan werd hij door de dagelijkse omgang en de verleiding zonder moeite tot een perfecte kopie van de rest gemaakt.

5. Maar het meest was hij gebrand op het vertrouwen van de jongeren. Hun geest, nog kneedbaar en door hun leeftijd onstandvastig, kon hij met slinkse middelen zonder moeite in de ban houden. 6. Want naargelang volgens hun leeftijd hun belangstelling aanwakkerde, ging hij voor de enen voor meisjes zorgen, voor de anderen honden en paarden kopen, in één woord: noch zijn eer noch zijn geld ontzien, als hij ze maar afhankelijk en verknocht aan hem kon maken.

7. Ik weet dat er enkelen zijn geweest die zo concludeerden dat de jongeren die bij Catilina kind aan huis waren, op een alles behalve fatsoenlijke manier met hun eerbaarheid omsprongen. Maar, veelmeer dan dat iemand dit ooit zou bewezen hebben, bleef deze roddel om andere redenen levendig.

[top]


© Leopold Winckelmans - 1999-2006.

Valid HTML 4.01!   WebCounter