Albius Tibullus, Elegie I.3.

Vertaling.


[Home || inleiding | tekst | verklaring || index vertalingen]

Jullie zullen moeten gaan zonder mij, Messalla, door de Ege´sche golven.
Och, hopelijk vergeten jullie mij niet, jij en de compagnie...

Mij houdt het land der Phaeaken vast, ziek op onbekende bodem.
Zolang jij, zwarte dood, je begerige handen thuishoudt -
raak me niet aan, donkere dood, ik smeek u. Hier heb ik geen moeder
die mijn verkoold gebeente moet bijeenrapen aan haar treurende hart,
geen zuster die Assyrisch reukwaren aan mijn asse moet schenken
en moet wenen met hangende haren vóór het graf,
nergens een Delia, die, toen ze mij liet gaan uit de stad,
(zegt men toch) vooraf alle goden had geconsulteerd.

Zij trok driemaal gewijde loten van haar knecht. Haar
kwam de knecht de zekere voortekenen van de straat vertellen.
Allen gaven zij "terugkeer". Toch maakte dat onvoldoende indruk
om niet te wenen om onze tochten en ertegen op te zien.
Ikzelf, haar trooster -hoewel ik al schikkingen had getroffen-,
bleef altijd, onrustig, beletsels en uitstel zoeken.
Ofwel voerde ik de vogels aan, of slechte voortekenen,
of dat de heilige dag van Saturnus mij weerhouden had.
Ach, hoe dikwijls -ik was al vertrokken- heb ik tegen mijzelf gezegd dat
mijn voet, gestoten in het portaal, mij een slecht teken heeft gegeven.
Dat geen mens het wage weg te gaan tegen de zin van Amor
of hij moet weten dat hij is vertrokken terwijl een god hem tegenwerkt.

Wat heb ik nu aan jouw Isis, Delia, wat heb ik nu aan
die koperplaatjes zo dikwijls gestuiterd tegen jouw hand?
Wat baat het nu dat jij, wijl je de rituelen vroom vervult, op reine wijze je bad neemt
en ook -ik ben het niet vergeten- alleen hebt geslapen in een rein bed?

Nu, godin, kom me nu te hulp (want dat genezing mogelijk is
toont menig schilderijtje in uw tempels)
zodat mijn Delia, ter vervulling van de geloften die ze uitkraamde,
met linnen bedekt voor het gewijde portaal moet zitten
en ook tweemaal daags, de haren losgemaakt, voor u lofprijzingen
reciteren moet, opvallend in de bende Egyptenaren,
maar ik weer de kans krijg de Penaten van mijn vaderen te eren
en de maandelijkse wierook te brengen aan de aloude Lar.

Hoe goed leefden ze onder koning Saturnus, voordat
de wereld was opengelegd voor verre tochten.
De ceder had de diepblauwe golven nog niet uitgedaagd
en het neerhangende zeil aan de winden toevertrouwd.
En de zeeman zonder thuis, op zoek naar winst in onbekend gebied,
had zijn boot nog niet volgestouwd met uitheemse koopwaar.
In die tijd ging een gezonde stier niet onder een juk
knabbelde het paard niet op een bit in zijn bedwongen mond.
Niet ÚÚn huis had deuren, er was, geplant in het veld,
geen steen die het bouwland moest leiden binnen vaste grenzen.
Uit zichzelf gaven de eiken honing, uit eigen beweging brachten
de schapen uiers vol melk de zorgeloze mensen tegemoet.
Geen slaglinie, geen toorn was er, geen oorlogen, geen zwaard
had de harde ambachtsman met nietsontziende kunde gevormd.

Nu, onder de heerschappij van Jupiter, steeds maar moorden en bloed
nu is er de zee, nu heeft de dood duizend wegen, onverwacht-
spaar mij, vader, ik ben godvrezend. Meineden plagen mijn geweten niet,
ook geen goddeloze woorden tegen de heilige goden.
Maar als wij de door het lot bestemde jaren nu al hebben volgemaakt,
maak dan dat er een steen boven mijn gebeente staat met ingekapte letters:

    HIER LIGT TIBULLUS, DOOR DE NIETSONTZIENDE DOOD VERTEERD,
    TERWIJL HIJ
MESSALLA VOLGDE TE LAND EN TER ZEE.

Maar omdat ik voor de lieve Amor steeds inschikkelijk ben,
zal Venus persoonlijk mij naar de Elyse´sche Velden begeleiden.
Hier is het al dansen en zingen, en her en der rondvliegend,
laten uit hun frŕle keeltje vogels zoete zang weerklinken.
Kaneel staat op de akker die niet bewerkt wordt
en over al de velden bloeit de gulle aarde vol geurige rozen.
En de rei der jongens, gemengd met lieflijke meisjes,
amuseert zich, en ononderbroken laat de liefde hen worstelen.
Dáár is iedereen tot wie de roofzuchtige dood komt als hij een meisje heeft
en die voor iedereen zichtbaar mirtenkransen draagt in zijn haar.

Maar in diepe duisternis ligt een vervloekte plaats,
onzichtbaar, waarrond zwarte stromen bruisen.
En Tisiphone met in plaats van haren een kluwen slangen
raast er en een goddeloze bende vlucht van her naar der.
Dan sist in het portaal Cerberus uit zijn slangenmuilen
en gaat languit liggen voor de bronzen poort.

Daar wordt Ixion's -hij waagde het Iuno te verleiden-
verderfelijk lijf rondgewenteld op een snel rad
en voedt, uitgestrekt over negen bunders land, Tityus
de nooit aflatende vogels met zijn donker ingewand.
Tantalus is daar, met rondom water, maar voor de brandende
dorst van de man die telkens net wil drinken wijkt het water weg.
En Danaus' kinderen, die de goddelijke macht van Venus durfden krenken,
dragen de wateren van de Lethe naar lege vaten.
Daar moet iedereen zijn die mijn liefde heeft gekrenkt
en mij een eindeloze campagne heeft toegewenst.

Maar jij, ik smeek het, moet zuiver blijven, en voor uw heilige eerbaarheid
moet als bewaakster het ijverig moedertje bij je zitten.
Zij moet je verhaaltjes vertellen en als de lamp is bijgehaald
lange draden trekken uit het volle spinrokken,
maar vlakbij moet het meisje, geconcentreerd op haar zware dagtaak
beetje bij beetje door slaap overmand, het werk terzijde leggen.
Dan moet ik plotseling komen, en niemand mag het vooraf komen zeggen
neen, het moet lijken alsof ik uit de hemel gezonden bij jou sta.

Dan moet jij -zoals jij dan zal zijn- met je lange haren in de war,
mij tegemoet lopen, Delia, op je blote voeten.
Dát smeek ik. Díe dag, die heerlijke schitterende ochtend moet de
blanke dageraad ons brengen met haar rozige paarden.

[top]


© Leopold Winckelmans - 1999-2006.

Valid HTML 4.01!   WebCounter