Vergilius, Aeneïs, IV.56-89

[Home | Index vertalingen]

Eerst gaan ze naar de heiligdommen en altaar per altaar gaan ze om genade
vragen. Ze slachten volgens de gewoonte uitgelezen lammeren
voor Ceres die de wetten draagt, voor Phoebus en vader Lyaeus
voor Juno bovenal, die de huwelijksband beschermt.
Zelf heeft ze de offerschaal in de rechterhand, de beeldschone Dido,
en giet ze midden tussen de horens van een glanzend witte koe.
Of voor het aanschijn der goden schrijdt zij naar de vet-beladen altaren,
en telkens herneemt ze de offers van die dag, en op opengelegde runder-
karkassen stort ze zich en onderzoekt de dampende ingewanden...

Hoe blind toch, de blikken van zieners ! Wat heeft een waanzieke vrouw aan geloften,
wat moet ze in heiligdommen ? Gloeiend vuur verteert het weke merg van haar gebeente
ondertussen en onder haar borst schrijnt de stille wonde.

Zij brandt, de ongelukkige Dido, zij doolt door gans
de stad, kan niet meer denken, zoals een hinde na de inslag van een pijl -
in de verte, argeloos midden de wouden van Kreta, trof haar
een herder, een onbesuisde boogschutter. Hij denkt niet meer aan het vliegend wapen,
zich van niets bewust. Zij is op de loop en door kruist bossen en passen
van de Dicte. Vast in haar zijde haakt het dodende riet...

Nu voert ze Aeneas met zich mee, midden door de vesting
en blijft maar wijzen op de Sidonische macht, de bereide stad.
Zij begint een uitleg en midden in een zin vergeet ze te spreken.

Dan, bij 't verglijden van de dag, zoekt zij de gekende gastmalen
en voor de zoveelste maal de Trojaanse beproevingen te horen,
zij laat niet af. En voor de zoveelste maal hangt ze aan zijn lippen als hij vertelt.

Later, als ze uiteen zijn gegaan, en de bleke maan nu
haar licht dooft en de dalende sterren noden tot slaap,
treurt zij eenzaam in het lege huis en op verlaten bedden
strekt zij zich. Hem hoort ze, als zij ver van hem, hij van haar is, hem ziet ze,
of op haar schoot wil zij, gevangen in het beeld van zijn vader, Ascanius
houden, als om de onuitsprekelijke liefde te kunnen misleiden.

De begonnen torens rijzen niet op. De jeugd oefent niet met de wapens.
Zelfs haven of bolwerken beveiligen ze niet voor de oorlog.
Alles blijft steken, de afgebroken werken, de geweldige
overwelvingen der muren, de hemelhoge stellingen.

[top]


© Leopold Winckelmans - 1999-2006.

Valid HTML 4.01!   WebCounter