Vergilius, Aeneïs, IV.279-303

[Home | Index vertalingen]  [Volgende]

Maar Aeneas staat door de verschijning werkelijk verstomd, totaal van streek,
de haren van de schrik rechtop, en zijn stem zit in zijn keel vast.
Hij wil niets anders meer dan ijlings weggaan, de lieflijke streek verlaten,
overdonderd door zo een bolwassing: een bevel van de goden...
Ach, wat moet hij doen? Hoe nu de koningin benaderen, zij is vol van passie,
met welke woorden kan hij dat wagen? Wat moeten zijn eerste woorden worden, zijn aanzet?
En dan zijn gedachten! Nu eens hierheen flitsend, dan weer daarheen, verdeelt hij ze,
in allerlei richtingen dwingt hij ze en doorheen alles laat hij ze om en omgaan.
Dit lijkt hem in al zijn twijfel de beste oplossing.
Hij roept Mnestheus en Sergestus bij zich en de dappere Serestes.
De vloot moeten ze in orde brengen -in stilte!- en de gezellen bij de stranden verzamelen,
het scheepstuig gereedmaken, en, wat de reden mag zijn voor die onverwachte acties,
doen alsof er niets is. Hij ondertussen, nu die ingoede Dido
zich van niets bewust is en niet verwacht dat zulke liefdesrelatie verbroken kan worden,
hij gaat de aanpak zoeken en wat om te spreken het minst pijnlijke
moment is, welke in dit geval de aangewezen manier is. Allen, zonder aarzelen,
gehoorzamen blij aan het bevel en ze voeren de opdrachten uit.
Maar dat heimelijk gedoe... de koningin -wie zou een geliefde kunnen misleiden?-
voelde het en als eerste kreeg hoorde ze van de komende veranderingen,
achterdochtig omdat alles te rustig was. Alweer de trouweloze roddel ging aan de hartstochtelijke vrouw
vertellen dat de vloot werd opgetuigd, dat de afvaart werd voorbereid.
Ze raast, niet meer meester van haar denken, doorheen gans de stad, woedend,
doolt ze zoals een Thyade, hitsig nu alles voor de ritus bijeen is,
wanneer -ze heeft "Bacche" gehoord- de tweejaarlijkse orgieŽn haar opzwepen
en de nachtelijke Cythaeron lokt met geschreeuw.

[top]


© Leopold Winckelmans - 1999-2006.

Valid HTML 4.01!   WebCounter