Samenvatting van het proefschrift, ingediend tot het behalen van de graad van doctor in de Criminologische Wetenschappen, K.U. Leuven, academiejaar 2000-2001


- Dr. Anja Opdebeeck -

Bijna-doodervaringen en de gevolgen voor de betrokkenen en de samenleving op micro en macro psychosociaal vlak

1. Inleiding

De term 'near-death experience' (N.D.E) is in 1975 geïntroduceerd door de Amerikaanse toenmalige docent in de filosofie Raymond A. Moody. Hij beschrijft een N.D.E. als een geestelijke ervaring van mensen die getroffen worden door een levensbedreigende fysieke problematiek, al dan niet gepaard gaand met een klinische toestand van schijndood (Moody, 1975). Moody (1975, 1976) was niet de eerste die tot de ontdekking kwam dat mensen die de dood zeer dicht zijn genaderd, naderhand vaak 'vreemde' verhalen vertellen over wat zij hebben beleefd tijdens de periode van bewusteloosheid en getuigen over de verregaande invloed die deze geestelijke ervaringen hebben op het verdere leven. Hij was echter wel de eerste die aan dit fenomeen een naam gaf die achteraf, door middel van publicaties voor een breed publiek en tal van lezingen, algemene bekendheid zou verwerven. Bij de vertaling van zijn werk in 1977, werd de Nederlandstalige variant 'bijna- doodervaring' gelanceerd, of kortweg B.D.E..

Door de visioenen van mensen die de dood zeer dicht naderden als 'near-death experience' te betitelen, heeft Moody (1975) zichzelf en het fenomeen, maar tevens ook alle wetenschappers die in zijn voetsporen het verschijnsel hebben bestudeerd, in een fascinerende maar wetenschappelijk uiterst gevoelig liggende schemerzone gebracht. Had hij het fenomeen beschreven als één van de vele mogelijke menselijke bewustzijnstoestanden, had hij zonder twijfel op heel wat minder verzet gestoten. Door de koppeling van het verschijnsel aan het element '(bijna) dood', begaf hij zich echter in gevaarlijk medisch vaarwater. Anderzijds ligt zijn keuze voor de hand: ook al komen dergelijke spiritueel getinte visioenen ook voor bij personen die niet als dusdanig de fysieke dood nabij zijn (onder meer: Maslow, 1972; Grof & Halifax, 1985) het fenomeen blijkt zich expliciet voor te doen bij mensen die een klinische toestand van schijndood doormaken en/of bij mensen die tijdens een ernstige fysieke crisis in de vaste subjectieve overtuiging verkeren dicht bij de dood te staan (onder meer: Greyson, 1998; Elfferich & van Lommel, 1998). Bovendien kan de ervaring voor de betrokkenen inhoudelijk niet worden losgekoppeld van het idee van 'leven na de dood': dit zou indruisen tegen de authentieke ervaringskern zelf (onder meer: Moody, 1975, 1976; Ring, 1980, 1984; Morse, 1990, 1992; Groth-Marnat & Summers, 1998; Elfferich & van Lommel, 1998; Opdebeeck, 2000).

De bijna-doodervaring echter aanvaarden als werkelijk beeld van wat volgt op het fysieke overlijden, is vanuit medisch-wetenschappelijk oogpunt een zeer moeilijk verteerbare stelling. Afgezien van het feit dat 'leven na de dood' als concept doorheen de westerse wetenschappelijke ontwikkelingen van de laatste eeuwen muurvast in het 'wetenschappelijke onbewijsbare' en dus 'onwetenschappelijk' hoekje werd gemanoeuvreerd (Polkinghorn, 1994; Wilber, 1998), kan men vanuit een strikte benadering van de huidige medische doodscriteria ook niet vaststellen of patiënten die een B.D.E. beleefden, werkelijk even 'dood' zouden kunnen zijn geweest. Vanuit medisch oogpunt is het namelijk ongepast de term 'dood' te hanteren voor de afloop van de reanimatiepoging is geëvalueerd. Alhoewel een mens herhaaldelijk in stervensgevaar kan verkeren of stervende kan zijn, is de dood een eenmalige gebeurtenis die per definitie onomkeerbaar is. Wanneer iemand zogenaamd 'klinisch dood' wordt aangetroffen, betekent dit in werkelijkheid enkel dat een potentieel redbare patiënt een periode van apnoe en asystolie doormaakt, waarbij eventueel ook even alle meetbare tekenen van hersenfuncties verdwijnen. 'Klinische dood' wordt niet beschouwd als 'echt dood', vermits het een reversibele toestand is: het organisme als geheel is immers nog niet dood (De Vries, 1985; Pillen, 1996). Bijgevolg zal, met de huidige medisch-wetenschappelijke stand van zaken, de werkelijkheidswaarde van waarnemingen die tijdens deze periode van 'schijndood' optreden en door de betrokkenen worden gepercipieerd als het opvangen van een glimp van het leven na de dood, vanuit kritisch medisch-wetenschappelijk oogpunt steeds als onaantoonbaar worden beschouwd (Pillen, 1996, 1997).

2. Onderzoek

Aan de hand van een kwalitatief empirisch onderzoek (diepte-inteviews met 25 bijna- doodervaarders) dat gevoerd werd ter voorbereiding van het proefschrift ter behalen van de graad van Doctor in de Criminologische Wetenschappen, werd onlangs ook aan de K.U. Leuven het fenomeen van de bijna-doodervaring voor het wetenschappelijke voetlicht gebracht (Opdebeeck, 2000). Overeenkomstig de discipline waarbinnen de studie werd gevoerd, lag het zwaartepunt van het onderzoek bij het in kaart brengen van de psychosociale gevolgen die met de verwerkingsproblematiek post-B.D.E. gepaard gaan. In het onderzoek werd het fenomeen 'B.D.E.' gedefinieerd als een transpersoonlijke drempelervaring die kan optreden naar aanleiding van een zeer ernstig fysiek trauma. Deze afbakening van het fenomeen B.D.E. richtte zich niet zozeer op de concrete belevingsaspecten van de ervaring, maar wel op het bewustzijnsverruimende gegeven in de beleving. Als voorwaarden om te kunnen spreken van een bijna-doodervaring, werden, naast de ernst van het fysieke trauma, twee bijkomende criteria vooropgesteld. Op belevingsvlak moest de betrokkene de vaste impressie hebben gehad de beleving van zijn fysieke lichaam en de beleving van het aardse tijdruimtekader te overstijgen. Bij de uitwerking van de onderzoeksopzet, werden drie onderzoekshypothesen als richtsnoer gebruikt. De eerste hypothese betreft het optreden en de inhoudelijke belevingsaspecten van bijna-doodervaringen. De tweede hypothese betreft de impact van een bijna- doodervaring op het verdere leven van de betrokkene. De derde hypothese betreft het verwerkingsproces dat volgt op het beleven van een bijna-doodervaring.

2.1 Probleemstelling en onderzoeksdoelen

In de concrete uitbouw van de onderzoeksopzet, was de wijze waarop het beleven van een bijna-doodervaring en de gevolgen van deze ervaring in het verdere leven door de betrokkene zelf wordt gepercipieerd, het uitgangspunt. Vertrekkende van de belevingsaspecten van de respectieve B.D.E.'s, werd nagegaan in welke mate het beleven van een dergelijke ervaring werkelijk als een scharniermoment kan omschreven worden in het verdere leven van de betrokkene. Meer concreet werd onderzocht welke (post-B.D.E.) transformatiemechanismen met het fenomeen B.D.E. gepaard gaan en wat de specifieke verwerkings- en integratieproblemen inhouden voor diegenen die een bijna-doodervaring beleefden. Enerzijds werd deze verwerkings- en integratieproblematiek in dialoog met het eigen innerlijk beleven in kaart gebracht. Anderzijds werd de verwerkings- en integratieproblematiek in interactie met de directe en bredere omgeving (zoals deze interactie door de bijna-doodervaarder wordt gepercipieerd) bestudeerd. De mechanismen die de verwerking van een B.D.E. optimaliseren, werden eveneens in beeld gebracht.

Bij wijze van besluit van de onderzoeksopzet, werd in het licht van de onderzoeksresultaten een terugkoppeling gemaakt naar de criminologische relevantie van het onderzoek. Enerzijds werd het marginale beleven van een B.D.E.'er in relatie tot potentieel grensoverschrijdend gedrag belicht. Anderzijds werd gereflecteerd over de vraag in welke mate een studie naar het fenomeen B.D.E. en de gevolgen van dergelijke ervaring in het verdere leven, een inspiratiebron kan zijn bij het voorkomen van en de omgang met (de gevolgen van) grensoverschrijdend gedrag.

2.2 Methodologie

Bijna-doodervaarders beleefden iets wat zij zelf beschouwen als 'een ultiem contact met een macht die oneindig veel groter en verhevener is dan alles wat op aarde enigszins te vinden is' (onder meer: Ritchie, 1978; Von Jankovich, 1984; Atwater, 1988; Eadie, 1992; Vander Linden, 1995). Voor de bijna-doodervaarder is het duidelijk dat geen enkel gezag, dus ook niet dat van de wetenschappelijke wereld, boven datgene kan staan waar hij contact mee had. In dit subjectieve gegeven ligt een grote uitdaging wanneer het fenomeen van de bijna-doodervaring op wetenschappelijke wijze wordt benaderd. Wil de wetenschapper toegang vinden tot de kern van de ervaring in het leven van de betrokkene, zal hij een onderzoeksmethodiek moeten hanteren die blijk geeft van de nodige dosis 'wetenschappelijke nederigheid'. Anders is het gevaar reëel dat door onderzoekers stellingen worden ingenomen op basis van de gekende wetenschappelijke referentiepunten, terwijl het wezenlijke van de bijna-doodervaring zelf onder de oppervlakte blijft (Neuville, 1998). De onderzoeker die het wil hebben over het fenomeen B.D.E. zoals dat door mensen wordt beleefd, wordt met andere woorden genoodzaakt om de bijna-doodervaring te vertalen in een enerzijds wetenschappelijk aanvaardbaar discours dat anderzijds tegelijkertijd de bestudeerde werkelijkheid, ook waar deze inhoudelijk de (huidige) grenzen van het wetenschappelijk discours overstijgt, zo min mogelijk vertekent en maximaal tot zijn recht laat komen.

2.2.1 Samenstelling van de onderzoeksgroep

Aangezien het de bedoeling was om aan de hand van het onderzoek een beeld te kunnen schetsen van de doorsnee B.D.E.-problematiek, moest de onderzoeksgroep de variatie van B.D.E.-verschijnselen in de gehele B.D.E.-populatie weerspiegelen. Om de externe validiteit van de onderzoeksresultaten te kunnen garanderen, werd een welbepaalde strategie (doelgericht steekproeftrekken of purposive sampling) gehanteerd bij het samenstellen van de onderzoeksgroep (Maso & Smaling, 1998). Eerst en vooral werd ervan uitgegaan dat er een maximale demografische heterogeniteit van de onderzoekspopulatie diende te worden nagestreefd. Om deze demografische heterogeniteit te waarborgen, werd gezorgd voor diversiteit in de onderzoeksgroep op vlak van geslacht, leeftijd, sociaal-economisch milieu, graad van opleiding en sociale en religieuze achtergrond. Tegelijk diende de onderzoeksgroep ook een maximale diversiteit op het vlak van de beleefde bijna-doodervaring te weerspiegelen, zowel wat betreft de inhoud van de B.D.E., het tijdsinterval dat sinds het beleven van de B.D.E. verstreken was op het moment van de bevraging, de aanleiding ten gevolge van welke de bijna- doodervaring optrad als de leeftijd waarop de B.D.E. werd beleefd.

Om de onderzoekssubjecten op te sporen, werd gebruik gemaakt van de sneeuwbalmethode (Maso & Smaling, 1998). Aanvankelijk werden alle bijna-doodervaarders gecontacteerd wiens coördinaten op één of andere wijze werden verzameld, en werd aan deze mensen een vraag tot medewerking gesteld. Op voorwaarde dat de ervaringen van de betrokkenen voldeden aan de vooropgestelde theoretische afbakening ("Een bijna-doodervaring is een bijzondere ervaring die optreedt naar aanleiding van een zeer ernstige fysieke problematiek die de patiënt overleeft en waarvan het belangrijkste inhoudelijke kenmerk is dat zij volgens de vaste impressie van de betrokkene de beleving van het fysieke lichaam en het aardse tijdruimtekader overstijgt, waardoor de betrokkene de vaste indruk heeft contact te maken met een niet-materiële zijnsdimensie.") en op voorwaarde dat de betrokkenen bereid waren en in de mogelijkheid verkeerden om de topiclijst te beantwoorden, werden zij opgenomen in de onderzoeksgroep. Zodra op het vlak van de te verzamelen data een verzadigingspunt werd bereikt (Maso & Smaling, 1998), werden enkel nog mensen geïnterviewd met wie er voorafgaand een verkennend gesprek plaatsvond, zodat de eventuele meerwaarde van de getuigenis voor het onderzoek kon worden ingeschat.

Toen het verzamelen van contacten werd afgerond, was er op ongeveer twee jaar tijd een onderzoeksgroep samengesteld, bestaande uit 25 bijna-doodervaarders, 13 vrouwen en 12 mannen, die samen 30 B.D.E.'s hadden ervaren. Onder hen waren 5 kinder-B.D.E.'ers (waarvan 3 met een tweede ervaring op volwassen leeftijd), 4 adolescenten-B.D.E.'ers en 16 volwassen-B.D.E.'ers. De leeftijd waarop de B.D.E. plaatsvond, varieerde van 3 tot 60 jaar. Het tijdsinterval dat op het moment van de bevraging verstreken was sinds het beleven van de laatste B.D.E., varieerde van 2 jaar tot meer dan 25 jaar. De leeftijd van de bevraagden schommelde op het moment van de bevraging tussen de 25 en de 70 jaar. Er werden zowel mensen geïnterviewd die op het moment van de bevraging gehuwd waren, samenwoonden, een lat-relatie hadden als alleenstaand waren en zowel mensen met kinderen als mensen zonder kinderen. Wat het opleidingsniveau betreft, bevat de onderzoeksgroep zowel mensen die louter de lagere school hebben afgemaakt, als mensen met een universitair diploma. Wat het beroepsstatuut van de betrokkenen op het moment van de bevraging betreft, zitten er in de onderzoeksgroep arbeiders, bedienden, mensen met een kaderfunctie, zelfstandigen, uitkeringsgerechtigde werklozen, gepensioneerden, invaliden, schoolverlaters en mensen zonder beroepsstatuut. In de onderzoeksgroep zijn zowel mensen vertegenwoordigd die als kind opgroeiden in een katholiek of christelijk geïnspireerd milieu, als mensen uit een vrijzinnig milieu. Sommige mensen kregen van thuis uit de boodschap mee dat er leven is na de dood (gaande van een visie over hemel, hel en vagevuur tot het bestaan van reïncarnatie), anderen kregen de boodschap mee dat de dood het definitieve einde van het leven is. De houding van de bevraagden als volwassene of adolescent vóór de B.D.E. ten opzichte van de dood, godsbeeld en geloof werd eveneens gekenmerkt door het continuüm gaande van vast geloof in leven na de dood tot geen geloof in leven na de dood en gaande van vast geloof in het bestaan van een God(delijke Kracht) tot geen geloof in het bestaan van een God(delijke Kracht). Wat de houding van de betrokkenen ten overstaande van B.D.E. en aanverwante fenomenen vóór het beleven van de eigen B.D.E. betreft, kunnen eveneens verschillende tendensen worden vastgesteld. De onderzoeksgroep bevat zowel mensen die reeds op voorhand kennis hadden omtrent en/of interesse in B.D.E. en/of andere transpersoonlijke drempelervaringen, als mensen voor wie deze fenomenen volstrekt onbekend waren. Tenslotte blijken ook op inhoudelijk vlak verschillende belevingsgraden van bijna-doodervaringen te zijn vertegenwoordigd, net zoals de fysieke aanleidingen ten gevolge waarvan de respectieve B.D.E. plaatsvonden, een ruime variatie kennen.

De externe validiteit van de onderzoeksresultaten kent echter zijn grenzen. Het feit dat in de onderzoeksgroep geen B.D.E.'s voorkomen die optraden naar aanleiding van zelfmoord, heeft als consequentie dat de theorie op basis van de onderzoeksresultaten enkel betrekking heeft op bijna-doodervaringen die optreden naar aanleiding van een ongewenste fysieke problematiek. Het feit dat in het onderzoek evenmin B.D.E.'s met overwegend negatieve belevingsaspecten voorkomen en/of volstrekt negatieve B.D.E.-getuigenissen werden opgetekend, heeft als consequentie dat enkel uitspraken kunnen worden gedaan wat betreft de inhoud en de gevolgen van (overwegend) positieve bijna-doodervaringen.

2.2.2 De topiclijst

Een belangrijke item in de uitbouw van de onderzoeksopzet, was de topiclijst aan de hand van welke de doelgroep werd bevraagd. Het doel dat voor ogen werd gehouden bij het opstellen van de topiclijst, was het idee dat het een handleiding zou zijn, met behulp van welke de geïnterviewde op een gestructureerde wijze zijn leven kon verhalen. Het resultaat is een topiclijst die, naast een kort administratief gedeelte, drie grote luiken bevat. Een eerste luik betreft het leven voor de ervaring. Een tweede luik betreft de ervaring zelf. Een derde luik betreft het leven na de ervaring.

De bevraging werd gestart met het invullen van een 'administratief luik', waarin algemene identificatiegegevens werden verzameld zoals naam, voornaam, geboortedatum en plaats, adres en telefoonnummer. Om een eerste globale beeld te verwerven van de socio- economische positie van de betrokkene, werd kort geïnformeerd naar de gevolgde studies, het huidig beroep en eventuele beroepen uitgeoefend in het verleden, burgerlijke staat en eventuele kinderen. Tevens werd naar de datum, de plaats en de fysieke problematiek naar aanleiding waarvan de B.D.E. optrad, gevraagd.

De bevraging van het leven als volwassene vóór de B.D.E., werd ingeleid door een korte bevraging over de kindertijd en de puberteit. Op deze wijze kon er een beeld worden gevormd over de herkomst van de betrokkene; het gezin(sleven), de waarden en normen die de betrokkene als doorslaggevend ervoer in de opvoeding, de karaktertrekken van de betrokkene als kind, mogelijke conflicten bij het volwassen worden, toekomstdromen en interesses, en gedachten omtrent leven en dood, lijden, wereld, maatschappij, geloof en liefde kwamen daarbij aan bod. Door de betrokkene vervolgens globaal te laten terugblikken op zijn jeugd en expliciet te vragen naar eventuele mystieke en/of paranormale ervaringen, werd gepeild of en in welke mate er reeds op jonge leeftijd een mogelijke 'B.D.E.-voorbode' aanwezig was. Door te vragen naar mogelijke gebeurtenissen tijdens de jeugd die nog niet eerder expliciet aan bod kwamen in het interview, maar die door de betrokkene als belangrijk werden ervaren, werd een deur open gelaten voor al wat in een mensenleven, in zijn specificiteit, mogelijk relevant kan zijn.

De bevraging van het leven als volwassene vóór de B.D.E. zelf, werd verdeeld in negen grote levensthema's: 'dood', 'godsbeeld en geloof', 'geestelijk leven', 'liefde', 'leven', 'lichaam', 'maatschappij', 'wereld' en 'andere'. De keuze van deze negen invalshoeken stond toe om het levensverhaal van de betrokkenen in welbepaalde clusters te thematiseren. Tevens zijn het deze thema's op vlak van welke volgens de literatuurgegevens attitudeveranderingen en wijzigingen in de levensvisies optreden (onder meer: Ring, 1984; Morse, 1992, Grot-Marnat & Summers, 1998; Elfferich & van Lommel, 1998). Doorheen deze negen levensthema's werden telkens de vier belevingsdimensies van de fenomenoloog Jan Hendrik van den Berg (1964), zijnde de relatie van de betrokkenen tot 'het lichaam', 'de tijd', 'de wereld' en 'de medemens', expliciet en impliciet verweven. Om de eventuele religieuze levensinteracties van de betrokkene eveneens een expliciete plaats te kunnen geven binnen de vier belevingsdimensies van Van den Berg (1964), werd de belevingsdimensie 'medemens' uitgebreid tot 'medemens / de 'Andere'', waarbij onder 'de relatie tot de 'Andere'' elke mogelijke relatie en/of subjectief beleefde interactie van een mens met een 'Hogere (Gods)Kracht' wordt begrepen.

De gehanteerde begripsbepaling in vorige paragraaf toont aan dat er een onderscheid werd gemaakt tussen 'levensthema' en 'belevingsdimensie'. Bij wijze van volledigheid wordt dit onderscheid even toegelicht. Een levensthema verwijst naar een interesseveld van de betrokkene. Een belevingsdimensie verwijst naar de beleving van dit interesseveld. Zo kan iemand bijvoorbeeld bezig zijn met zijn lichaam (als interesseveld) vanuit de belevingsdimensie 'lichaam'; de nadruk ligt dan op de beleving van de eigen lichamelijkheid. Benadert iemand zijn lichaam (als interesseveld) vanuit de belevingsdimensie 'tijd', dan zal de aandacht vooral gefocust worden op de beleving van jeugd/ouderdom/ vergankelijkheid. Benadert iemand zijn lichaam (als interesseveld) vanuit de belevingsdimensie 'wereld', ligt de nadruk op de beleving van het imago. Benadert iemand tenslotte zijn lichaam (als interesseveld) vanuit de belevingsdimensie 'medemens / de 'Andere'', dan gaat de aandacht uit naar de beleving van de (inter)relationele aspecten. Omdat mensen een interesseveld zelden vanuit één loutere belevingsdimensie benaderen, wordt gesproken over 'expliciete' en 'impliciete' bevraging. Zo leenden sommige vragen uit de topiclijst zich meer tot een beantwoording vanuit één specifieke belevingsdimensie (expliciet), zonder daarbij (impliciet) beantwoording vanuit de andere belevingsdimensies uit te sluiten, terwijl andere vragen de vier belevingsdimensies tezamen bevroegen.

Wanneer tijdens het overlopen van de topiclijst het punt was aangebroken waarop de bevraagde werd uitgenodigd om over zijn bijna-doodervaring te praten, werd de betrokkene, in navolging van Ring (1980) en met het oog op het detecteren van mogelijke nieuwe concrete belevingsaspecten, eerst de gelegenheid geboden om een ononderbroken verslag te geven van zijn 'ontmoeting met de dood'. Na deze 'free recall', werden een aantal standaardvragen gesteld over de ervaring. De ervaring werd opnieuw chronologisch doorgenomen, te beginnen met de omstandigheden waarin de bevraagde zich bevond juist voor de ervaring intrad. Er werd gepeild waar hij was, wie er bij hem was, wat de aanleiding van de toestand was, wat hij voelde, of hij pijn had of bang was en hoe de mensen rondom hem reageerden op zijn kritieke toestand. Vervolgens werd het in het interview verwerkte lijstje belevingsaspecten van Moody (1975, 1976) doorgenomen: het besef dood te gaan, gevoelens van vrede en pijnloosheid, de uittreding uit het lichaam, het horen van geluid, de tunnelervaring, het binnentreden in een hemelse omgeving, de ontmoeting met overledenen of andere geestelijke wezens, de ontmoeting met het (Wezen van) Licht, het beleven van een alwetendheidsvisioen, het zien van een levensfilm, het bereiken van een grens en de terugkeer naar het fysieke lichaam. Naast de vragen aangaande deze twaalf belevingsaspecten van Moody (1975, 1976), werd nog een extra vraag aan de topiclijst toegvoegd die peilde naar een ervaringsfacet dat in de literatuur expliciet door Ring (1982, 1984) en Grey (1985) wordt aangehaald, met name het gekregen hebben van een blik in de toekomst. Indien tijdens de 'free recall' van de bijna-doodervaring andere of nieuwe belevingsaspecten werden vermeld, werd hier inhoudelijk eveneens op ingegaan. Tot slot van het tweede luik werden enkele vragen gesteld die de momenten/dagen direct volgend op de B.D.E. betroffen en de onmiddellijke reactie van derden op het eventuele verhaal van de betrokkene peilden.

In de bevraging van het leven na de B.D.E. kwamen de negen levensthema's ('dood', 'godsbeeld en geloof', 'geestelijk leven', 'liefde', 'leven', 'lichaam', 'maatschappij', 'wereld' en 'andere') opnieuw aan bod, voorafgegaan door een tiende expliciet aandachtspunt aangaande de verwerking van de ervaring. Doorheen deze tien bevraagde levensthema's werden weer telkens de vier belevingsdimensies van Van den Berg (1964) expliciet en impliciet verweven.

Voor mensen die als kind of als adolescent een B.D.E. hadden beleefd, werd de vragenlijst met betrekking tot het leven na de B.D.E. iets aangepast. De terugkoppeling naar het leven voor de ervaring werd enkel aangehouden in de mate dat de betrokkene daar zinnig op kon antwoorden.

De gesprekken die met bijna-doodervaarders werden gevoerd, werden geregistreerd op audiocassettes en vervolgens uitgetypt. De op deze wijze verkregen teksten vormden de basis van het verdere onderzoek. De in de topiclijst ingebouwde mogelijkheid om het menselijk beleven uit te splitsen in vier afzonderlijk bestudeerbare, maar tevens ook interactief interpreteerbare belevingsdimensies, met name de ralatie tot het lichaam, de tijd, de wereld en de medemens/de 'Andere' (Van den Berg, 1964), maakte het mogelijk om de veelheid aan concrete informatie te herdefiniëren tot een uniek, duidelijk en hanteerbaar referentiekader, aan de hand waarvan de invloed van de bijna-doodervaring in het leven van de betrokkene in kaart kon worden gebracht.

2.3 Onderzoeksresultaten

Een eerste belangrijk onderzoeksvraag, betrof het optreden en de inhoudelijke belevingsaspecten van B.D.E.'s. De vraag werd gesteld in welke mate de lijst van concrete inhoudelijke belevingsaspecten die in de literatuur wordt weergegeven, een bijna-doodervaring typeert, dan wel of de definitie van een B.D.E. die in dit onderzoek wordt gehanteerd en de nadruk legt op het algemene bewustzijnsverruimende aspect van de ervaring en niet focust op concrete, in beelden vertaalbare belevingselementen, niet beter de lading van het fenomeen dekt.

In strikte zin blijken de in dit onderzoek vooropgestelde B.D.E.-minimumcriteria inderdaad het enige punt van overeenkomst te zijn dat alle B.D.E.-verhalen kenmerkt. Anderzijds echter bracht de dataverzameling aan het licht dat er toch ook wel een patroon kan ontdekt worden in de verschillende ervaringen. Ervaringen die optreden naar aanleiding van een levensbedreigende fysieke problematiek en qua beleving het fysieke lichaam en het materiële tijdruimtekader overstijgen, vertonen op vlak van inhoudelijke belevingselementen tevens minimum een (maar niet per definitie hetzelfde) en meestal meerdere van de klassieke B.D.E.- elementen die onder meer Moody (1975, 1976) detecteerde.
Meer bepaald gaat het over:

Vermits op het vlak van de concrete inhoudelijke belevingsaspecten van het fenomeen B.D.E. de onderzoeksresultaten in de lijn liggen van de literatuurgegevens ter zake, laat dit besluiten dat de afbakening van het fenomeen B.D.E. dat bij de aanvang van dit onderzoek werd vooropgesteld, niet alleen de lading van het verschijnsel dekt, maar tevens de verschillende wijzen overkoepelt waarop de B.D.E. door de diverse onderzoekers wordt getypeerd (onder meer Moody, 1975, 1976; Ring 1980; Lindley, 1981; Greyson, 1983; Grey, 1985; Atwater, 1988; Morse, 1990). Aangezien echter strikt genomen het enige punt van overeenkomst het bewustzijnsverruimende aspect blijkt te zijn, mag de typering van een B.D.E. niet per definitie met het voorkomen van welbepaalde concrete B.D.E.-belevingsaspecten worden gelijkgesteld. De definiëring van het fenomeen B.D.E. zoals deze in het Leuvense onderzoek wordt vooropgesteld, kan bijgevolg naar voor worden geschoven als de meest optimale typering tot dusver.

Een tweede belangrijke onderzoeksvraag, betrof de impact van een B.D.E. op het verdere leven van de betrokkene. De vraag werd gesteld of het leven van alle mensen die een bijna- doodervaring beleefden post-B.D.E. inderdaad zo ingrijpend verandert en zo ja, door welke mechanisme dat transformatieproces wordt uitgelokt.

Eerst en vooral onderschrijven de gegevens van de dataverzameling die in het kader van het Leuvense onderzoek werden verzameld, eveneens de vaststelling dat het beleven van een bijna-doodervaring een verstrekkende invloed kan uitoefenen op het verdere leven van de betrokkene (zie ook Moody, 1975, 1976; Ring, 1980, 1984; Lindley, 1981; Morse, 1990, 1992; Groth-Marnat & Summers, 1998; Elfferich & van Lommel, 1998). In het leven van de meeste B.D.E.'ers die werden bevraagd, blijken veranderingen in de levensvisies en attituden te zijn opgetreden die door de betrokkenen zelf worden toegeschreven aan de invloed van hun ervaring:

Eerder onderzoek wijst er op dat de aangehaalde veranderingen in levensvisies en attituden specifiek optreden na het beleven van een bijna-doodervaring (Morse, 1992; Groth-Marnat & Summers, 1998; Elfferich & van Lommel, 1998) en/of een soortgelijke verregaande bewustzijnsverruimende ervaring (Grof & Halifax, 1985; Morse, 1992) en niet zo zeer in verband dienen te worden gebracht met de impact van het met de B.D.E. gepaard gaande trauma. De vraag hoe de oorsprong van deze veranderingen in het leven van de betrokkenen dient geïnterpreteerd en begrepen te worden, bleef tot dusver echter onbeantwoord. Bij raadpleging van wetenschappelijke literartuur ter zake, valt op dat door de meeste auteurs 'de invloed', 'de gevolgen', 'de verwerking' en 'de integratie' van een B.D.E. in één adem worden genoemd, waarbij men er vanuit gaat dat door de ervaring zelf de post-B.D.E. transformatie en het bijhorende verwerkingsproces ter zake in werking worden gesteld. Dit is echter een te vage en ongenuanceerde en bijgevolg onbevredigende verklaring.

Dankzij de analyse van de getuigenissen, kon opgemerkt worden dat er zich in wezen twee parallellopende processen voordoen. Het verwerkingsproces post-B.D.E. is slechts één van beide, dat volgt nadat de betrokkene zijn bijna-doodervaring heeft beleefd. Eerst en vooral echter, gebeurt er iets met de betrokkene tijdens de B.D.E. zelf, waardoor zijn visie op de werkelijkheid door elkaar wordt gegooid. De 'B.D.E.-input' kan accentverschillen vertonen van ervaring tot ervaring, maar komt globaal genomen (d.w.z. indien de ervaring niet vroegtijdig stopt) altijd op dezelfde boodschap neer.

De basis van alle bijna-doodervaringen is:
Op het vlak van de belevingsdimensie lichaam: er is bewustzijn buiten de lichamelijke context/ er is leven na de dood;
Op het vlak van de belevingsdimensie tijd: het bewustzijn kan (in uitgetreden toestand) de lineaire tijdsbeleving overstijgen/ de eeuwigheid is een zijnstoestand die bewust kan ervaren worden;
Op het vlak van de belevingsdimensie wereld: het bewustzijn is in uitgetreden toestand niet onderhevig aan plaatsbepaling/ buiten tijd en ruimte ligt er een paradijselijke bestaansdimensie; Op het vlak van de belevingsdimensie medemens/ de 'Andere': God bestaat en is Licht en Liefde/ deze onvoorwaardelijke liefdeskracht is de essentie van alles;
Indien bovendien het eenheidservaren wordt beleefd: Alles is één; er is goed noch kwaad, alleen expressie van zijn;
Indien bovendien een alwetendheidsvisioen wordt beleefd: het bewustzijn is in staat met het universele bewustzijn te versmelten, waarbij kennen, weten en zijn, versmelten tot één orgelpunt van waarheid.

Over het algemeen blijkt dat op emotioneel vlak een bijna-doodervaring door de betrokkene wordt beleefd als een (bewust)zijnstoestand die de dagdagelijkse werkelijkheid overtreft. Op voorwaarde dat de bijna-doodervaarder ook op rationeel vlak 'vrede' vindt omtrent de werkelijkheidswaarde die hij vanuit zijn emotioneel weten toekent aan zijn beleefde B.D.E., kan datgene wat tijdens de B.D.E. wordt beleefd, een verregaande invloed uitoefenen op de levensvisies en attituden van de betrokkene post-B.D.E.. De eventuele veranderingen in attituden en verschuivingen in levensvisies die post-B.D.E. aan de oppervlakte komen, kunnen worden teruggekoppeld aan de inhoud van de B.D.E.: mensen veranderen post-B.D.E. overeenkomstig de nieuwe inzichten die ze tijdens de B.D.E. hebben verworven. De impact (het effect; de transformatiekracht) die van het beleven van een bijna-doodervaring uitgaat, blijkt te worden bepaald door de mate van discrepantie tussen de levensvisies en attituden van de betrokkene vóór de B.D.E. en de inhoud en de intensiteit van de belevingsaspecten tijdens de B.D.E.. Mensen uit de onderzoeksgroep die vóór hun ervaring reeds een visie op leven en dood, geloof en liefde hadden ontwikkeld die inhoudelijk in de lijn lag van hun B.D.E., bleken minder geschokt te zijn geworden door de inhoud van de ervaring, dan mensen wiens levensvisies en attituden lijnrecht tegenover de B.D.E.-input stonden. Wanneer er geen werkelijke discrepantie kon worden vastgesteld tussen de B.D.E.-inhoud enerzijds en vroegere denkbeelden anderzijds, dan werd de bijna-doodervaring vertaald als 'een bevestiging' van de vroegere denkbeelden, in plaats van als 'een ommekeer' in denkbeelden.

Het B.D.E.-proces dat door de confrontatie tussen vroegere denkbeelden (levensvisies en attituden) enerzijds en belevingsinhouden tijdens de B.D.E. anderzijds, de veranderingen in levensvisies tot gevolg heeft, werd in het Leuvense onderzoek de 'primaire transformatie' genoemd.

De persoon die na het beleven van een B.D.E. 'terugkeert' naar het fysieke lichaam en de aardse realiteit, is dus niet meer dezelfde als voorheen. De betrokkene heeft werkelijk het gevoel, zij het in meer of mindere mate, 'veranderd' terug te keren in een wereld die dezelfde is gebleven (Vonk, 1996, 1997). Vervolgens moet de betrokkene deze 'veranderingen' een plaats leren geven in zijn verdere leven. Het proces dat daarmee gepaard gaat, werd in het Leuvense onderzoek omschreven als 'secundaire transformatie'.

Dit secundaire transformatieproces blijkt uit twee parallellopende en tevens interactieve deelaspecten te bestaan. Een eerste deelaspect betreft de verwerkingsproblematiek, die kan worden geïnterpreteerd als een bewustwordingsproces. Centraal in het verwerkingsproces staat het inzicht verwerven, enerzijds in de bijna-doodervaring zelf en de primaire transformerende kracht van deze ervaring, anderzijds in de secundaire veranderingen die zich, als een gevolg van de verwerking van de primaire transformatie, in het leven van elke dag laten gelden. Een tweede deelaspect betreft de integratieproblematiek, die kan beschouwd worden als een bewustzijnsproces, waarbij het zetten van de stap van 'weten' naar 'beleven' het schakelbord is. Centraal in het integratieproces staat de opdracht het verworven inzicht op een evenwichtige wijze een plaats te geven in het leven van elke dag.

Een derde en laatste belangrijke onderzoeksvraag, betrof dit verwerkingsproces dat volgt op het beleven van een bijna-doodervaring. Meer bepaald werd onderzocht welke factoren de inhoud, de zwaarte en het verloop van dit verwerkingsproces bepalen.

De inhoud van het verwerkingsproces, of nog de belevingsaspecten die zowel op rationeel als op emotioneel vlak tijdens het verwerkingsproces worden ervaren, kunnen gelinkt worden aan de inhoud van de B.D.E.. Met andere woorden: het draait er bij de B.D.E.'er om om in het reine te komen met wat hij tijdens die B.D.E. ervaren heeft versus de werkelijkheid hier en nu.

De zwaarte van de post-B.D.E. verwerkingsproblematiek, of nog de mate waarin het verwerken van de B.D.E. als ingrijpend en belastend wordt ervaren, wordt bepaald door het discrepantiegehalte tussen de B.D.E.-inhoud versus de inhoud van vroegere levensvisies en attituden. Hoe groter deze discrepantie is, des te zwaarder de verwerkingsproblematiek is die op het beleven van de B.D.E. volgt.

Het verloop van het post-B.D.E. verwerkingsproces, of nog de tijd die de betrokkene nodig heeft om de ervaring post-B.D.E. te verwerken en te integreren, wordt bepaald door de reactie van de omgeving op het verhaal van de bijna-doodervaarder. Een 'afgewezen' bijna-doodervaring is of wordt in de meeste gevallen een 'problematische' bijna-doodervaring. Terwijl de medemens, geconcretiseerd in de persoon van hulpverlener, vriend, familielid of lotgenoot, wel mee sturing kan geven aan het secundaire transformatieproces post-B.D.E., blijft het primaire transformatiemechanisme dat tot stand kwam tijdens de beleving van de B.D.E. onherroepelijk buiten zijn bereik. Elke interventie die gericht is op een 'ombuigen' van de B.D.E.-inzichten naar de 'common sense', is gedoemd om te mislukken. De bijna-doodervaarder wil/kan de interventie van de medemens pas aanvaarden, wanneer zijn subjectieve beleven dat er een 'Hogere Realiteit' schuilgaat achter het B.D.E.-gegeven, au sérieux wordt genomen.

Anderzijds echter: om het even hoe positief de omgeving ook reageert op het verhaal van de betrokkene en om het even hoeveel constructieve steun de betrokkene krijgt bij zijn verwerkings- en integratieproces, er blijft een belangrijke innerlijke taak voor de bijna- doodervaarder zelf weggelegd. Het overwinnen van het heimwee naar de bewustzijnsextase die beleefd werd tijdens de ervaring, het opnieuw vreugde vinden in de beperktheid van het leven in de dualiteit, de confrontatie aangaan met de kleinmenselijkheid van het eigen ego in het licht van de B.D.E.-inzichten en de innerlijke strijd tussen emotioneel weten en rationeel weten, moet hij tenslotte zelf beslechten, alle externe support ten spijt.

3. Een terugkoppeling naar de criminologische relevantie van de onderzoeksopzet

Het fenomeen B.D.E. heeft niet alleen gevolgen voor de betrokkene zelf. Doordat er een interactie ontstaat tussen de bijna-doodervaarder en zijn directe en bredere omgeving, wordt de samenleving eveneens met het gegeven van de bijna-doodervaring en de impact van het fenomeen geconfronteerd.

Bij wijze van besluit van het Leuvense onderzoek, werd in het licht van de onderzoeksresultaten gereflecteerd over de vraag in welke mate een studie naar het fenomeen B.D.E. en de gevolgen van dergelijke ervaring in het leven van de betrokkene, een inspiratiebron kan zijn bij het voorkomen van en de omgang met (de gevolgen van) grensoverschrijdend gedrag. Immers, wanneer door het beleven van een bijna-doodervaring de levensvisies en attituden van mensen in die mate te veranderen dat zij meer belang gaan hechten aan liefde, solidariteit, wijsheid, kennis en een grotere betrokkenheid en verbondenheid gaan voelen met de wereld en de medemens, kan men zich de vraag stellen of dankzij de studie van het fenomeen geen individuele en collectieve 'conflictoplossende strategieën' kunnen worden aangereikt. Tegelijkertijd echter, dient voor ogen te worden gehouden dat het fenomeen B.D.E. zelf, in confrontatie met de heersende maatschappelijke en wetenschappelijke 'codes', als een grensoverschrijdend gegeven kan worden beschouwd, dat welbepaalde psychosociale consequenties met zich meebrengt voor de betrokken ervaarders. Vooraleer het fenomeen B.D.E. voor te stellen als maatschappelijke inspiratiebron, wordt bijgevolg eerst even dieper ingaan op het grensoverschrijdend karakter van het fenomeen B.D.E. en het hieruit voortvloeiende marginale beleven van een B.D.E.'er in relatie tot potentieel grensoverschrijdend gedrag.

3.1 Het marginale beleven van een B.D.E.'er in relatie tot potentieel grensoverschrijdend gedrag

Vooraleer de vraag kan worden beantwoord of, hoe, in welke mate en ten opzichte van welke partij(en), het marginaliteitsbeleven van een bijna-doodervaarder effectief leidt / kan leiden tot grensoverschrijdend gedrag, wordt eerst stilgestaan bij de ernst en hoedanigheid van dit marginale beleven op zich.

Wanneer de verschillende getuigenissen van bijna-doodervaarders die in het kader van de dataverzameling werden verzameld, worden geanalyseerd, kan worden vastgesteld dat het beleven van een bijna-doodervaring en het ondergaan van de gevolgen van die ervaring in confrontatie met de heersende samenlevingscodes, niet per definitie tot marginalisering leidt. Veel hangt af van de openheid en de bereidheid tot constructieve dialoog van de omgeving. Wanneer de omgeving van de betrokkene de 'B.D.E.-werkelijkheid' aanvaardt en bereid is de eigen denkpatronen mee in vraag te stellen en samen naar nieuwe wegen te zoeken die het concreet beleven van de gewijzigde levensvisies mogelijk maken, kan de B.D.E. de aanzet zijn voor diepgaande transformatie en veelomvattende groei voor alle betrokken partijen (zie ook: van Wees, 1996).

Anderzijds lopen bijna-doodervaarders wel degelijk een reële kans om naar aanleiding van hun ervaring in de marge van het maatschappelijk gebeuren terecht te komen. In een heel wat concrete gevallen blijkt de confrontatie tussen de B.D.E.-inzichten van de betrokkene en de heersende samenlevingscodes uit te monden in een conflict dat beslecht wordt in het nadeel van de individuele B.D.E.'er. In een aantal gevallen was de B.D.E. een belangrijke medebepalende factor in het ontstaan van ernstige familiale problemen, welke voor een aantal betrokkenen uitmondden in een definitieve breuk met de partner. Ook manifeste problemen in de werksfeer die in verband gebracht kunnen worden met de 'B.D.E.-inzichten', kwamen in een aantal levensverhalen aan de oppervlakte. Meestal zijn deze conflicten niet van die aard dat zij leiden tot een daadwerkelijk 'ontslag'. Het gaat veeleer om vervelende communicatie- en relatiestoornissen die het gevolg zijn van een niet (langer) op dezelfde golflengte zitten. Dit gegeven duikt ook op in vriendschappelijke relaties. De bijna-doodervaarder zoekt, maar vindt niet langer 'aansluitend bewustzijn' in zijn directe en/of bredere omgeving. De marginaliserende factor bij dit alles schuilt in de vicieuze cirkel die ontstaat. De bijna-doodervaarder gaat zich in een één-tegen-allen-situatie voelen, wat hem een groot gevoel van eenzaamheid en isolement geeft, wat tenslotte leidt tot demotivatie om aan het sociale gebeuren te participeren, waardoor hij de kansen inhibeert een nieuwe leefwereld op te bouwen die wél in overeenstemming is met zijn nieuwe waardepatroon. (zie terzake ook Flynn, 1986; Greyson & Harris, 1987; Vonk, 1996; Groth-Marnat & Summers, 1998; Elfferich & van Lommel, 1998).

De mate echter waarin het grensoverschrijdend beleven dat gepaard gaat met een bijna- doodervaring geïnterpreteerd kan en mag worden in termen van grensoverschrijdend gedrag, hangt eerst en vooral af van de invulling die gegeven wordt aan dit begrip. Binnen het criminologische onderzoeksdomein wordt onder 'grensoverschrijdend gedrag' enerzijds bij wet bepaalde normovertreding verstaan, maar anderzijds ook niet-wettelijk gedefinieerde normoverschrijding, zoals bijvoorbeeld sociale 'overlast' en vormen van psychisch geweld (K.U. Leuven, Infodag Criminologische Wetenschappen, 2000). Bovendien moet, bij het beantwoorden van bovenvermelde vraag, een onderscheid gemaakt worden tussen de bijna- doodervaarder als 'dader' dan wel als 'slachtoffer' van wettelijk en/of niet-wettelijk bepaalde normovertreding.

Wat de veronderstelling betreft dat bijna-doodervaarders meer dan andere mensen geneigd zouden zijn zich als 'daders' van normovertreding te profileren, kunnen in dit onderzoek geen duidelijke aanwijzingen worden gevonden. Hooguit valt de tendens op te merken dat bijna- doodervaarders minder respect betonen voor van buiten opgelegde autoriteit en geneigd zijn de eigen inzichten te laten primeren op de sociale conventies, ook wanneer deze eigen inzichten tegen de sociale normen ingaan. Dergelijke sociale normovertreding die het gevolg is van het beleven van een bijna-doodervaring, resulteert echter zelden in wettelijk grensoverschrijdend gedrag. Terwijl wettelijke normering immers voornamelijk gericht is op het inperken van (de gevolgen van) gedrag dat, omdat het gewild of ongewild voorbijgaat aan de integriteit van de medemens en diens leefmilieu, schade berokkent aan personen en/of goederen, benadrukt de inhoud van de bijna-doodervaring juist het nastreven van 'onvoorwaardelijke liefde voor al wat leeft', 'verbondenheid met de medemens, de wereld en de kosmos', 'kennis en inzicht' en 'spirituele wijsheid'. Sociale normovertreding die het gevolg is van het beleven van een B.D.E., situeert zich voornamelijk op niet-wettelijk gedefinieerd niveau: het negeren van tijdsdruk en prestatiedruk, de onwil inschikkelijk te zijn en/of respect te betonen ten aanzien van sociaal aanvaarde machtsdrang en bezitsdrang van medemensen, het negeren van maatschappelijke status en het hieraan verleende sociale gezag. Dergelijke attituden en het hiermee gepaard gaande 'sociaal onaangepaste' gedrag kunnen tot vervelende conflicten leiden met én voor de omgeving. Soortgelijk sociaal 'onaangepaste' gedrag kan echter hooguit als destructief voor een vlotte organisatie van het maatschappelijk gebeuren worden beschouwd en bezwaarlijk als werkelijk schadeberokkenend, tenzij men een heel ruime (morele) invulling geeft aan het begrip 'schade'.

Wat de veronderstelling betreft dat bijna-doodervaarders meer dan andere mensen het gevaar lopen 'slachtoffer' te worden van normovertreding, ligt de zaak genuanceerder. Veel hangt hier af van de inhoudelijke invulling die men wenst te geven aan 'het morele samenlevingsprotocol'. Beperkt men zich in zijn streven tot het louter voorkomen van 'slachtofferschap van wettelijke normovertreding', dient ook hier opgemerkt te worden dat bijna-doodervaarders op het eerste zicht niet meer of minder dan andere mensen het risico lopen op 'slachtofferschap'. Stelt een samenleving zich echter tevens tot doel het niet-(strikt-)wettelijk gereglementeerde individueel en collectief welzijn van haar burgers te vrijwaren, kan zij niet zonder meer voorbij gaan aan manifeste gevoelens van onbehagen en het hiermee gepaard gaande sociale disfunctioneren van mensen. Vanuit dergelijke bekommernis wordt bijvoorbeeld ook binnen het criminologisch domein heel wat aandacht besteed aan topics zoals 'onveiligheidsgevoelens', 'pesten op school', 'ongewenste (verbale en/of non-verbale) seksuele intimiteiten', 'het kind als toeschouwer van familaal (fysiek en/of psychisch) geweld tussen de ouders', enz. De psycosociale isolatie en het hiermee gepaard gaande individueel lijden waarmee de bijna- doodervaarder wordt geconfronteerd wanneer hij naar aanleiding van zijn ervaren op manifest onbegrip en verwerping stuit, zowel in zijn directe en bredere leefomgeving als in confrontatie met een - al dan niet bewust onachtzaam - (para)medische hulpverlenend en/of therapeutisch kader, bevindt zich op eenzelfde lijn. Het kan niet omschreven worden als een concrete, manifest aantoonbare aanslag op de lichamelijke integriteit van de persoon of zijn materieel bezit, maar legt een dusdanige - wellicht onnodige want met een minimum aan bereidheid tot open en constructieve dialoog te voorkomen - zware psychische wissel op het welbevinden en het functioneren van de betrokkene, dat men zich de vraag kan stellen of het minder 'ernstig' te nemen valt dan slachtofferschap van daadwerkelijk fysiek en/of materieel schadeberokkenend gedrag.

3.2 De B.D.E.-inzichten als maatschappelijke en/of wetenschappelijke inspiratiebron

Wat de belevingsaspecten betreffen, vertelt het gevoerde onderzoek naar het fenomeen B.D.E. iets over de wijze waarop, vanuit een verruimd bewustzijnsperspectief, de relatie tot het lichaam, de tijd, de wereld en de medemens/ de 'Andere' kan worden ervaren. Het menselijk bewustzijn blijkt in staat te zijn om de begrenzing van het fysieke lichaam, het ego, de ruimte en de tijd op dusdanig overtuigende wijze te overstijgen en in een gevoel van eenheid te vervloeien met al wat bestaat, dat een dergelijke ervaring onuitwisbare sporen nalaat met betrekking tot de wijze waarop de werkelijkheid nadien wordt ervaren.

Iemand die een soortgelijke bewustzijnstoestand meemaakt, blijkt niet alleen overtuigd te worden door de alternatieve werkelijkheidswaarde van deze zijnstoestand, maar blijkt tevens de vaste impressie over te houden dat het eenheidsbewustzijn het bewustzijn in de dualiteit overstijgt. Het denken, de ratio, het verstandelijk begrijpen, het redeneren en analyseren enerzijds en het voelen, het hart, het gevoelsmatig bevatten, het beleven van de emotie anderzijds, blijken volgens dergelijke beleving twee componenten te zijn die als 'these' en 'antithese' het 'zijn' manifesteren. Een benadering van de werkelijkheid als totaliteit vanuit één van deze componenten, blijkt gedoemd om onvolledig te blijven, omdat elke component slechts de helft van de informatie bevat en losgemaakt van haar tegenhanger de werkelijkheid reduceert tot een afgescheiden aspect.

Eenheidsbewustzijn ervaren, maakt van de betrokkene nochtans niet per definitie een 'beter' mens, in de maatschappelijke betekenis van 'goed' en 'kwaad'. Dergelijke bewustzijnsverruimende ervaring(en) beleven, maakt van de betrokkene echter wel een bewustere mens, in de zin dat men inzicht verkrijgt in de eigen levensloop, de eigen psychische processen en de psychosociale interacties. Wanneer dergelijk inzicht wordt geïntegreerd in het leven van elke dag, kan het de betrokkene in welbepaalde zin tot een 'vrijere' en 'gelukkigere' mens maken, omdat men vat krijgt op processen die het denken, voelen en handelen anders onbewust blijven leiden en/of determineren. Het besef krijgen en de ervaring beleven dat men, juist doorheen de overgave aan de 'Hogere Wet van Eenheid', 'vat' kan krijgen op het eigen leven en de persoonlijke levensloop in de dualiteit, doet bovendien een appèl op het verantwoordelijkheidsgevoel voor zichzelf, de wereld en de medemens met welke men zich vanuit (de herinnering aan) het eenheidsbewustzijn verbonden weet.

De Leuvense onderzoeksgegevens omtrent het (post-)B.D.E.-transformatieproces, vertellen iets over de mechanismen die in staat zijn de attituden en levensvisies van mensen te veranderen en bevestigen de samenhang tussen emotie en ratio versus gedrag. Afgaande op het (post- )B.D.E.-transformatieproces, is het antwoord op de vraag of de ratio dan wel de emotie de sturende gedragsbeïnvloedende factor zou zijn, geen kwestie van 'of'-'of' maar van 'en'-'en'. Door het concreet beleven van de bijna-doodervaring, worden de levensvisies van de betrokkene op vlak van de belevingsdimensies 'lichaam', 'tijd', 'wereld' en 'medemens'/ 'de Andere' afgestemd op de inhoud van de B.D.E.. Het grote onderscheid tussen een B.D.E. en andere (inter)acties of gebeurtenissen, is dat bij de B.D.E. de (inter)actie uitgaat van een fenomeen dat niet alleen wordt ervaren als even 'reëel' als om het even welk ander levensfeit, maar bovendien tevens wordt ervaren als 'getuigende van een Hoger Werkelijkheidsprincipe'. Deze subjectieve, maar voor de betrokkene onloochenbare 'Realiteit' van het B.D.E.-gegeven, maakt dat één enkele intense ervaring genoeg is om een heel leven vol ervaringen die het tegendeel lijken aan te tonen, te nivelleren. De emotioneel beleefde 'Werkelijkheid' van het B.D.E.-gegeven, maakt bovendien dat de ratio op zichzelf niet bij machte is dat emotioneel weten weg te werken. Alleen wanneer de ratio inspeelt op het concrete beleven tijdens de B.D.E., is zij in staat het (secundaire) transformatieproces constructieve sturing te geven. Aldus wordt het duidelijk waarom in het geval van B.D.E. de buitenwereld niet in staat is om het B.D.E.-proces om te buigen. Het emotioneel weten dat de betrokkene in zich draagt, doordat hij de B.D.E. zelf heeft beleefd, zou hooguit aan het wankelen gebracht kunnen worden door de ratio wanneer tegelijk het beleven van een minstens even sterke ervaring die het tegendeel aantoont, er tegenover geplaatst zou kunnen worden. De buitenwereld kan de bijna- doodervaarder een dergelijke 'op belevingsvlak even overtuigende ervaring' echter niet aanbieden. Maar ook al kan 'het emotioneel B.D.E.-weten' door de ratio niet worden weggewerkt, tegelijkertijd echter blijkt dit emotioneel weten post-B.D.E. niet verwerkt en in het verdere leven geïntegreerd te kunnen worden, zolang het geen bestaansrecht krijgt van de ratio. Pas wanneer het conflict tussen 'rationeel weten' en 'emotioneel weten' is uitgeklaard en beide elementen in harmonie zijn, is de bijna-doodervaarder in staat de tijdens zijn B.D.E. beleefde inzichten te verwerken en op duurzame wijze in zijn verdere leven te integreren.

Wat de factoren betreffen die de zwaarte van het verwerkingsproces post-B.D.E. bepalen, blijkt uit de onderzoeksgegevens dat niet de inhoud van de bijna-doodervaring de 'stressor' is, maar wel het discrepantiegehalte tussen de B.D.E.-inhoud en de inhoud van vroegere levensvisies en attituden. Het is deze discrepantie die de mate bepaalt waarin de betrokkene de B.D.E. al dan niet als ingrijpend ervaart en bijgevolg de ernst van de 'crisissituatie' post-B.D.E.. De vraag stelt zich of dit discrepantiemodel voornamelijk de ernst in kaart kan brengen van crisissituaties die met als 'positief' beleefde ingrijpende gebeurtenissen kunnen gepaard gaan en/of in welke mate het ook de respectieve zwaarte van een verwerkingsproces na het beleven van traumatische ingrijpende gebeurtenissen kan bepalen. De wetenschappelijke theorie die victimisering benadert als een vernietiging van basisassumpties (onder meer: Janoff-Bulman, 1985), lijkt dit discrepantiemodel te valideren. De vernietiging van basisschema's door traumatische ingrijpende gebeurtenissen wordt in de literatuur echter voornamelijk als verklaringsgrond aangewend waarom iemand na slachtofferschap van een delict of trauma met verwerkingsproblemen kan geconfronteerd worden (onder meer: Christiaensen & Goethals, 1993). Het zou interessant zijn om door middel van concreet empirisch onderzoek tevens verder proberen in beeld te brengen in welke mate een duidelijk verband kan gevonden worden tussen de mate van discrepantie (basisassumptie van de betrokkene op vlak van de belevingsdimensies 'lichaam', 'tijd' 'wereld' en 'medemens/ de Andere' versus de concrete inhoud van een welbepaalde traumatische gebeurtenis) enerzijds en de zwaarte van het individuele verwerkingsproces nadien anderzijds.

De bevindingen omtrent het verloop van het verwerkingsproces dat volgt op het beleven van een bijna-doodervaring tenslotte, bevestigt de waarde en het belang van empathie in de hulpverlening. Mensen die geconfronteerd worden met een ingrijpende gebeurtenis, blijken heel wat steun te kunnen hebben aan een empathisch luisterend oor. Afwijzing, verwerping of een wegrationaliseren van wat werd beleefd, kunnen daarentegen het verwerkingsproces erg verzwaren en bemoeilijken. Bij mensen die een bijna-doodervaring beleefden, blijkt dat de opvang en de steun die zij nodig hebben, niet in eerste instantie te maken heeft met wat zij beleefden op zichzelf, maar met de mate waarin dat het beleefde de vroegere denkbeelden ondersteboven haalde. Het verwerkingsproces dat volgt op het beleven van een B.D.E., bevestigt echter niet alleen de waarde en het belang van een empathische hulpverlenende houding (onder meer: Vanaerschot & Van Balen, 1991), maar plaatst tevens, bij wijze van spreken, een 'vergrootglas' op de empathische houding van de hulpverlener. De bijna- doodervaarder blijkt namelijk uiterst gevoelig te zijn voor (eventueel gebrek aan) authenticiteit ter zake. Wanneer de professionele empathische houding van de hulpverlener niet tevens uitgaat van het hart van de mens achter de hulpverlener, blijkt de interventie zijn doel te missen (zie ook Boswijk-Hummel, 1990). De bijna-doodervaarder voelt zich pas werkelijk gehoord en begrepen wanneer de andere niet alleen laat uitschijnen dat hij invoelt, maar wanneer hij effectief de B.D.E.-problematiek benadert vanuit het gezichtspunt van de bijna-doodervaarder, alsof hij zelf die bijna-doodervaarder was, en dit invoelen uitstraalt. Op dergelijke wijze hulpverlener zijn, vergt meer van de betrokkene dan het louter beschikken over een 'winkelkarretje' professionaliteit dat men als een veilige buffer voor zich uit kan duwen. Het is eerder als mens van mens tot mens op weg gaan met een rugzak 'professionele tools' waaruit men, indien nodig, kan putten (zie ook Bossuyt, 1994). Wil men echter onder dergelijke kwetsbaarheid niet bezwijken, is het aangewezen om ook zelf als mens de weg naar binnen te gaan, opdat men de eigen kracht en de eigen zwakte leert kennen en niet bang hoeft te zijn voor de confrontatie met de leefwereld van de andere (zie ook Kübler-Ross, 1997).

Referenties

Atwater, P.M.H. (1988). Coming back to Life: the After-Effects of the Near-Death Experience. New York: Dodd, Mead & Co.
Berg, J.H. van den (1964). De psychiatrische patiënt. Nijkerk: Callenbach.
Bossuyt, I., (1994). Palliatieve zorgen. In: Maex, E., & Opdebeeck, A. (Eds.), De dood in de marge van het leven. Leuven: Mens, Maatschappij en Marginaliteit.
Boswijk-Hummel, R. (1990). De anatomie van de liefde; de energie van het hart in relaties. Haarlem: De Toorts.
Christiaensen, S. & Goethals, J. (1993) Aspecten van slachtofferschap. In: Peters, T. & Goethals, J. (Eds.), De achterkant van de criminaliteit. Leuven: Universitaire Pers.
Eadie, B.J. (1992). Embraced by the Light. Placerville: Gold Leaf Press.
Elfferich & van Lommel (1998). Ervaringen van patiënten na reanimatie: 10 jaar onderzoek in Nederland. I.A.N.D.S.: Stichting Merkawah. (Onderzoeksrapportage voor donateurs en belangstellenden).
Flynn, C.P. (1986). After the Beyond: human transformation and the Near-Death Experience. Englewood Cliffs: Prentice Hall.
Grey, M. (1985). Return from death: an exploration of the Near-Death Experience. London: Arkana.
Greyson, B. (1983). The N.D.E. scale: construction, reliability and validity. Journal of Nervous and Mental Disease,171, 369 - 375.
Greyson, B. (1998). The incidence of near-death experiences. Medical Psychiatry, 1, 92 – 99.
Greyson , B. & Harris, B. (1987). Clinical approaches to the near-death experience. Journal of Near- Death Studies, 8 (2), 41 - 52.
Grof, S. & Halifax, J. (1985). The human encounter with death. New York: Dutton.
Groth-Marnat, G. & Summers, R. (1998). Altered beliefs, attitudes and behaviors following near- death experiences. Journal of humanistic psychology, 38 (3), 110 - 125.
Jankovich, S. von (1984). Ich war klinisch tot. DerTod: Mein schönste Erlebnis. München: Drei Eichen.
Janoff-Bulman, R. (1985). Criminal vs. non-criminal victimisation: victims' reactions. Victimology, vol.10, 498-501.
Kübler-Ross, E. (1997). The wheel of life. New York: Scribner.
K.U. Leuven, Afdeling Strafrecht en Criminologie (2000). Infodag Criminologische Wetenschappen.
K.U. Leuven: Faculteit Rechtsgeleerdheid, Afdeling Strafrecht en Criminologie, intern document.
Linden, G. Vander (1995). Mijn dood... mijn mooiste belevenis. Gent: Stichting Mens & Kultuur.
Lindley (1981). Near-death experiences in a Pacific Northwest American population: the Evergreen study. Anabiosis: the Journal of Near-Death Studies 1 (2), 104 - 124.
Maslow, A. (1972). Religion, Values and Peak Experiences. New York: Viking.
Maso, I. & Smaling, A. (1998). Kwalitatief onderzoek: praktijk en theorie. Amsterdam: Boom.
Moody, R.A. (1975). Life after life. Covington: Mockingbird Books.
Ned. vert.: Leven na dit leven. Naarden: Strengholt, 1977.
Moody, R.A. (1976). Reflections on life after life.Covington: Mockingbird Books.
Morse, M. (1990). Closer to the Light. New York: Villard Books.
Morse, M. (1992). Transformed by the Light. New York: Villard Books.
Neuville, H. (1998). Niet gepubliceerde brief aan de bestuursleden van I.A.N.D.S. Flanders. In: A.
Opdebeeck (2000), Bijna-doodervaringen en de gevolgen voor de betrokkenen en de samenleving op micro- en macro psychosociaal vlak. Proefschrift ingediend tot het behalen van de graad van doctor in de Criminologische Wetenschappen. K.U. Leuven: Afdeling Strafrecht en Criminologie.
Opdebeeck, A. (2000). Bijna-doodervaringen en de gevolgen voor de betrokkenen en de samenleving op micro- en macro psychosociaal vlak. Proefschrift ingediend tot het behalen van de graad van doctor in de Criminologische Wetenschappen. K.U. Leuven: Afdeling Strafrecht en Criminologie.
Pillen, E. (1996). De evolutie van het begrip 'dood-zijn'. In: A. Opdebeeck (Ed.), De dood in de marge van het leven (III); een drieluik omtrent wetenschap, religie, mensen en de dood. Leuven: Mens, Maatschappij en Marginaliteit.
Pillen, E. (1997). De B.D.E. bekeken vanuit medisch perspectief. In: A. Opdebeeck (Ed.), Het leven in de marge van de dood; een collectief fenomenologisch onderzoek naar het fenomeen van de bijna- doodervaring als transpersoonlijke drempelervaring. Leuven: Mens, Maatschappij en Marginaliteit.
Polkinghorne, J. (1994). Quarks, Chaos & Christianity - Questions to science and religion. London: Triangle.
Ring, K. (1980). Life at Death. New York: Coward, Mc Cann& Georghegan.
Ring, K. (1984). Heading toward Omega: In search of the meaning of N.D.E.. New York: William Morrow.
Ritchie, G.G. (1978). Return from tomorrow. Michigan: Grand Rapids.
Vanaerschot, G. & Van Balen, R. (1991). Empathie. In: H. Swildens, O. de Haas, G. Lietaer & R. Van Balen, Leerboek gesprekstherapie. Leuven: Acco.
Vonk, I. (1996). De verwerking. In: P. van Lommel, R. van Wees, M. Blickman, P. Sluis, H.
Molenburgh & I. Vonk, Bijna-doodervaringen: symposiumbundel. Deventer: Ankh-Hermes.
Vonk, I. (1997). De gevolgen van de B.D.E. op het leven van de betrokkenen vanuit therapeutisch oogpunt. In: A. Opdebeeck (Ed.), Het leven in de marge van de dood; een collectief fenomenologisch onderzoek naar het fenomeen van de bijna-doodervaring als transpersoonlijke drempelervaring. Leuven: Mens, Maatschappij en Marginaliteit.
Vries, M.J. de (1985). Het behoud van leven. Utrecht: Bohn, Scheltema & Holkema.
Wees, van (1996). Inleiding. In: P. van Lommel, R. van Wees, M. Blickman, P. Sluis, H. Molenburgh & I. Vonk, Bijna-doodervaringen: symposiumbundel. Deventer: Ankh-Hermes.
Wilber, K. (1998). The marriage of sense and soul: Integrating science and religion. New York: Random House.