| thema's
I
I
I
I
I 
pacifisme
15
februari 2007 - Mondelinge vraag nav MO-bericht: 91 containers vol tankonderdelen
naar explosieve Hoorn van Afrika
Mondelinge
vraag van de heer Lionel Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister
van Financiën en aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse
Handel en Wetenschapsbeleid over «een mogelijke illegale wapenuitvoer
vanuit België naar Eritrea»
Lionel
Vandenberghe –
Volgens een bericht in het maandblad MO zouden een negentigtal containers
met tankonderdelen en een veertigtal militaire vrachtwagens vanuit de
haven van Antwerpen via de haven van Rotterdam vervoerd zijn naar Eritrea.
Naar verluidt zou de Antwerpse douane in 1998 dit transport aan de ketting
hebben gelegd omdat de exportvergunning voor Eritrea niet in orde was.
Blijkbaar kreeg de exporteur later, in december 2002, in een minnelijke
schikking toestemming om de goederen naar een bedrijf in de haven van
Rotterdam te verschepen. Die goederen zijn niet in Rotterdam toegekomen,
maar naar Eritrea verscheept. De Nederlandse minister van Buitenlandse
Zaken, de heer Bot, zou de Belgische autoriteiten verzocht hebben om dit
schip terug te roepen, maar België zou niet gereageerd hebben. De
Verenigde Naties verbieden de export van wapens naar een aantal landen
die verwikkeld zijn in conflicten, zoals onder meer Eritrea. Mochten deze
gegevens kloppen, dan overtreedt België dit VN-embargo.
Heeft
de minister weet van deze wapenuitvoer?
Is
hier sprake van illegale wapenuitvoer?
Klopt
het dat de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken over deze zaak
contact heeft opgenomen met ons land en zo ja, hoe heeft de minister daarop
gereageerd?
Welke
procedures en controles hanteert ons land om illegale wapentransport te
voorkomen en te controleren?
Hoeveel
overtredingen van het VN-wapenembargo hebben de douanediensten de voorbije
vijf jaar geregistreerd?
Met
welk bedrijf werd de minnelijke schikking getroffen? Vermeldt de minnelijke
schikking hoe het vervoer moest plaatsvinden? Vervoer over land is gemakkelijk
te controleren, vervoer over zee daarentegen veel moeilijker, zoals uit
de feiten blijkt.
Stond
het Rotterdamse bedrijf EP Shipping - zoals de Nederlandse minister van
Buitenlandse Zaken Bot aangaf- in de minnelijke schikking vermeld als
bestemming? Zo ja, heeft de douane nagegaan of EP Shipping hiervan op
de hoogte was?
Indien
EP Shipping als bestemming was vermeld, hebben de andere partijen de minnelijke
schikking met de Belgische douane dan niet geschonden doordat ze de goederen
niet bij EP Shipping hebben afgeleverd? Zo neen, waarom niet? Zo ja, heeft
België dan vervolging ingesteld tegen de overtreders?
Indien de inhoud van de minnelijke schikking vertrouwelijk is, zoals blijkt
uit een verklaring van de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken,
op welke wettelijke basis steunt die vertrouwelijkheid dan? Hoe kan het
vertrouwelijk karakter worden opgeheven?
De
heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën.
–
De 91 containers met tankonderdelen en 40 militaire vrachtwagens kwamen
in juli 1998 vanuit het Nederlandse Windschoote in Antwerpen aan. Het
materieel is vermoedelijk van het vroegere Oost-Duitse leger afkomstig.
De containers met tankonderdelen werden deels over de weg en deels per
spoor als vrije goederen vanuit Nederland naar België verzonden.
Bij aankomst in Antwerpen stelde de Belgische douane bij een controle
vast dat het om militaire goederen ging. Omdat ze vreesde voor uitvoer
uit Europa, startte de douane een onderzoek. Dat resulteerde in de vaststelling
van een poging tot inbreuk op de Belgische wapenwet van 5 augustus 1991.
Gezien de omvang van de goederen, werden ze ter plaatse in beslag genomen.
De eigenaar van de goederen betwistte van bij het begin de vaststellingen
van de douane, zowel wat de poging tot overtreding van de wapenwet betreft,
als wat de militaire aard van de goederen betreft. Het geschil werd vervolgens
ingeleid bij de correctionele rechtbank van Antwerpen, die de Administratie
der Douane en Accijnzen in het gelijk stelde.
Vier jaar later, in december 2002, aanvaardde de overtreder in hoger beroep
een schikking. De voorwaarden hiervan waren conform met de bepalingen
van de wapenwet van 5 augustus 1991. Er werd onder meer overeengekomen
dat de goederen terug naar het land van herkomst zouden gaan, meer bepaald
naar Rotterdam. Om de controle van het transport te garanderen, diende
het transport over zee en met één vervoermiddel te gebeuren.
Gelet op de aard van de goederen bracht de Belgische douane de Nederlandse
autoriteiten tijdig van het transport op de hoogte. Daarmee was de overtreding
in België afgehandeld.
Er
werd door België geen embargo geschonden. Op het ogenblik van de
vaststelling van de feiten waren de goederen in het vrije verkeer. In
de schikking werd bepaald dat de goederen binnen de Europese Gemeenschap
terug naar de lidstaat van herkomst dienden te worden gezonden. Aangezien
de goederen in het vrije verkeer van België naar Nederland werden
verzonden, werd de wapenwet van 5 augustus 1991 niet overtreden. Er heeft
dus geen illegale wapenuitvoer vanuit België plaatsgevonden.
Half januari 2007 werd de administratie der douane en accijnzen informeel
door de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging van de Europese Unie
in kennis gesteld van een ontwerp van antwoord op vragen over wapenleveringen
naar Eritrea die in het Nederlandse parlement werden gesteld. Deze tekst
liet uitschijnen dat de illegale uitvoer van deze goederen vanuit Rotterdam
mede te wijten was aan het feit dat de Belgische douane de Nederlandse
autoriteiten laattijdig verwittigde dat de zending van Antwerpen naar
Rotterdam vertrok. De administratie der douane en accijnzen heeft hierop
gereageerd met het voorstel de tekst aan te passen in de zin dat de Belgische
douane de Nederlandse autoriteiten meermaals en tijdig op de hoogte stelde
van de komst van de zending. In het definitieve antwoord werd met dit
voorstel rekening gehouden zodat daaruit niet meer kon worden afgeleid
dat de illegale uitvoer mede te wijten zou zijn aan een fout van de Belgische
douane.
De
douane verifieert goederen wanneer ze voor een douaneregeling worden aangegeven.
Deze verificatie moet het mogelijk maken enerzijds na te gaan of de zendingen
die niet vergezeld zijn van een vergunning in wezen niet aan een vergunning
zijn onderworpen en anderzijds of de goederen waarvoor wel een vergunning
wordt overgelegd wel degelijk overeenstemmen met de gegevens van de vergunning.
Bij twijfel wordt overgegaan tot materiële verificatie.
De
douane werkt heel nauw samen met de diensten die enige bevoegdheid hebben
inzake de materie. Deze diensten zijn onder meer de FOD Buitenlandse Zaken,
Economische Zaken, Justitie, Binnenlandse Zaken, Defensie en de regionale
diensten die vergunningen afleveren. Daarnaast beschikt de douane over
een permanentie bij de nationale opsporingsdienst. Tevens wordt informatie
tussen de Europese douaneautoriteiten uitgewisseld in het kader van de
wederzijdse bijstand, zoals bepaald in verordening 515 van 1997. Ook heeft
de douane verschillende akkoorden voor informatie-uitwisseling met landen
van buiten de Europese Unie gesloten. Daarom maakt de douane ook gebruik
van alarmberichten. Zodra verdacht verkeer van goederen wordt gesignaleerd,
worden de controlerende ambtenaren daar bijna onmiddellijk van op de hoogte
gebracht. Er wordt opdracht gegeven de goederen tegen te houden en, afhankelijk
van de gesignaleerde feiten, op zijn minst een zeer grondige verificatie
uit te voeren. Rekening houdend met het Beneluxverdrag zijn alle wapens
die België binnenkomen of buitengaan aan een vergunning onderworpen.
Op grond van deze vergunningswetgeving worden veel embargo’s in
België gecontroleerd. Uit de inbreuken die de douane op deze wetgeving
vaststelt, valt niet af te leiden of de inbreuk al dan niet een wapenembargo
betreft.
Op de vragen over een aantal van de beslissingen van douane en accijnzen
kan ik geen gedetailleerd antwoord geven. Artikel 320 van de algemene
wet inzake douane en accijnzen verplicht de administratie der douane en
accijnzen en haar ambtenaren tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande
alle zaken waarvan zij in de uitoefening van hun taak kennis krijgen.
Daartoe behoort ook het afsluiten van een transactie. Er kan enkel een
uitzondering worden gemaakt voor de mededeling van gegevens aan andere
overheidsdiensten, bijvoorbeeld administraties van de Staat, de gemeenschappen
en de gewesten of aan gerechtelijke instanties voor zover zij die nodig
hebben om hun wettelijke of bestuursrechtelijke taken te kunnen uitoefenen.
De diensten waaraan de gegevens worden verstrekt zijn op hun beurt tot
de meeste volstrekte geheimhouding gehouden.
Ik
kan niet meer van de inhoud van de transactie onthullen dan ik al deed
in antwoord op vorige vragen.
Mocht de senator meer detailinformatie wensen, dan kan de Senaatscommissie
voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden altijd de directeur–generaal
van de afdeling Douane en Accijnzen van mijn departement horen. Alle ambtenaren
moeten echter de geheimhoudingsplicht nakomen.
Lionel
Vandenberghe –
Ik dank de minister voor zijn uitvoerige uitleg. Mijn vraag is vooral
toekomstgericht.
In het antwoord van uw Nederlandse collega worden verwijten over en weer
gestuurd. Uit de documenten blijkt dat de Belgische douane vrij consequent
is opgetreden.
Met dergelijke transporten moeten we in het vervolg wel zeer omzichtig
omspringen. Dat een kapitein onderweg vrachtbrieven kan veranderen, roept
bij mij toch een aantal bedenkingen op.
Ik besef heel goed dat hierbij een groot aantal landen zijn betrokken
: Duitsland, Engeland, Denemarken, en zelfs Egypte. Er moeten dus ook
zeer degelijke internationale afspraken worden gemaakt.
De
heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën.
–
Dezelfde aanpak geldt voor alle landen, niet alleen voor de EU- lidstaten.
In de toekomst kunnen we het altijd beter proberen te doen.
---
Verder
>>
|