Letterkunde en beeldende kunst


          Letterkunde gebruikt een taal en een taal is in de eerste plaats een communicatiemiddel, dat jammer genoeg niet universeel geldt. Nederlands doet het niet in Frankrijk. Wel is elke taal smeedbaar. Je kan plechtig praten, een leuke tekst schrijven, een mooi klinkend gedicht, een wijze haiku, een spannend verhaal. Je kan kunst beoefenen met de taal. Maar je vrijheid is beperkt. Literatuur is een gedisciplineerde kunst. Je mag met woorden spelen, doch die woorden spelen vlug op hun poot. Ze eisen respect voor hun betekenis en zinnen willen zinnig zijn. Je kan op een stapel boeken gaan zitten, je kan je mening stoelen op een boek van een geleerde. Toch wordt een boek daarbij geen stoel. Je kan de betekenis van een woord verruimen, niet grenzeloos. Je krijgt veel vrijheid, maar je legt jezelf de grens op “mijn tekst moet verstaanbaar blijven, ik folter woorden niet tot ze hun betekenis verloochenen.” Men schaft tegenwoordig grenzen af, ook de geciteerde. Ik versta sommige hedendaagse gedichten niet, zelfs niet na drie keer lezen. Ik onderga een stapel mooie zinnen en ik snap de zin niet van het geheel. De dichter beweert dat hij “multi-interpreteerbaar” dicht,  zo moderne en betere kwaliteit schept. Opschepperij, vind ik. Volgens mij is verstaanbaarheid een kwaliteit, onduidelijk zijn een gebrek. De taal is en blijft een communicatiemiddel.          

De beeldende kunst kan ook de mededeelzaamheid voorop stellen. Vroeger stuurde een koning de hofschilder naar het buitenland om er een portret te schilderen van de huwbare prinses. Hij wou een getrouw rapport van haar uiterlijk. De beeldende kunst kan nu kilometers afstand nemen van het nuchter mededelen. De beeldende kunst is heel apart. Letterkunde is voor de lezer een sequentiële kunst. Hij ondergaat ze woord na woord, zin na zin, bladzijde na bladzijde. Een schilderij presenteert zich voor de toeschouwer van a tot z ineens. Hij ondergaat in één oogopslag het geheel. Hij kan het schilderij daarna lang bekijken, details bewonderen. Er is geen voorgeschreven volgorde voor de details. De beeldende kunst is niet sequentieel. Ook minder gedisciplineerd dan de letterkunde. Je kan desnoods spreken van de kleur van de hoop, de kleur van de liefde. De socialisten zijn rood. De Duitsers hebben in hun schuldige nazi-jaren bij ons zwarten en witten veroorzaakt. Aan kleuren kan men een betekenis hechten. Kleuren kunnen harmoniëren, kleuren kunnen vloeken. Toch is een schilder veel vrijer met kleuren dan een schrijver met woorden. En hij schildert in Vlaanderen niet in het Nederlands. Zijn penseel heeft geen geografisch beperkte moedertaal. Elke toerist kan “het laatste oordeel” van Rogier van der Weyden in Hôtel-Dieu in Beaune bewonderen, maar iedereen zou daar geen gedicht van Guido Gezelle kunnen lezen. Hoewel zo’n gedicht uiteindelijk ook afgebeeld wordt, met letters.

Natuurlijk kunnen verschillende kunsten elkaar beïnvloeden, elkaar helpen, samen ergens nuttig zijn. Ze kunnen opgaan in een zelfde stroming: romantisme, realisme. “Het laatste oordeel” van Rogier Van der Weyden is kerkelijke kunst, steunt het  Woord van het Evangelie. De tekenkunst van Felix Timmermans illustreert zijn geschreven werk, maakt het nog beter. Elkaar dienen, maar verschillend blijven.

© Hugo Van Vlaslaer 

 

 terug naar de startpagina (klik)      terug naar de inhoudstafel van deze reeks (klik)   naar het volgend stukje (klik)