De tragische carričre van ’t klein alfabet

 

Lang geleden toen de dieren spraken... Neen, zo beginnen sprookjes en zo lang geleden is het ook weer niet. Wel was ik toen veel jonger, droeg ik geen baard en als ik een foto uit die tijd bekijk, vind ik: je ziet er niet zo slecht uit in uniform. Ik heb legerdienst gedaan. Moest toen, weet iedereen, 18 maanden. Voor mij: 9 maanden “opleiding” en 9 maanden “dienst”. Later wederoproepingen.

­            Het begon met “gewoon opgeroepen”. Geen eigen roeping. Tijdens de selectieproeven in het Klein Kasteeltje in Brussel, hadden we tot besluit een interview onder vier ogen met een man met vier sterren: twee links en twee rechts. Aanvankelijk een vriendelijke man: een gastvrij tweesterrenhotel langs elke zijde. Ik wist toen nog niet dat je zo'n man moest aanspreken met "luitenant". Ik zei "mijnheer". "Ik licht je in", zei de man. Hij was met al zijn sterren de sterrenwichelaar van dienst om mijn militaire toekomst te voorspellen. Ik was nooit goed voor lichamelijke opvoeding. Ik hield vlug een pleidooi, voor de sterrenman onherroepelijk zou melden: infanterie of iets anders met veel zweet, lopen en springen. Ik besloot met: "Zet me maar ergens in de administratie, ik deug voor niets anders."
De sterrenwichelaar keek met zijn sterren, die fonkelden. Ik denk: ze waren juist opgepoetst met ça-va-seul. Zijn ogen fonkelden ook verdacht en hij sprak woorden, die niet meer vriendelijk klonken: "Wat weet jij over je lichamelijke capaciteiten? Die worden hier gemeten door onze dokters. Lichamelijke geschiktheid: categorie 1. Je kunt paracommando worden, als je wilt. Zeg, ik zie in mijn papieren dat je een zuster hebt. Wat doet die?"
Ik had moeten zeggen: die zit stokstijf in een rolstoel ... Maar ja, dat mens was gymnastieklerares. Ik vertelde de waarheid.
Hij riep: "Dat doet de deur dicht. Mijnheer komt uit een sportieve familie, is zelf in superconditie, heeft studies gedaan, die hem geschikt maken voor een technisch wapen en mijnheer zou met zijn luie kont willen zitten, de hele dag op een bureaustoel willen zitten. Je kunt gaan."

Wat later moest ik gaan naar de genieschool in Jambes. Maar de genieschool bleek niet gespecialiseerd in benen, in mijn korte benen: ze hadden er geen broek, die me paste.  Jawel, ze hadden wel een passende broek, maar dan was het overeenkomend jasje van de battle dress te smal. Paste het jasje dan was de broek te lang. En ze konden geen broek nemen van maat zus en een jasje van maat zo. Je moet in het leger overal dezelfde maat hebben. Dus mocht ik in burger, met een kakibroek onder de arm, naar een militair atelier in Namen. Daar sneden ze er simpel een stuk af, van die broek. Die afgesneden broek was dan voor het uitgangsuniform, voor 's zondags. Van de andere broek, die voor geniaal geniegebruik tijdens de werkdagen was, mocht geen stuk af: daarin knippen was geldverspilling. We droegen toen nog beenstukken, “getten”, boven onze legerschoenen. In die beenstukken diende ik dan, op bevel van hogerhand, het te veel aan broek in op te bergen.

Na ongeveer drie maanden genieschool, wachtte ons de eerste belangrijke beloning: twee “latten” en een rood lintje, we werden korporaal-kandidaat-reserve-officier. Maar ik werd verzocht, de bewuste dag te verschijnen voor de compagniecommandant. Hij schoof een papier naar mij toe. "Lees", zei hij kort.
"Ik, Hugo Van Vlaslaer, vraag vrijwillig overgeplaatst te worden naar een lichter wapen."
"Teken", zei hij. "Aan een genieofficier worden hoge eisen gesteld", beweerde hij uit de hoogte. Hij was een man als een boom.

Als een boom zijn, ik vind dat niet leuk, anders was ik ook zo geworden. Een boom is niet slim, staat daar maar zo te staan. Ja, in de lente pinkt hij tegen de bijen: "Kom, kom, kom eens wat seks verrichten." Een man als een boom... Zie je daar als man op de bijen roepen: "Lief bijtje kom, je krijgt wat honing, als je met mijn meeldraden komt spelen tot er het stuifmeel afvalt."  Daar bedank ik voor.

Maar de boom uit de genieschool begon te bomen over: je bent te weinig sportief, je zou in de administratie moeten zitten ...
Ik zei: "Ik teken dat papier niet, ik ben lichamelijk categorie 1 en mijn zuster deed de deur dicht en u mag de deur openen en mij buitengooien, maar vrijwillig ga ik niet, want het zwaarste van de opleiding is nu reeds voorbij ..."
De boom liet zich niet vellen en boomde verder: “Ik zie je geen brug leggen onder vijandelijk vuur”...

Ik tekende niet

Nu om een lange geschiedenis kort te maken, hij heeft me niet buiten gegooid, waarschijnlijk omdat hij veel te veel papieren moest invullen om het toch te doen. Hij deed natuurlijk iets: iedereen werd korporaal, behalve ik. Ik diende nog een maand te wachten en bijzonder mijn best te doen of ...

Nu ben ik het geworden: korporaal. En het vervolg liep makkelijk, want dat ging met examens, hoofdzakelijk theorie-examens, zonder vijandelijk vuur.

En na geslaagd te zijn aan de geniale genieschool, kreeg ik nog anderhalve maand bijscholing voor ABC-officier: verdediging tegen atoom­, biologische en chemische wapens.  Want uiteindelijk bleek, dat de sterrenwichelaar uit het Klein Kasteeltje me daarvoor had voorbestemd, wegens gedane studies...(“ABC” werd later meer precies “NBC”, met de “N” van Nucleair).

Zo zat ik de rest van mijn legerdienst toch op een bureaustoel te wachten tot er (zogezegd) atoombommen vielen... Ik moest die dan niet tegenhouden als een soort superman, maar berekenen waar de gevaarlijke radioactieve neerslag zou vallen.

Die bureaustoel stond in Weiden, bij Keulen, in het hoofdkwartier van de Belgische strijdkrachten in Duitsland. Ik was er samen met een redelijk lange ABC-collega beland, Guido T. Toen we de eerste avond in mess B ons voorstelden aan de reeds “gevestigde” reserve-officieren, hing de lichte muze in de lucht.
“Waar zitten jullie?”
“Sectie genie, dienst  ABC.”
De luchtige letterkundige inspiratie trof Jan van de sectie G2. Hij lachte stil, maar hoorbaar: “ABC? ’t Groot alfabet en ’t klein alfabet.”
Zo werden onze bijnamen geboren.

Ik heb veel geleerd: het was voor mij moeilijker om korporaal te worden dan de officier “’t klein alfabet”. Ik zou veel beroepen, die minder gehonoreerd worden dan wat ik deed, niet eens kunnen uitoefenen hebben.

Ondertussen ben ik gesneuveld, definitief ingeslapen in slapende toestand op het veld van eer. Tijdens mijn laatste wederoproeping gebeurde het 's nachts. De plaats, waar we zogezegd sliepen, een zogezegd opgeëiste villa, had de vijand zogezegd gebombardeerd, met een kernbom a.u.b..  Ons veldbed stond in werkelijkheid in een tent dichtbij “ons werk”. Een sergeant kwam me daar wakker maken: "Kapitein, er is een atoombom gevallen.”  Achter mijn bureau constateerde ik dat de hele ploeg, die rustte, volgens de theorie morsdood moest zijn. Ik ook. Ik meldde plichtbewust ons overlijden. Ik wou naar huis, om te treuren. Dood zijn op papier maakt ook indruk. Ik moest echter voort werken, anders liep de boel in het honderd. Ze speelden vals, de boel moest in het honderd lopen, vond ik, met zoveel doden. Vals? Niet officieel. Ze kloonden me onmiddellijk tot een “dezelfde in een ander team”.  Ik hoorde toen niet meer tot het grote hoofdkwartier in Weiden, maar tot een kleiner in België zelf  (een militair gebied; zou men later afschaffen).  Indien zo’n ding deelnam aan NAVO-maneuvers was dat, wegens besparingen, niet “voltallig”.  Zo werd er slechts één NBC-officier opgeroepen in plaats van 3. Ik was tegelijk werkend, stand bye en rustend, met accentverschuiving naargelang de vereisten. Na mijn “overlijden” werd ik dus aanstonds “die van een andere ploeg”.

Toen ik na de wederoproeping thuis kwam, lag er een brief van minister Van den Boeynants.  VDB vond, dat er te veel reserve-officieren waren, dat je eervol ontslag kon nemen. Ik heb het aanstonds gedaan: uitgetreden uit het reserve kader. Ik zat immers in mijn eigen rouwperiode, bedroefd en ontgoocheld, ondanks de verrijzenis in een ander equipe.  Ik was toen reserve-kapitein en ik had, zonder dat sneuvelen, misschien graag reserve-majoor geworden. Staat later leuk op je doodsbrief.

Ik bezocht onlangs de Citadel van Namen. Op sommige plaatsen heb je een mooi uitzicht, zie je zelfs de genieschool liggen in Jambes. Vandaar. Heimwee?

© Hugo Van Vlaslaer

Terug naar de startpagina (klik)      terug naar de inhoudstafel van deze reeks (klik)         

Naar het volgend stukje (klik)