Automecanicien?

 Dit begint met een oud-student diep uit de tijd toen ik les gaf.

Begin jaren tachtig, crisistijd. Augustus, vakantie, thuis. Iemand belt aan. Ik open de deur, kijk naar omhoog, zie zijn aangezicht en ik herken hem: een oud-student van het type ‘niet-te-vergeten’. Hij is niet alleen. De andere component van ‘niet alleen’, kan ik niet thuisbrengen zo verrassend voor mijn huis staande. Ik zeg: "Kom binnen.”

"Ik ben met de auto van mijn schoonbroer en dit is mijn schoonbroer", zegt de oud-student. "Kunt u daar eens naar kijken? Hij start moeilijk. De auto, niet mijn schoonbroer.”

"Ik kan wel eens naar die auto zien, maar daar iets aan doen, dat is wat anders.”

"Ik dacht...", zegt hij, "U doet in de les van fysica of u alles over een auto weet.”

"Ja? Maar leraars zijn komedianten. Ze spelen altijd alsof ze het weten. Wat is er met die auto gebeurd?"

De auto ziet er moe uit en niet-geslaagd voor fysica. De oud-student verklaart: "Ik heb met de auto een botsing gehad. Ik heb dat ergens goedkoop laten herstellen, want ik ben werkloos. Ze hebben iets elektrisch vast gelast en nu laadt de accu niet meer voldoende op. Daarom start hij slecht. Zou de stroomalternator beschadigd zijn? Ze hebben hem niet losgekoppeld bij het lassen. Er kan lasstroom door de windingen gelopen zijn: windingen doorgebrand of de gelijkrichter beschadigd... Dat kunt u toch zien: een alternator is toch fysica!"

Ik antwoord: "Ik heb geen gereedschap om die alternator te demonteren. Ik kan met een ohmmeter wel eens nagaan of de snoeren van en naar de alternator nog gezond zijn.”

Ik zie niets verdacht met de ohmmeter. Ik vraag de schoonbroer: "Wat doet u, mijnheer?"

"Industrieel ingenieur elektriciteit.”

Ik zeg verbaasd: "Dan kunt u die alternator toch beter nakijken dan ik.”

"Natuurlijk", antwoordt hij, "Ik zal hem meenemen naar de fabriek. Maar hij dacht, dat u het goede oog hebt, dat u autoproblemen zo ziet en oplost.”

            Mijn kinderen studeerden nog in de jaren 80 en waren reeds zo verstandig te weten dat ik eventueel het reservewiel kan plaatsen, maar dat ik me voor de rest tot de bevoegde garagist wend. Dus zegt mijn jongste dochter, toen de bewuste auto met de merkwaardig-gezellige inhoud weggereden was: "Wat durf jij je studenten wijsmaken?"

"Niets", antwoordde ik, "Ik illustreer soms iets uit de fysica met dingen uit de auto, die ik in een boek gevonden heb. Ik mag toch trachten boeiend les te geven."

De andere vrucht van onze liefde merkt op: "Dan komt dat toch overtuigend over.”

"Ik kan het zelf niet geloven", zeg ik.

            Zeven jaar na de tijd van het pas geschreven verhaal, komt na de les een student me vragen hoeveel olie juist bij de benzine moet gevoegd worden in de tank van een Wartburg, het betere broertje van de Trabant. Toen deed de Wartburg het met een tweeslagmotor, ik wist dat en dus was er inderdaad olie nodig bij de benzine. Ik wist dat het genoemde DDR-voertuig met een apart oliereservoir uitgerust was, dat een mengautomaat de olie in de goede verhouding bij de benzine voegde.

Ik zeg: "Die auto heeft toch een mengautomaat?”

"Sommige, die van mijn vriend niet.”

"Ik ken de juiste verhouding niet, maar dat kunnen ze je toch vertellen in een Wartburg-garage.”

"Ik dacht dat u dat ook wist.”

            Geloofde de moderne jeugd toen echt dat ik veel wist? Ik heb mijn studenten nooit gevraagd mijn capaciteiten te overschatten. Indien ze geloofden, dat ik een klein beetje fysica ken, dat volstond...

Hoewel: ik geloof slechts zelf, dat ik wat fysica kan leren uit boeken en het begrijpelijk kon voort vertellen.

Ik hoop nu, dat ik een cursiefje kan schrijven, dat u dit laatste gelooft.


© Hugo Van Vlaslaer

 

 
terug naar de startpagina (klik)         terug naar de inhoudstafel van deze reeks (klik)